Poëzie Kort 2018 / 2


© Levity Peters

Johan Andreas Dèr Mouw (Adwaita), Mijn taalorkest. Een ruime keuze uit ‘Brahman’. Samenstelling Jan Kuijper

Mijn taalorkest heet de nieuwe bloemlezing uit Brahman van Johan Andreas dèr Mouw (1863 – 1919). Hij is aangevuld met een sonnettenreeks nagelaten werk. Victor van Vriesland en Gerrit Komrij gingen de samensteller Jan Kuijper voor, maar overbodig is de bundel niet: Dèr Mouw dreigt van tijd tot tijd in de vergetelheid weg te zakken en dat verdient hij niet, integendeel: hij was een van onze grootste dichters. Voor degenen die zich vervolgens nader willen verdiepen in zijn poëzie: in 1986 verscheen een wetenschappelijke uitgave: Volledig dichtwerk, ed. H. van den Bergh, A.M. Cram-Malgré en M.F. Fresco.

Om zijn poëzie te kunnen waarderen, moet je iets van Dèr Mouws denkwereld weten. Het onderstaande baseer ik losjes op de onlangs verschenen biografie van Lucien Custers, Alleen in wervelende wereld. (Een bespreking volgt nog).
Dèr Mouw was classicus, filosoof en wiskundige. Als filosoof hield hij zich bezig met kennistheorie, met als belangrijke vraag in hoeverre de wereld kenbaar is voor een individu. Sinds Kant was de verhouding tussen het ‘subject’ (degene die kent) en het ‘object’ (het gekende ) problematisch. Onze hersenen leggen door hun werking een raster over de werkelijkheid, waardoor de ervaring van de werkelijkheid nooit volledig en objectief kan zijn. De ‘idealisten’ stelden dat de werkelijkheid slechts ons idee van de werkelijkheid is, een voorstelling die zich afspeelt in ons hoofd. De uiterste consequentie is, dat alleen het subject, het ‘ik’ reëel is, een voor Dèr Mouw ondraaglijk eenzaam idee: alle andere ‘ikken’ zijn dan immers slechts een onderdeel van je verbeelding. Deze filosofie heeft echter raakvlakken met de Indische wijsbegeerte, het Brahmanisme, en die gaat verder. Ook daarin wordt gesteld dat de wereld die wij ervaren een illusie is, een schijnbare splitsing van een eenheid in veelheden, ikken, tegenstellingen, maar op zeldzame momenten ervaar je dat alles een is in Brahman, de ‘Wereldziel’, iets wat hij ervoer als een bevrijding.  Als dichter – hij begon pas in de laatste zeven jaar van zijn leven serieus met poëzie! – nam hij niet voor niets het pseudoniem Adwaita (de tweeheidsloze)  aan.
Poëzie roept die Brahman-ervaringen soms op, ook voor de lezer. De laatste strofe van ‘Aquarium’: ‘en wie het leest, voelt, voor één ogenblik / verplaatst buiten de grenzen van zijn Ik, / trillen ’t mysterie van zijn eeuwigheid.’
Het sonnet (zijn meest gebruikte  versvorm) is bij uitstek geschikt om die eenheid te tonen, juist omdat de wending tussen octaaf en sextet vaak uit een tegenstelling bestaat. Aan de dichter de taak om te laten zien dat deze schijn is.

Zijn denkwereld maakt Dèr Mouw natuurlijk niet tot een goed dichter, daar is meer voor nodig. ‘Beperking moet vernuft en vinding wetten; / Tot heerschen is, wie zich beheerscht bij machte’, schreef Jaques Perk als reden zich vrijwillig te onderwerpen aan strenge vormregels. Het zou een lijfspreuk van Dèr Mouw geweest kunnen zijn. Jan Kuijper noemde de bundel niet voor niets Mijn taalorkest, Dèr Mouws typering van zijn eigen poëzie. In zijn nawoord geeft Kuijper een kort, helder overzicht van het gebruik van metrum vanaf de zestiende eeuw en de manier waarop Dèr Mouw daarmee omging. Hij was een meester in de spanning tussen metriek en ritme, bijvoorbeeld door het gebruik van anti-metrieën die de inhoud ondersteunen: ‘IJl ligt de wilgenschaduw op de wei / het slootje-in plonst, lichtgroene boog, een kikker’.

Om misverstanden te voorkomen: Dèr Mouw was geen zweverig dichter. Hij kon zeer aards zijn, voor zijn tijd soms seksueel expliciet, hij paarde humor aan diepe ernst, hij kon extatisch schrijven en ook zeer nuchter. Het is niet verwonderlijk dat de latere mannen van Forum hem waardeerden.

***
Johan Andreas Dèr Mouw (Adwaita) (2018). Mijn taalorkest. Een ruime keuze uit ‘Brahman’. Samenstelling Jan Kuijper. Uitgeverij Vantilt, 183 blz. € 19,95

 

Meleagros, Bitterzoete liefde. Griekse epigrammen. Vertaald, ingeleid en verklaard door Paul Claes

Wie Catullus waardeert, zal ook van de Griekse liefdesdichter Meleagros houden. De esthetisch-decadent Oscar Wilde bewonderde hem; datzelfde gold voor Couperus en ongetwijfeld ook voor de jonge Jacob Israël de Haan. Wat hen aantrok was de hartstochtelijke liefde van het lyrisch ik, niet alleen voor vrouwen, maar vooral die voor opgroeiende jongens – de bekende Griekse liefde.
Paul Claes vertaalde de epigrammen van de in Syrië geboren dichter, die leefde van 135 tot ongeveer 70 v. Chr.  en voorzag ze van een inleiding en toelichting. Bitterzoete liefde heet de bundel en die titel is goedgekozen:

Bitterzoet

Hij is een lieve jongen. Zelfs zijn naam klinkt zalig:
Myiskos. Waarom zou hij niet mijn liefste zijn?
Hij is heel mooi, ja hemels mooi. Soms is hij lastig,
maar dan verzoet mijn liefde wel de bittere pijn.

De toelichting van Claes: ‘De verkleinnaam Myiskos (zie 18)  betekent ‘muisje’ of ‘vliegje’ (zie 23). De paradox van de bitterzoete liefde is een leidmotief (zie 47)’. Reve had dit gedicht kunnen schrijven, net als het gedicht ‘Liefdesdroom’, waarvan de eerste regels luiden: ‘Een heerlijk droombeeld van een glimlachende jongen / van achttien jaar oud die zijn reismantel nog droeg’. Het blijft bij die droom, uiteraard zou ik zeggen.

Epigrammen waren oorspronkelijk korte gedichten op een gedenkteken, graf, beeld of gebruiksvoorwerp, maar, schrijft Claes, vanaf ‘de vierde eeuw v. Chr. dienden epigrammen als entertainment bij feesten en drinkpartijen. Het speelse genre werd in de hellenistische periode bijzonder populair. De beknopte vorm bood ruimte voor uiteenlopende thema’s: epigrammen waren beurtelings graf- of treurdichten, liefdesverzen, wij- of votiefgedichten, beschrijvingen en spotverzen.’
Bij Meleagros ging het om momentopnames in de liefde: ‘verrassing, verleiding, bewondering, extase, hunkering, verbeelding, ontgoocheling en weemoed.’ Het lyrisch ik moet niet gelijk gesteld worden met de dichter. In de antieke cultuur was dat niet gebruikelijk: literatuur en leven werden strikt gescheiden.

Veel gedichten zijn opvallend humoristisch. Verrassend is de gelijkenis van ‘De beker’ met ‘Aan Betsy’ van Piet Paaltjens:

De beker

De beker lacht verrukt nu het praatzieke mondje
van mijn liefdesvriendin Zenofila hem vond.
Ach, mocht zij ook haar lippen op mijn lippen drukken
om in één teug mijn ziel te zuigen uit mijn mond.

Een aanwinst, deze vertaling.

***
Meleagros (2018). Bitterzoete liefde. Griekse epigrammen. Vertaald, ingeleid en verklaard door Paul Claes. Atheneum – Polak & Van Gennep. 183 blz. € 12,50

 

Paul Claes, Gouden vertaalregels. Tips voor beginnende [en andere] vertalers

Na jarenlange ervaring als autodidact vertaler heeft Paul Claes een aantal vertaalregels opgesteld die hij goed kon gebruiken als eveneens autodidact docent, omdat bepaalde fouten systematisch terugkeren.  Hij constateerde dat beginnende vertalers vaak ongewild een tussentaal hanteren: het vertaals. Aan de ene kant moet je zo precies mogelijk vertalen wat er staat, maar aan de andere kant moeten er vaak zinnen ingrijpend worden veranderd om ze natuurlijk te laten klinken. Dat betekent niet dat je vrij moet vertalen, maar juist. Dat doet me denken aan een opmerking van mijn leraar Frans die ik nooit vergeten ben: ‘Vertalen is meer een kwestie van Nederlands dan Frans’. Strikte regels zijn het overigens niet. Als je goede redenen hebt om er vanaf te wijken, moet je dat vooral doen.

Claes gaat in op de regels voor het vertalen uit het Frans, Engels en Latijn en geeft een aantal tips voor het vertalen van gebonden verzen; zijn collega’s Frans Denissen en Adam Heylen namen het Italiaans voor hun rekening. Duits ontbreekt: voor die taal kon hij niemand vinden die de tijd had om mee te werken.
De hoofdstukken hebben een eenvoudige, effectieve opbouw: basisverschillen (abstracte formulering, personificatie en aanhechting bijvoorbeeld) en specifieke verschillen, zoals lidwoord, adjectief en substantief.  De auteurs geven zeer veel voorbeelden, wat het tot een ideaal handboekje maakt.

Vermakelijk zijn soms de ‘valse vrienden’: ‘woorden die qua vorm op Nederlandse woorden lijken, maar toch een andere betekenis hebben.’ Ze worden vaak klakkeloos overgenomen. Zo betekent ‘aussi’ aan het begin van de zin ‘daarom, dan ook’, een bonbon is een snoepje en een ‘candidature’ vrijwel altijd een sollicitatie. In het Engels (18 pagina’s valse vrienden!) is de juiste vertaling van ‘actual’ eigenlijk, feitelijk, echt of onderhavig. Leuk is het Italiaanse ‘casino’: als je daarnaar vraagt, denkt men dat je naar een bordeel wilt. Het kan overigens ook rotzooi of lawaai betekenen.

Boeiend is ook het laatste hoofdstuk, de ‘Wenken voor het  vertalen van gebonden verzen’. In de toelichting ‘Tekst en vertaling’ van Bitterzoete liefde zien we hoe Claes te werk gaat: ‘De epigrammen bestaan uit elegische disticha, combinaties van hexameters en pentameters. Nederlandse versies laten zich lastig in die maat dwingen. In plaats daarvan kies ik dan ook voor afwisselend vrouwelijke en mannelijke alexandrijnen. In kortere gedichten voeg ik vaak rijm toe om het epigramkarakter te versterken.’ De reden geeft hij in Gouden vertaalregels: het overnemen van de oorspronkelijke versificatie kan leiden tot ongelukkige constructies in de doeltaal. Als je vormvast wilt blijven – dat hoeft niet per se, Frans van Dooren heeft de Divina Commedia met goede argumenten in proza vertaald – zul je daarom zo creatief moeten zijn, dat je zowel de vorm als de eenheid recht doet.

Ook dit boekje is een aanwinst.

***
Paul Claes (2018). Gouden vertaalregels. Tips voor beginnende [en andere] vertalers. Uitgeverij Vantilt, 190 blz. € 19,50