Peter Prins


Prins bezit twee zwemdiploma’s, een rijbewijs en woordblindheid, en woont in Wladiwostok, een gebouw op een eiland in de haven van de grote stad en loopafstand van het goudeneeuwse centrum. Zijn aankomst op dat eiland die plek in een paar jaar tijd uit de grond gestampt, waar slechts één loods aan vroeger herinnert, met gebouwen die over een enorm gebied met verglijdende grenzen zijn uitgestrooid, was voor hem een onthutsende ervaring.

foto: Giovanna Vivian

 

(Elk gedicht opent met een coördinaat, die de plek aanwijst vanwaar gekeken of geluisterd wordt.)

 

52° 00′ 40” NB, 4° 20′ 14” OL, 07:52 u,

lief inzicht,

I
het station, tas openritsten, schrift op schoot, tunnel in zien, licht, vanuit de richting waar we niet gaan, de tegengestelde,

anderen, onbekenden, eten staand, drinken lopend, hebben een huid waaraan geraakt kan, willen, bedekt, de gesloten ogen, zonder onderscheidt, door de ander, anderen, en zichzelf,

grijs is een kleur, zwart en wit, een verbleekt blauw petje, artistiek of zonder ziel, zo iets heet ook wel zielloos,

vanuit het coupéraam kan je de rode en gele velden, haaks tegen de coniferen, grazend vee, vinex, oude bomen rond het plein, bramen en wegwaaiende pamfletten zien,

ik had mee je willen vragen,

II
over zielenroerselen, het onmogelijke, en stommetje spelen,
een lege maag, een hartslag (54 – 56 p/m), hematocriet 0,55 l/l, haargroei daar waar het een jaar geleden niet was,

III

in de rijdstoelen er achter likt zij een envelop dicht, drukt een minuscule pil uit een groene strip en slikt die, waarschijnlijk, in,

langs het raam aan de andere kant schieten de bomen voorbij, smalle velden met vee, een boerderij, bossages, in het gras slapende schapen, een groep huizen, parken, een veld, breder dan de vorige en wegwaaiende pamfletten,

hoe onderscheiden vinken zich van lijsters, lijsters van hoenderen, en die van kraaiachtigen,

IV
lieve,

moedwillig leg je het hoofd op het zwarte tasje, ogen open, het wordt zonniger, 15:20 u., wandel zonder je jas, rijden we weg vanuit een licht modern aandoend station,

 

52° 56′ 38” NB, 4° 56′ 11” OL, 08:18 u,

lief uitzicht,

zo te zien tast je het besmeurde raam af, mannen op de hydraulische lift, bewapend met een hogedrukspuit maken, in opdracht, de betonnen rand van de borstwering schoon, het wekt geen argwaan, alleen weerzin de ramen opnieuw schoon te moeten maken,

de ver strekkende grasvelden zijn leeg, geen kokmeeuwen, geen kauwen, wit en zwart kleuren om rekening mee te houden, net als het grijs dat er boven hangt, het verhult het grenzeloze er achter, de reuring omdat de bron van goud is gevonden, extase, veel verder ben je niet gekomen,

de zes platanen, vol blad, staan in het veld, je telt ze elke ochtend, als je naar rechts beweegt komt de zevende vanachter de raamlijst vandaan en wordt je aandacht getrokken naar het oranje zwaailicht aan de overkant van de oude binnenhaven, waarschuwingslicht dat in de ramen van het rechthoekige flatgebouw weerkaatst, kleine figuurtjes glijden er van oost naar west,

over het klinkerpad gaat een jonge vrouw op een gele fiets richting het plein, een tweede zet haar fiets in het rek naast het gebouw aan de overkant, ze draagt een rugtas en een dikke zwarte jas, zwart is een kleur, daadkrachtig gaat ze het gebouw binnen,

iemand anders, die van het glooiende pad, richting het klinkerpad, aankwam, besluit halverwege het glooiende pad de flauwe bocht achter de vuilnisbak af te snijden, staand op de trappers zet ze extra vaart om het gras te ontvluchten,

je ziet dat er toch kokmeeuwen neerstrijken in een van de ver strekkende velden, een handvol, 12 stuks tel je twijfelachtig, een enkele vliegt op om bij een ander neer te strijken, de zevende bij de achtste,

over de kade aan de overkant glijden kleine figuurtjes van oost naar west,

van boven klinkt een signaal, de was is klaar,

nu ga je traag, zonder het nemen van een heldere beslissing, de zwarte schoenen aantrekken, de grijze wollen jas kiezen, het gedicht The Glass Essay in een kleine zwarte tas stoppen, om naar het station te lopen,

je gaat lopen om de kwetsuur aan de rug te verhelpen, je weet nu al dat je in de andere stad, aan tafel, de handen in de schoot legt, niet of er een zucht ontsnapt,