Recensie van Als niets - Arjen van der Linden

Poëzienovelle in alcoholische nevelen : ‘Bier blijft binden’

Arjen van der Linden
Als niets
Uitgever: Kontrast
2016
ISBN 9789490834920
€ 15
109 blz.

Een novelle is een literair verhaal, dat minder uitgewerkt is dan een roman. De karakterontwikkeling is minder duidelijk, het is vaak meer een vertelling. Voorwaarde is wel dat het verzorgde taal moet blijven. Dit toepassend op een poëzienovelle zou men kunnen zeggen dat deze minder uitgewerkt is dan een poëtisch epos. Voorwaarde is wel dat het poëzie moet blijven. De eerste oppervlakkige lezing van Als niets van de voormalige Amersfoortse stadsdichter Arjen van der Linden (1956), aangekondigd als een ‘poëzienovelle’ stemde me niet hoopvol. Ik had soms wat moeite met het taalgebruik: ‘Trots als een hond/ Met minstens 7 lullen..’(p.13) of een woord dat me aan mijn goede geboorteplaats deed denken: ‘Typhushoer?’ (p.98). Hoewel ik een groot bewonderaar van Marnix Rueb en zijn creatie ‘Haagse Harrie’ ben, zou ik zijn taal in serieuze poëzie minder snel gebruiken. Ik speelde ook wat met strofes. Wordt de zin: ‘De auto die ik aan mijn buurman gaf is al platgereden, dus de taxicentrale staat als nummer 1 in mijn mobiele geheugen geschreven’ tot poëzie als je hem als volgt noteert?

De auto
Die ik aan mijn buurman gaf
Is al platgereden
Dus de taxicentrale Staat als nummer 1 In mijn mobiele geheugen
Geschreven.

Het geheel leek mij dus weinig toe te voegen aan de Nederlandse literatuur. Dit gezegd zijnde, keek ik in de spiegel en vond van mezelf dat ik wel erg snel en te gemakkelijk oordeelde. Ik herinnerde me opeens de afgang van Bertus Aafjes toen hij poëzie van de Vijftigers beoordeelde als ‘poëzie van het schuifgat’ (Elseviers weekblad). In dat artikel vertelt hij dat een opstandig jongetje uit de klas achter een schuifgat (=in de kast) wordt gezet. Als hij van ellende brult doet de meester de kast open en het jongetje staat bloot. Aafjes ( ‘lieve kinderen, bid maar braafjes voor Piet Worm en Bertus Aafjes’) zag de Vijftigers dus als opstandige kinderen in een brave klas die poëzie schreven die bloot was. Het was het einde van poëziecriticus Bertus Aafjes, vooral omdat de obsessieve en angelieke rijmer (‘lieve kinderen….’) over de dichter Lucebert, die hij niet herkende als de dichter wiens nieuwe taal voortkwam uit de wens de taal te zuiveren van die van de collaboratie en die vond dat schoonheid na Auschwitz niet meer kon bestaan, een sneer meegaf. Hij schreef: ‘Lees ik Luceberts poëzie dan heb ik het gevoel dat de SS de poëzie is binnengemarcheerd’. Hij herkende evenmin het terugvallen op de kindertaal, zoals Jan Hanlo deed , noch de taal van het licht en de illusie van Andreus of het pogen van Kouwenaar die het alomvattende, magische woord zocht en zijn zoektocht eindigde in een kamer die wit gemaakt moest worden. Ik vroeg mij af of ik niet dezelfde fout maakte als Aafjes en of ik te oud of te bevooroordeeld was een nieuw genre en nieuwe ontwikkelingen te herkennen. Ik heb dus het werk herlezen. Of deze bundel een echt nieuw genre oplevert, weet ik niet; ik herken wel iets van deze tijd: snelle poëzie die ‘performed’ wordt, snelle reacties, weinig uitgewerkt, soms fel reagerend op de actualiteit, meer aandacht voor emoties dan voor de vorm, een op ‘entertainment’ gerichte muziek- en tekstindustrie die singer/songwriters oplevert en emotionele bakfietsdichters en –dichteressen. Ik denk aan de vaak fascinerende rappers als Alie B. en Typhoon, wier teksten ik schitterend vind. Ik denk, mirabile dictu, ook nog aan ene Nico Dijkshoorn die in DWDD (komt ook in deze novelle voor: op p.55) elke week een ‘gedicht’ staande de uitzending produceert dat ook vaak vol zit met grappen, grollen en flauwekul. Ik prefereer overigens Haagse Harrie. En na nog een paar keer goed gelezen te hebben ook deze poëzienovelle, die een beeld geeft van een wereld waarin het drank – en seks gerelateerde plezier centraal staat: een popconcert afgewisseld met avonturen van de drummende hoofdpersoon.

Ook deze in de wereld van rock en roll gesitueerde poëzienovelle kent actualiteit en grappen. Zo heet de band die een van de kameraden van hoofdpersoon opricht ‘Fred en de Teeven’( hij zit met die voormalige staatssecretaris in DWDD). Een concert begint:

Het openingsnummer
Is een ode Aan een dode
Herman Bad en Brood……

Zo hoort het
Boerensoul met
Boerenkool

Daarvoor vraagt men zich af of men in het Engels of Nederlands zal zingen: het is te leuk om niet te citeren:

Hoe cares
Fout steenkolenengels
Voor de slappe lach
Zoals van Gaal
In kronkeltaal

Het verhaal is een aaneenschakeling van drank, vrouwen en desillusies. Een ik- figuur, een drummer, verkoopt zijn huis en valt daarna terug op zijn vrienden. Hun feesten en concerten worden afgewisseld met persoonlijke belevenissen van de drummer, die ook schilder is, wat een nieuwe bron van verhalen oplevert. Zo heeft hij een opdracht van tandarts Kroon(!), en krijgt mede daardoor moeilijkheden met diens vrouw die hij portretteert. Zij bekeert zich tot schilderen. Een opdracht van de gemeente Arnhem gaat een beetje de mist in: het schilderij moet reeds gerestaureerd worden als het uit het papier wordt gehaald. Een redelijk serieuze geliefde, Luna (ze loenst een beetje), verwaarloost hij en ze kiest voor de manager van de band. Hij blijft alleen achter, met drank en gedachten.

Wat mij aangenaam verraste waren de gedichten die in het verhaal voorkomen, ze becommentariëren de tekst en geven echte poëtische verdieping. Ze zijn anders afgedrukt en soms buitengewoon poëtisch en vormvast , zoals het sonnet op p. 51 met de mysterieuze titel ‘IS WAS’. Of het echt mooie gedicht op blz. 68 ‘Voor Ingrid’ . Het geeft een heel ander beeld van het dubbeltalent van deze Amersfoortse dichter/schilder: ik vind dat gedicht lyrische liefdespoëzie en dat vergoedt veel. Ik weet niet wie Ingrid is.

VOOR INGRID

Je keek me niet aan
Wendde je af
Zocht de brug
Die wegdreef

Terwijl de zomer
Opvroor
En de beuk
Verdorde

De haag verdichtte
En de zon
Voor eeuwig
Afscheid nam

Wist jij ineens
Geen woord meer
Warm
Te houden

Of hard
Te maken

Toch
Tot ik lachte
En jij wat later

Schaterde

Nadat zijn laatste meer serieuze liefde, Luna, met de manager verdwenen is, staat hij alleen, gaat terug naar zijn hotel, voelt zich eenzaam en gooit zijn mobiel weg in de vuilcontainer: het is een bijna navrant beeld.

Mijn mobiel
Zoemt en zeurt
Nog Minuten lang
In de kliko

Naast de kerk
Die langzaam
Volstroomt

Met bezwaren die ik heb tegen sommige woordkeuzes, het vervangen van woorden door cijfers en tegen een vrij willekeurige regelindeling, herken ik in dit werkje een poging een dichterlijk verhaal te schrijven, gesitueerd in de wereld van het pop- en echt en would-be kunstmilieu. Het is zeker maatschappelijk bewogen en er staan prachtige regels in, met name in de gedichten die een echt poëtisch commentaar geven, naast willekeurige soms zelfs semi-poëtische regels.

***

Arjen van der Linden is schilder en schrijft poëzie. Zijn eerste bundel gaf zijn beide talenten weer: in Als was (2010) zijn naast zijn gedichten zijn schilderijen opgenomen. Ook zijn tweede bundel Voor jou en jij (2013) was geïllustreerd, nu met foto’s van Nico Brons. De hier besproken bundel is zijn derde. Hij was stadsdichter van Amersfoort tussen 2010 en 2012, wat in zijn derde bundel qua couleur locale goed te bemerken is.