Recensie van Dwalmgasten - Mischa Andriessen

Een richting, geen route

Mischa Andriessen
Dwalmgasten
Uitgever: De Bezige Bij
2016
ISBN 9789023499350
€ 17,99
80 blz.

Dwalmgasten heet de derde bundel van Mischa Andriessen. ‘Dwaalgasten’. Het motto van de eerste van de vier afdelingen komt uit de Metamorphosen van Ovidius: ‘Heet het dwaling als een man verdwaalt?’ Andriessen zet hiermee direct de toon. Je kunt op deze vraag ‘ja’ antwoorden, maar ‘nee’ is waarschijnlijker: is het niet ons aller lot dwalmgasten te zijn? Ondubbelzinnige antwoorden krijg je van Andriessen niet en mede daardoor blijft de bundel je bezighouden.

Het eerste gedicht heet ‘Net’. Het gaat over een vader en zoon die een spel met elkaar spelen. De zoon is op een kast geklommen en vader nodigt hem uit te springen. Hij zal hem vangen: ‘Vertrouw me maar.’ Het gaat goed en de zoon klimt opnieuw op de kast. Dit keer vangt vader hem niet en de jongen valt hard op de grond.
Dit gedicht herinnerde me direct aan een interview met Klaas Bruinsma, de begin jaren negentig geliquideerde drugsbaron die criminelen als Holleeder in wreedheid overtrof. Zijn vader was directeur/eigenaar van de grote, inmiddels niet meer bestaande limonadefabriek ‘Raak’. Vader hield er opmerkelijke pedagogische methoden op na en het spel met die kast was daar een van. De les die zijn zoon moest leren: vertrouw niemand, nooit, ook geen directe familie. Bij Andriessens gedicht kom je de les niet te weten. De laatste twee regels luiden: ‘Je ving me niet, schreeuwt de zoon. / Waarom? Ja, zegt de vader: Waarom?’ De lezer mag zelf een antwoord formuleren en dat kan van persoon tot persoon verschillen.
Toen ik de bundel in zijn geheel had gelezen en opnieuw begon, associeerde ik de vader met de dichter en de zoon met de lezer. Net als in zijn vorige bundels, schrijft Andriessen opmerkelijk helder en zijn gedichten zijn ook dit keer anekdotisch of verhalend. Dat lijkt houvast te geven: je denkt als lezer veilig te kunnen springen. Maar in tweede instantie krijg je geen vat op de gedichten, sluitende interpretaties zijn niet mogelijk, daar zorgt Andriessen wel voor. Op een ‘Waarom?’ krijg je geen antwoord. In die zin kun je ‘Net’ als programmatisch opvatten. ‘Net’ is ironisch, aan vangnetten doet Andriessen niet.

Familie speelt een belangrijke rol in de bundel. Liefdevol zijn de eerste vijf regels van ‘De zoon 2’: ‘Hij viel ons toe, vaak / stonden we bij zijn bed, dronken / het wonder in, thuis / zou het nooit meer leeg zijn / zelfs als er niemand was.’ Maar vaker is er sprake van dreiging. Tegen de buitenwereld – uitgebeeld door gasten van verschillende pluimage – is niemand bestand en een veilige thuishaven is er, in de lijn van Uitzien met D en Huisverraad, nauwelijks meer: in verschillende gedichten is er sprake van een gewelddadige inval of inbraak. Zelfs de gast in jezelf kan je opbreken en in ‘Ganymedes’ illustreert Andriessen dat op amusante wijze. In de mythe wordt Jupiter verliefd op de Trojaanse prins Ganymedes. Hij wil hem daarom als nectarschenker in de hemel, verandert zich in een adelaar en ontvoert de mooie Trojaan ‘die nu nog steeds de beker vult / en ondanks Juno’s afgunst de nectar aanreikt.’ (Metamorphosen, X, 155-161, vertaling M. d’Hane – Scheltema). In het gedicht voegt Andriessen iets toe: Jupiter doet de schoonheid van de jongen teniet om kapers op de kust voor te zijn, hij wil hem geheel voor zichzelf houden: ‘Het idee dat jij ons allen van wijn zou voorzien / ongeacht wie, minzaam het glas bijschonk. / Dat idee werd mij ondragelijk, nu hang je / in mijn klauwen, spartelt, huilt, zeikt / een eind van je af, ik heb je / onherkenbaar gemaakt, niemand / die je niet eerder zag, zou beamen / dat je de mooiste bent op aarde ( … )’. Tragisch: Jupiter moet het voortaan alleen nog doen met de herinnering aan Ganymedes’ schoonheid en ook over diens lot laten de geciteerde regels niets aan duidelijkheid te wensen over. (Let ook op die mooie, betekenis toevoegende enjambementen ‘nu hang je’, ‘zeikt’ en ‘ik heb je’).

Indrukwekkend zijn de vader-zoon-gedichten die verspreid staan over de bundel. Banden zijn niet los te maken, ook al zou een van hen dat willen. Vader en zoon zitten aan elkaar vast, in het gedicht ‘Kade (Donau)’ zelfs letterlijk. Ze zijn (mogelijk bij de Hongaarse opstand in 1956) aangehouden en ruggelings vastgebonden: ‘Aan de oever van de Donau kijken ze nu / van elkaar weg’. Je kunt dit ook metaforisch lezen.
Ook de dood snijdt de banden niet door. (Zo zou je het volgende gedicht althans kunnen lezen – de titel bracht bij daarop). Vader blijft aanwezig, hoezeer je ook probeert hem terug te brengen tot een niet meer dan ongevaarlijke herinnering.

PORTAAL

Vader stond buiten voor de deur.
De zoon stuurde hem weg, wachtte
lange dagen tot hij terugkwam
verjaagde hem telkens opnieuw
maar keek bij elke terugkeer langer
prentte zijn trekken in als zocht hij
ten slotte iets om zich te kunnen herinneren.
Toen vader toch weer op het tuinpad stond
schoot hij onmiddellijk zijn jas aan, ging
naar buiten, trok de deur achter zich dicht.
Ze liepen samen op, kenden de richting.

Extra schrijnend wordt het als je in de verantwoording leest dat Andriessen dit gedicht ter nagedachtenis van Wim Brands heeft geschreven. Hij had een moeizame relatie met zijn vader, wat een grote impact had op zijn leven. Loopt hij in de laatste regel met zijn vader mee naar het portaal van de dood?

Dwalmgasten is een bundel die je niet uithebt als je hem hebt gelezen. Dat komt door de vragen die Andriessen stelt, de onderlinge verbanden, intertekstualiteit en door de fascinerende raadselachtigheid van gedichten als ‘De vogelkoning’, waarvan ik desondanks weet dat het klopt wat er staat:

Het zijn normaal jonge jongens.
In de lente verlaten ze hun huizen
halsoverkop, alsof iemand hen riep.
Wie overleeft, herinnert zich niet
wat het was – het zachte wieken
van wijd uitgestrekte vleugels
een stille roep, zoals stenen zingen
in de hoofden van krankzinnigen.
Van sommigen zijn de vaders
eerder gegaan, er is geen kaart
een richting, geen route; soms
komt er een aan, keert terug
naar waar hij eens vertrok
vertelt het na, vervormd, gehavend
kleren tot op de draad kapot
de blik spreekt louter waanzin:
Een arendsnest op de rotsen
weggedraaide ogen, paarse lippen
heel het gastpad afgedwaald
om weer hier te zijn.
De mare wil dat ze luisteren.

***

Mischa Andriessen (1970) debuteerde in 2008 met Uitzien met D, waarvoor hij de C. Buddingh’-prijs ontving. In 2012 volgde de bundel Huisverraad, die werd bekroond met de J.C. Bloem-poëzieprijs. In 2014 werd hem het Charlotte Köhler Stipendium toegekend.

Recensie van Uitzien met D - Mischa Andriessen

Een dode die danst

Mischa Andriessen
Uitzien met D
Uitgever: De Bezige Bij
2008
ISBN 9789023432234
€ 15,00
64 blz.

Toen ik Uitzien met D van Mischa Andriessen voor het eerst onder ogen kreeg, meende ik van doen te hebben met een poëtische variant van Yann Martels The life of Pi. Op de omslag van de bundel prijkt een tijger op wat ogenschijnlijk een watermassa is, terwijl de flaptekst gewag maakt van “de vriendschap tussen D en een ‘ik’, en hun kleine universum, dat soms toch te groot is om te bevatten.” D is echter geen roofdier, en hij en de ik-figuur vertoeven niet op een vlot. Zij brengen daarentegen hun zomer door in een kleine tuin (als we het openingsgedicht mogen geloven die van D’s ouders), waar ze doen alsof ze autorijden, vogels observeren die D vervolgens doodt (‘Wie begonnen is, natuurlijk / heeft dat geen belang, maar wij weten / hoe het beest D heeft aangestaard’) en de hoogte van het balkon meten door er lege flessen van te werpen. Het is niet bepaald een aantrekkelijk leven, en met name voor D is dat een worsteling: ‘Het is D’s hondenbaan om toe te zien / hoe de loodsster oplicht en dooft en oplicht.’ Zo nu en dan doet hij dan ook pogingen het roer om te gooien en de tuin te verlaten, maar steeds weer keert hij er terug. Aan zijn kleine universum kan D niet ontsnappen.

Critici hebben zich de vraag gesteld wat D en de ik-figuur bezielt om hun levensruimte te beperken tot een tuin met balkon. Tot een eenduidig antwoord kwamen zij niet, wat volgens mij samenhangt met het feit dat Andriessen vooral beelden schetst en niet zozeer in termen van motieven schrijft. Een gedicht als ‘Dan ben je gauw’ is daarvoor typerend:

De panty zit met het kruis
vastgedraaid aan de balustrade.
D ligt uitgestrekt in de tuin.
Bruingeel gras op zijn skibril
en in zijn zomerbleke haar.
De beige voetjes houdt hij nog
in zijn handen, strak, als het stuur
van een speedboot, klaar om te gaan.

Hier tekent zich een beeld af van D die op de grond onder het balkon ligt waarop hij en de ik vaak vertoeven. Aan het balkon is een panty vastgeknoopt, waarvan D de voetjes gegrepen heeft. Hij houdt ze nog in zijn handen, wat impliceert dat hij ze snel zal loslaten en de panty omhoog gelanceerd wordt. Een prettig tijdverdrijf durf ik dat niet te noemen, en daarin schuilt de essentie van D’s gedrag: diens leven is op het eerste gezicht een strijd tegen de verveling.

Het schrijnende is dat die verveling voortkomt uit een ziekbed. Althans, dat is wat Andriessen suggereert. Herhaaldelijk wijst hij erop dat D ‘lijkbleek’ is, met een kippenborst en ‘teerbleke armen die stukslaan / op het ijs’. Er zijn beelden van een rolstoel, van D die het masker draagt ‘van een vrolijke dode, een dode die danst’, van D die een bevalling situeert en de ik-figuur doet denken aan een kever op zijn bolle kant. Dit soort suggesties wordt versterkt door een ander “D-gedicht” van Andriessen, dat niet in de bundel is opgenomen, maar wel werd gepubliceerd in De brakke hond. Het heet ‘Laatste’ en bevat zinnen met een explicietheid die je in Uitzien met D zelden aantreft:

Er zou nu een haan
moeten kraaien, dan kon ik hem zeggen
dat alles goed komt, dat de kanker
zich vanaf nu langzaam terugtrekt,
de wetenschap plotseling vermag
wat we ons inbeelden: beter maken,
alles beetje bij beetje beter maken.

Dat Andriessen in zijn bundel niet expliciteert dat D een kankerpatiënt is, versterkt de bewegingsvrijheid van de lezer, die hij desondanks heel subtiel weet te beperken. Exemplarisch in dat opzicht is de zweem van homo-erotiek die over de gedichten gelegd is, en die voor de ik-figuur het motief lijkt om D in zijn kleine omgeving te vergezellen. Als D zonder kleren op het balkon staat, krijgt zijn bleekheid bijvoorbeeld een sterk seksuele bijsmaak: ‘Hij is naakt. Bleekroze aas.’ Interessant in dit kader is ook het gedicht ‘Draad’:

D heeft oog voor ongelijkheid.
Op zijn aanwijzing buig ik, heel voorzichtig,
nog een beetje, nog een klein beetje, dichter naar hem toe.
Op tafel onder een wijnglas wacht een kruisspin.
Onder geen beding mag de spuugdraad breken
die onze gespannen lippen nu verbindt.

Bij uitstek dit gedicht toont de subtiliteit die Andriessen zo kenmerkt. Niet alleen wordt duidelijk hoe aarzelend de twee mannen kussen, ook ligt het naderende verval van hun vriendschap op de loer in de vorm van een kruisspin die klaar is om aan te vallen. En aanvallen zal hij, zoals in ‘Re-enactment’ duidelijk wordt: ‘Wacht nu ineengedoken op het verspringen / van de wijzer, het openen van de deur, / iemand die er even naast gaat staan, / liegt opdat het leven zich hervat.’ Met wishful thinking kom je een heel eind, maar het kan niet verhinderen dat de ik-figuur aan het eind van de bundel alleen overblijft.

Uitzien met D is overdonderend hecht. Erik Lindner schreef al dat deze gedichten samen één gedicht vormen, en voor die opvatting is veel te zeggen. In dit geheel krijgen de witte pagina’s in de bundel soms een bijzonder iconische functie, bijvoorbeeld tussen de gedichten ‘Draad’ en ‘Dat zei die heks op de jaarmarkt nou ook’, die worden gescheiden door twee lege bladzijden. Zijn ‘D en ik’ in het eerste gedicht nog samen; in het tweede gedicht constateren de buren dat ze D voor het eerst in lange tijd weer zien: ‘zagen hem plotseling weer in de tuin / en zeiden: ‘Kennelijk weg geweest.’’ D’s vertrek (naar het ziekenhuis? In elk geval komt hij ‘moe en ontdaan’ thuis) wordt op bundelniveau gemarkeerd door de twee witte pagina’s; een aardigheidje dat de uitgeverij zich gelukkig heeft veroorloofd. Andriessens poëzie, die zoveel isolement en verval suggereert, heeft zo’n extra bladzijde verdiend.