Recensie van Vloeken is gezond - J.C. Aachenende

Eerbetoon aan een fenomeen

J.C. Aachenende
Vloeken is gezond
Uitgever: Eijlders Dichters
2017
ISBN 9789070187156
€ 10
58 blz.

‘Vloeken is gezond’, spat in het vleermuisachtige handschrift van de dichter in ongepolijste letters van de omslag. Verder treft men er niets op aan, ook niet op de achterzijde of op de rug van het boekwerkje. Verwijdert men deze losse omslag dan komt het interieur van het Amsterdamse poëzieminnende Café Eijlders in beeld met daarin tussen andere dienaars van het woord de dichter J.C. Aachenende, de éminence grise van het etablissement.
Niet alleen die titel is overigens tegengif voor de reclame van De Bond tegen vloeken; ook in meerdere gedichten wordt er lustig op los  gefulmineerd en gespot.

Aan de doden

Doden, schaam je niet!
Word nooit weer wakker, alsjeblieft!
Slaap door, blijf waar je bent.

De wereld die je hebt gekend
is alleen ruis nog en vertrapt
en door je kinderen afgeschaft;
die, in een luie stoel gezeten
op der lui domme, bolle reten
-vier pilsjes binnen handbereik 
 en wat kroketten om te vreten-
staren naar ’t schaamt’loos feestgedruis
op het volhoerig raambordeel
van NOS, En-Pee-O-twee: de buis

Deze directe en ongezouten manier van uitdrukken is niet de enige kwaliteit van  Aachenende. Hij onderscheidt zich met name door zijn uitzonderlijk meesterschap over de vorm; geen syllabe te veel of te weinig en alle woorden feilloos op de juiste plaats. En ook de ritmiek, wezenskenmerk van voordrachtspoëzie (de verzen van Aachenende lenen zich bij uitstek voor het podium) is perfect. Ter adstructie een klein gedicht uit een eerdere bundel, waarin dit duidelijk wordt:

Momentopname

Ongeschoren
ongewassen,
maar niet ontevreden
zit de boekhandelaar
in zijn winkel
te ontbijten:
zijn vrouw,
een feministische slons,
is er vandoor

Hier valt niets aan toe te voegen, maar haalt men een woord weg – ‘feministische’ bij voorbeeld – dan verliest het gedicht haar kracht.
Wie het werk van Aachenende leest of hem hoort voorlezen voelt dat de dichter met alle klassieke vormen vanaf de Middeleeuwen (en nog van daarvoor) vergroeid is. Hij kent de ballade, het rondeel en het sonnet als zijn broekzak en kan daardoor op lichtvoetige wijze met deze vormen spelen; in de bundel staan titels als ‘Geen rondeel’, ‘Bijna rondeel’ en ‘Rondeel’.
Maar in tegenstelling tot zijn liefde voor de oude vaste vorm gebruikt hij geen archaïsche woorden, zijn taalgebruik is zeer eigentijds en de hedendaagse schuttingtaal is hem niet vreemd. (Zie hierboven het eerst geciteerde gedicht).
Mij doet zijn poëzie dikwijls denken aan die van François Villon, de Franse vagebond en dichter uit de late Middeleeuwen. Vergelijk bij voorbeeld diens grafschrift ‘Kwatrijn’ in de vertaling van Ernst van Altena met ‘Grote God’ van Aachenende. ‘Kwatrijn’: ‘Ik ben François, wiens naam zo bont is. / Parijs dat mijn geboortegrond is, / hangt mij straks aan een touw dat rond is, / zo leert mijn kop hoe zwaar mijn kont is.’ En ‘Grote God’: ‘Alles is weg, bijna voorbij: / de lange dagen, korte nachten, / de dingen die er op mij wachten, / de toekomst, mensen aan je zij. / Alléén jij, Grote God, bij machte / tot alles, bent nu zeer nabij.’
Opvallend in de bundel zijn enkele gedichten in het Frans, Engels en Duits. Wat de reden daarvan is, weet ik niet. Mij doet het wat rommelig aan. De dichter is een polyglot, dat maakt het wel duidelijk en dit is niet verwonderlijk; hij werd geboren in Maastricht, kruispunt van culturen en talen, en bracht zijn jongelingsjaren door in Parijs, de stad die hij nog regelmatig inruilt voor Amsterdam.
In het boekwerkje staan meer dan in eerdere publicaties openhartige gedichten over het ouder worden en de dood; ik vind ze raak en verreweg de sterkste.

Vlucht

Naar het verleden wil ik vluchten.
Wat eens ideeën waren: zuchten
zijn het nog maar, of klachten
en geruchten.

Ach, het verleden kan niet praten:
het is een stille makker
achter de deur, maar nooit verlaten.

Als geheel is deze bundel overigens niet de beste tot nu toe, daarvoor is hij te wisselvallig van niveau. De knapste verzen van deze fijnbesnaarde, op papier soms grofgebekte dichter treft men aan in Tweeënveertig gedichten vol vuur en vaart, een selectie uit eerder werk.

Tot slot: alle bundels van Aachenende (1932), ook de  Franstalige En vers et contre tous, zijn telefonisch te bestellen bij Editions Saint Jacques, tel. 06-33650322. Vloeken is gezond is ook te verkrijgen via de uitgever ervan.

Recensie van Met weemoed - J.C. Aachenende

Vreemde intuïties, hersenschudsels

Met weemoed is alweer de vierde in eigen beheer uitgegeven bundel van J.C. Aachenende, die eerder de bundels Tegengif (2003), Het leven is gezelligheid (2005) en Vreten op aarde (2008) publiceerde.
J.C. Aachenende (pseudoniem van Van der Sluis, Maastricht 1932) was werkzaam als dermatoloog en docent aan de UVA. Of de poëzie voor hem een late roeping was, weet ik niet, maar in ieder geval debuteerde hij pas na zijn zeventigste en hij koos toen voor een nomme de plume met voorletters die hem tot een geroepene maakte. Hopelijk uit ironie.

Aachenende geeft zijn bundels niet als een goedkoop broddelwerkje uit, biedt evenmin printing on demandkwaliteit (hoewel die de laatste jaren steeds beter geworden is), maar levert ze in een dermate fraaie, degelijke uitvoering, dat sommige gevestigde uitgeverijen er een voorbeeld aan zouden kunnen nemen.
Als boekje is Met weemoed zijn geld dus meer dan waard. Of dat voor de inhoud ook geldt? De twee motto’s die de bundel meekrijgt, doen voor het niveau veel verwachten. Het eerste komt, helaas in de lelijke nieuwe Bijbelvertaling, uit Prediker: ‘Alle woorden zijn vermoeid, zozeer dat je ze niet meer kan gebruiken.’ Het tweede is van Hans Faverey: ‘De opdracht aan de poëzie/ is zelfbewustzijn, trots/ en waardigheid/ aan de taal terug te geven’. Maar als de bundel dan hiermee opent, is het schrikken:

Hommage

Koenegracht’s gedichten zijn mooi,
en een remedie
tegen het progressief-artistiek gelul.

De schrik zit hem natuurlijk niet in de appreciatie van Koenegracht, die niet genoeg geprezen kan worden, maar in het bange vermoeden dat Aachenende met dat harde, minachtende ‘progressief-artistiek gelul’ Faverey en alles waar hij voor stond wegzet. Direct op de volgende bladzijde staat dan dit:

Tussen kut en kids

Ik, vuller van je kut,
van je schouders de streler,
de kusser van je mond
van je tieten de heler
en van je hart de dief;
de bevruchter en teler
van het wicht op je schoot;
weet me toch heel gering
tegen leegte en dood,
de mindere van het wijf
al is dan mijn piel
soms de baas in je lijf
en de zalf van je ziel.

Tja, alles mag in poëzie, en veel dichters (Claus bijvoorbeeld) hebben vrijmoedig schuttingwoorden gebruikt, maar het lijkt toch alsof Aachenende hier, omdat het in volstrekte tegenspraak is met het verwachtingspatroon dat bij zijn leeftijd hoort, vooral uitdaagt en provoceert. Het is het kennelijke statement van iemand die niet meer van plan is zich nog iets aan te trekken van een burgerlijke fatsoensmoraal en onbeschaamd gebruik maakt van de vrijheid en onafhankelijkheid die de ouderdom biedt. Dat is prima, maar in een poëziebundel moet dat dan door de kwaliteit van de gedichten ondersteund worden en in dit eerste gedichtje gaat het met dat belachelijke ‘piel’ dat dan ook nog ‘Zalf van je ziel’ zou zijn, grondig mis.
Gelukkig volgt meteen enigszins een revanche. In ‘Ziel’ dicht hij z’n ziel ‘Vreemde intuïties, hersenschudsels’ toe en hij evalueert:

Geen rust heb ik, geen pauze en geen vrede
ik ben op jacht, maar meer nog wòrd gejaagd:
ik ben de prooi van esthetiek en rede,
God’s speeltje, maar door Belzebub belaagd.

Met weemoed telt 61 gedichten, verdeeld over drie afdelingen. De eerste heet ‘Hommage, imprecatie en elegie’ (een imprecatie is een verwensing of vervloeking), de tweede ‘Alleen, maar eenzaam niet’ en in de derde afdeling staan gedichten in het Engels (verreweg de meeste), Frans en Duits.

De gedichten zijn zeer ongelijk van kwaliteit. Al te vaak zijn ze geforceerd, onbeholpen, slap, of flauw en dat soms allemaal tegelijk. Daar staan dan weer veel goedlopende teksten tegenover: grappig, spits, venijnig, maar ook gevoelig en een enkele keer zelfs bepaald wijsgerig. Aachenende maakt de indruk aan die verschillen geen boodschap aan te hebben, hij neemt het zoals het komt:

Oude man

Het maal was goed
en dankbaar is de gast.
Hij heeft geleefd
en hartig toegetast.
Hij proeft van dit
nog iets, en ook van dat;
en tussen scheren, bed en bad,
dicht hij zo nu en dan nog wat.

Een van de sterkste gedichten vond ik ’21 november’, dat in de titel verwijst naar de grootste vredesdemonstratie die ooit op Nederlandse bodem gehouden werd, 21 november 1981. Ook wie er niet bij was, of er geen herinnering aan heeft, kan haar nog altijd meebeleven via De aanslag van Harry Mulisch, of het gedicht ’21 november 1981′ van Jan Eijkelboom uit diens bundel De gouden man (1982).

21 november

De Vrede is een hond
die keft en gromt
en bijt, en laat z’n tanden zien.
Hij blaft en kwijlt
z’n valse taal: de vredeszwendel.

De Vrede ijlt z’n roep vooruit,
hij scheurt het vlees
van ‘t bot: z’n vreten.
Hij kraakt het been. Hij knaagt,
een bloedhond die in meutes jaagt.

Sla hem de tanden uit z’n mond.
De Vrede is een valse hond.

De kwaadheid is hier functioneel en in alle felheid overschreeuwt hij zich niet. Je kunt alleen vraagtekens zetten bij de grammaticaliteit van regel drie.
Al met al was het met de dichter J.C. Aachenende niet onplezierig kennismaken. Als hij een halve eeuw jonger was geweest, had hij kunnen uitgroeien tot de Johan Cruijff van de poëzie. Die andere J.C. zou iets te hoog gegrepen zijn. Hij weet het zelf, getuige de slotregels van de tweede afdeling: ‘Ja de tijd in het licht is maar wind en gerucht/ alleen hijgen en zweet, in de dag op de vlucht.’

***
Met weemoed is te koop in Perdu en bij de dichter zelf, P.C. Hooftstraat 144-I , 1071 CG Amsterdam, tel. 06-33650322. Aachenende doet niet aan internet en is derhalve niet per e-mail te bereiken.