Recensie van Liever niet - Armando

Noodsignalen

Armando
Liever niet
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025450243
€ 19,99
80 blz.

Wie er in de jaren zeventig van de vorige eeuw rijp voor was, herinnert zich ongetwijfeld de legendarische televisie-uitzendingen van Herenleed, de wekelijks in de Soester Duinen opgenomen en door de VPRO uitgezonden sketches met Cherry Duyns als hooghartige heer met bolhoed, opgedraaide snor en grootspraak, Armando met ziekenhuisbrilletje als zijn serviele tegenpool, en de later toegevoegde Johnny van Doorn als delirerende vrouw, kabouter en koning. Zij vermaakten de liefhebbers van het komisch-absurde en werden verguisd door de rest van Nederland.
Zo leerde men Armando kennen als acteur.
Maar wie van zigeunermuziek hield wist dat Armando ook een virtuoos musicus was die in het orkest van Tata Mirando viool speelde. (Onlangs zong hij nog in De Rode Bioscoop te Amsterdam).
Velen zullen hem bovendien kennen als de beeldend kunstenaar die van 1998 tot 2007 een eigen museum in Amersfoort had en nadat dit in vlammen was opgegaan sinds 2014 een nieuwe kunstzaal in Bunnik heeft. Kortom: Armando is een multitalent.

Na zijn vorige bundel Gedichten 2009 waarvoor hij de VSB Poëzieprijs kreeg, hield de dichter zich publicitair stil tot 2015. Toen verscheen de bundel Waaromdie hier werd besproken door Hans Franse, en is er dan nu de bundel Liever niet en die verschilt enigszins van zijn eerdere werk.
Niet dat zijn thematiek is veranderd, die behelst als vanouds de gruwelen van de oorlog, met name die in Kamp Amersfoort tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar de verschrikkingen komen minder expliciet in beeld en ook de grimmige humor die in eerdere bundels ruimte kreeg, is verdwenen.
Als je niet beter wist, zou je bij enkele verzen zelfs kunnen denken een vrijblijvend natuurgedicht te lezen, om dan toch door een enkel woord uit de droom te worden geholpen.

Lente

‘t Is bijna lente, de knoppen zijn al weerloos,
de takken steken hun armen uit
en de groei heeft de bloei ontdekt.

Het blijft voorlopig lente,
omdat het gretig groen is.

Het was de luidruchtige lente,
die even heeft geglimlacht.

Is de dichter met de jaren milder geworden? Ik denk het niet, wel subtieler en universeler. Het gaat weliswaar altijd over een steeds verder achter ons liggende oorlog, maar het is of daardoor, en door het ingetogen woordgebruik én omdat wij in een steeds onbestendiger tijd leven, de dreiging van een komende catastrofe intenser wordt.
Hoewel getypeerd als de dichter die de locaties waar verschrikkingen hebben plaatsgevonden verbindt met het kwaad, is Armando geen moralist; hij beschrijft en duidt, oordeelt niet.
Ook in deze bundel komt men deze projecties tegen: (…) ‘Uit de jachtige nevels / doemt het schrikbewind der bomen op: / de wens naar een volmaakte vraag. ( Uit: ‘Wens’ ).
Het volgende gedicht is wat dit betreft exemplarisch.

Overleven

De wolken mopperen en de
Sterren schelden:
Een oproep tot lawaai.

Brekende gevels scheurende muren,
Het waaien van de hardvochtige storm,
Geen ochtend en geen dag meer,
Schokken uit de kreunende aarde,
Gillende nachten staan ’s nachts onder water.

Moet er alsnog overleefd worden?

De gedichten in Liever niet zijn kort maar het openingsgedicht ‘Namen’ is daar een uitzondering op; dat omvat maar liefst zeven pagina’s, zij het dat de stiltes erin, het wit tussen de strofen, meer ruimte innemen dan het geschrevene. Het doet qua structuur sterk denken aan ‘Awater’ van Martinus Nijhoff hoewel dat een doorlopend gedicht is. Maar in beide wordt iemand voorgesteld, waarna de dichter deze figuur volgt en hij de lezer deelgenoot maakt van zijn heimelijke bevindingen door hem te bestoken met aansporingen om goed op te letten.
Bij Armando zijn deze aansporingen noodsignalen.
Voor mij is ‘Namen’ het hoogtepunt van de bundel maar het gedicht is helaas te lang om het hier in z’n geheel aan te halen, terwijl eruit citeren het tekort zou doen. Toch enkele regels om een idee te geven.

Namen

U hebt hem gezien,
hij liep gewoon op straat, hij
ging misschien naar huis, u
hebt hem mogen zien.

(…)

Hij draagt een zware mantel, hij 

heeft een trotse lijst met namen en
op z’n hoofd een hoed.

Hij heeft de lijst met namen, hij
draagt de dood op handen.

(…)

Hij denkt dat u een dagtaak had en een geboortejaar,
Dat u een wankele wraak bezat,

(…)

Hij neemt de maat en vindt een pasklaar antwoord,
verkondigt een lange loopbaan
en teistert de bestrating.

(…)

Weldra heeft hij u ontmoet,
Sindsdien zijn er geen namen meer.

(…)

Er staan ook minder geslaagde gedichten in deze bundel, enkele malen is er zelfs sprake van mooischrijverij (‘Met het oog op ogenblikkelijke stilte’, ‘mateloze einders’, ‘een jachtig jagen naar gevaar’) maar dat is van ondergeschikt belang, omdat het bij Armando vooral om de boodschap gaat. Deze is zo indringend dat zijn poëzie voor docenten een bruikbaar handvat zou zijn om leerlingen bewust te maken van de geschiedenis die leert dat wij voortdurend strijd moeten leveren om de vrede en dat niets wat is bereikt als vanzelfsprekend van blijvende aard is.

Recensie van Waarom - Armando

Daarom!

Armando
Waarom
Uitgever: Koppernik
2015
ISBN 9789492313027
€ 15,00
45 blz.

In november 2015 verscheen de laatste bundel van schilder, beeldend kunstenaar, zigeunermuzikant en dichter Armando. In zijn veelzijdige werk, dat hij in zijn geheel ziet als een ‘Gesamtkunstwerk’ waarvoor hij ook vele prijzen ontving, is altijd de aanwezigheid van de laatste oorlog te herkennen. Soms lijkt zijn poëzie zelfs gewelddadig. Ook voor zijn generatie, na de Vijftigers, is de oorlog nooit opgehouden. Soms is zijn poëzie strijdbaar, soms nuchter constaterend, soms lijkt er een overgave te bespeuren. Niet voor niets wordt door sommige critici opgemerkt dat zijn kunstenaarsnaam ARMANDO (letterlijk in het Italiaans: ‘bewapenend’) opzettelijk aangenomen zou zijn. Dit is niet juist: Armando is de Italiaanse vorm van Herman: hij had een Italiaanse grootmoeder. Dat men dit veronderstelde zegt wel iets van het karakter van zijn werk. Deze bundel bevat 21 gedichten. Er lijkt een andere toon aangeslagen: sluit hij zijn ‘Gesamtkunstwerk’ hiermee af?

De titel ‘Waarom’ (zonder vraagteken) doet verwachten dat er in de poëzie vragen gesteld worden naar de zin van alles waarmee de dichter zich bezighoudt. In het korte gedicht ‘Waarom’ worden inderdaad vragen gesteld , die echter meer en nieuwe vragen oproepen:

Waarom?
Moet het nog hoger?
Is het niet hoog genoeg?

Acceptatie of resignatie? Men verwacht antwoorden, vooral daar de aard van de vragen slechts een algemeen sfeerbeeld biedt . De lezer echter die zich in het gedicht ‘Daarom’ op pagina 33 verdiept om mogelijke antwoorden te vinden, komt bedrogen uit: er is daar sprake van een opdracht, van rechtvaardige oorden van onbekende goden en van verdwijnen. De titel ‘Waarom’ lijkt dus te maken te hebben met de hele bundel, die in zijn geheel geïnterpreteerd kan worden als een vraag naar het wezen van de wereld om de dichter heen. Heeft de dichter de essentie van die wereld weergegeven?

Die wereld is somber: ‘het bestek’, in het eerste gedicht, ‘ligt haastig naast de honger’. De woordkeus is niet optimistisch: er is sprake van ‘levende leegtes’. De dichter constateert dat ‘Het einde is begonnen’. Oordelend over het heden zegt hij : ‘Het heden heeft gezwollen tongen/ en geen enkel oordeel’. De wereld lijkt leeg, zinloos en waardenloos.

Weliswaar slaat hij ‘een brug’ (pag.19), want ‘Er is een gedachte geboren/ en een bedeesde brug gebouwd’, maar in het volgende gedicht ‘dringen de berichten zich naar voren’ en ‘de getallen stichten monumenten/ men gaat elkaar te lijf’.

Tegenover het hoopvolle gedicht ‘Warmte’ (pag.37) ’Zelfs nu komt de verbazing / tot leven’ staat het sombere ‘De vlucht’, waarin naast ‘een naargeestig ontwaken’ ook ‘de troosteloze lijdensweg, een zwijgen zonder hoop /de dag die nooit geschenen heeft’ voorkomt.

Even lijkt er een verlichting, als de lente zijn intrede doet. ‘ ‘t Is de geurende gonzende lente/ een schaamteloze lach’. Duidt die schaamteloosheid op het engagement, dat men niet kan en mag lachen in de somberheid en de lege wereld die het lachen doet vergaan? Niet helemaal, want, stelt de dichter: ‘Het is een barmhartig schouwspel op weg naar een luchtig stervensuur’. Het sterven is verlicht, en dat is barmhartig, maar de somberheid blijft.

Het is geen optimistische poëzie; de emotie onder de woorden getuigt slechts zelden van een aarzelend optimisme. ‘De godin van de moedelozen’ ( pag.23)heeft ‘genezing fel begeerd’. Maar het pessimisme slaat toch weer toe in de laatste regels: ‘Godin/u schijnt geleefd te hebben.’ De dichter is niet zeker of er voor moedelozen (is hij zelf ook één van hen?) echt een Godin bestaat die de genezing fel begeert..

De bundel eindigt met het gedicht ‘Het Gebouw’. ‘Hier slaapt een kwaad gebouw/ dat angstige gebaren maakte,/ een wreed gezicht vertoonde’. Het gebouw wordt gepersonifieerd: het krijgt ‘een tong die uit de ramen hing en/ van verachting sprak’. Het is een gebouw in ‘doodsnood,/de laatste zucht als bleke groet’. Het gedicht in zijn geheel lijkt een afsluitende metafoor te zijn van een machteloze dichter die de wereld ziet als een naar een einde gedreven planeet waarop zijn constaterende rol niet veel hoop kan brengen.

De gedichten zijn kort, minder muzikaal dan ik had gehoopt. Een bundel met onderhuidse emotie over het bestaan in deze wereld, misschien zelfs angst ervoor, een emotionele soms nauwelijks geabstraheerde visie over het leven en de vergankelijkheid, in vrije verzen neergeschreven.

***

Armando is schilder, beeldhouwer, dichter, schrijver, violist, acteur, en film-, televisie- en theatermaker. Hij schreef onder meer in het blad ‘Gard Sivik’, dat in 1965 een andere naam kreeg: ‘De nieuwe stijl’. In 1964 verschenen de ‘Verzamelde gedichten’, waarna echter nog nieuwe bundels verschenen. Armando won de F .Bordewijkprijs , tweemaal de Multatuliprijs en in 2009 de VSB-poëzieprijs. Zijn werk is vertaald in het Duits en het Engels.

Als beeldend kunstenaar maakte hij deel uit van de ‘Nederlandse informele groep’ overgaand in ‘Groep nul’, die als geheel een nieuwe verwondering wekkende kijk op nieuwe dingen ontwikkelde. Later werd hij kunstredacteur van de ‘Haagse Post’ en schreef Berlijnse columns in NRC/Handelsblad.

Recensie van Stemmen - Armando

Een roekeloos tijdperk

Armando
Stemmen
Uitgever: Augustus
2013
ISBN 9789025441197
€ 24,95
140 blz.

Kort na Gedichten 2009 (VSB Poëzieprijs 2011) en Ze kwamen (2011) schreef Armando (Herman Dirk van Dodeweerd, Amsterdam 1929) alweer 127 nieuwe gedichten voor Stemmen. Het lijkt erop dat nu hij de lichamelijke beperkingen van de ouderdom moet ervaren, hij zijn verlies aan mobiliteit en daarmee bepaalde facetten van zijn veelzijdige kunstenaarschap compenseert met de dingen van de geest. Ten diepste is hij een overlevingskunstenaar.
Alle gedichten in de bundel dragen weer de volstrekt eigen, onmiskenbare Armandosignatuur, enerzijds gekenmerkt door kernachtigheid, kracht en indringendheid, anderzijds door raadselachtigheid en vervreemding. Voortdurend heb je als lezer de ervaring dat de dichter iets essentieels meedeelt, hij je deelgenoot maakt van een bepaalde diep doorleefde waarheid, maar die wordt meer gesuggereerd dan dat ze expliciet gemaakt wordt en eerder wordt de lezer op afstand gehouden, dan dat hij bondgenoot wordt gemaakt.

Een opvallend kenmerk van de gedichten is dat ze zich zo geïsoleerd houden, zo nadrukkelijk alleen staan. Iedere tekst lijkt wel een poging te doen iets waar te nemen, op te vangen en te doorgronden, maar een persoon die dat doet, ontbreekt; er is geen ‘ik’ of verhulde of verborgen ‘ik’ als personage. Er is een auteur, uiteraard, en die is met iedere vezel in de gedichten aanwezig, maar hij blijft paradoxalerwijze tegelijk ver van de gedichten vandaan, die als het ware voorbijkomende flarden werkelijkheid zijn. Zelfs zonder lezer zouden ze het uitstekend zelf kunnen redden.
Een andere eigenschap van Armando’s poëzie is namelijk dat ze op een intrigerende manier niet of nauwelijks parafraseerbaar is. De woorden, de woordcombinaties, de versregels hebben wel de illusie van concreetheid, maar zijn van een hoog abstractieniveau. Daarbij is hun spanning zodanig, dat ‘uitleg’ hun betekenis wegneemt. Met andere woorden navertellen doet de gedichten verdwijnen, maakt dat ze weer oplossen in de mist waaraan ze zich onttrokken.

Armando’s door oorlog, dood en verwoesting getekende illusieloze mens- en wereldbeeld mag bekend worden verondersteld, evenzeer als het vijanddenken en de daaraan gekoppelde noodzaak weerbaar te zijn en alert op gevaar. Hij weet: ‘de wreedheid is bewapend.’ Ook met zijn concept van het gepersonifieerde, ‘schuldige’ landschap zal ieder die hem ook maar enigszins heeft gevolgd, vertrouwd zijn. Het komt, met een sterke neiging tot een bepaald absurdisme, ook in de nieuwe bundel allemaal voorbij.

De bundel opent met een drietal gedichten waarin de stemmen uit de titel klinken. Ze laten zich lezen als een drieluik. Dit is het eerste:

Een tijdperk

Strenge stemmen verlaten de aarde,
bezingen de razernij der dingen
en het geween van bloeiende bloemen:
de oogst van een roekeloos tijdperk.

Was het een offer op verlaten altaren?
Het bleek een halsstarrig ademen.
 

Iedere regel is vol van betekenis en laat tegelijkertijd veel te raden over. Heel fraai hoe in deze zes regels een web van klank gesponnen wordt met die overdaad van alliteraties en assonanties, maar iedere gelijkheid van klank zet je ook op het spoor van nieuwe inhoudelijke mogelijkheden, waardoor het gedicht, hoe gesloten ook van klank en vorm, toch maximaal open blijft. Dat roekeloze tijdperk en die verlaten altaren mogen we zelf invullen.

Ook in het tweede gedicht klinkt een stem:

Op deze plek

Hier,
op deze plek, op deze plek
waar de struiken zachtjes zingen
en de straat verandert
in een schreeuw.

Op deze plek is een gesprek begraven,
en het ontstoken gebied werd verboden.

Was een overwinning mogelijk?
 

Het is een gedicht dat De straat en het struikgewas in herinnering brengt, Armando’s rond Kamp Amersfoort cirkelende oorlogsherinneringen.

In het derde gedicht is de stem vrijwel tot zwijgen gebracht en is de al dreigende ontmenselijking een feit.

Weggebracht

De mond zei dat de mond gesproken had.

Snel de laatste regel geschreven,
bleker dan een doodsklok.

Er werd op de driftige deur gebonsd.

Hier zijn de benen, hier zijn de armen,
ze worden weggebracht.

Naast het fragmentarische en sterk suggestieve karakter van Armando’s poëzie, valt zijn gebruik van de bijvoeglijke naamwoorden op. Hierboven troffen we al ‘halsstarrig ademen’ aan, ‘het ontstoken gebied’ en ‘de driftige deur’. Het zijn hoogst ongewone verbindingen die de werkelijkheid op z’n minst een kwartslag draaien. Je vindt het door de hele bundel heen: de lijdzame dag, begroeide stilte, kwaadaardig vocht, een doorzichtige nacht, een trage waas, de voorbeelden zijn legio. Het wringt bij Armando, die in het algemeen korte gedichten schrijft, soms maar van twee regels, maar ieder gedicht voorziet van een titel, vaak nogal willekeurig gekozen.

Misschien

Er gaat misschien een weg naar boven,
de zon bezingt de mistroostige velden.

Armando lezen is in zeker opzicht een vermoeiende bezigheid, want ieder gedicht zet je aan het denken. Je maakt je een voorstelling, maar weet niet goed waar te beginnen. Dat komt mede doordat de gedichten meestal in medias res beginnen, zoals dat in de tekstanalyse heet: zonder inleiding wordt de lezer in een beschrijving of een handeling geplaatst, die daarbij opzettelijk fragmentarisch wordt gelaten. Niet alles achter elkaar lezen dus, maar gedoseerd en dan neemt de bewondering voor dit uitzonderlijke dichterschap alleen maar toe. Dit zou je met enige goede wil toch wel kunnen lezen als een zelfportret, een uitzondering in de bundel:

Het lichaam

Het lichaam kan hardleers zijn,
is soms ongehoorzaam.

Het lichaam wordt gedwongen,
wordt geschonden en verzwolgen.

Leg het lichaam hier maar neer.
 

De verleiding om te blijven citeren is groot, ook al omdat het de recensent veiligheid biedt, want dit is geen poëzie waarover iets gezegd moet worden. ‘Nee,/ bezieling heeft een masker nodig,/ heet het in een gedicht dat uiteraard ‘Bezieling’ heet. En in ‘Hij’: ‘Of moet hij zich verontschuldigen,/ zich herinneren,/ moet hij zich verbazen.’ Ja, dat moet hij, dat allemaal tegelijk en zonder ophouden, want dit is wat een leven vraagt dat beheerst lijkt te worden door apocalyptische gedachten, door ‘de afschuw voor de ondergang/ na een bevlekt verleden.’

Al richt Armando’s poëzie zich voornamelijk op de bedreigende werkelijkheid, zoals in het actuele ‘Hij wist niet/ dat er meegeluisterd werd.’, regelmatig sijpelen er toch ook zachtere, milde, bijna romantische regels tussendoor: ‘De weemoed zoekt een klank,/ die zich in het licht bevindt.’ Maar daarvoor stond dan weer wel: ‘Rechtop./ Beweeg je niet.’

Aan deze viriele poëzie is nauwelijks af te lezen dat het werk is van de ouderdom. Slechts een enkele keer is er de constatering ‘dat de jaren wankelen’, leiden de gedachten naar ‘Denken over de ontluistering,/ over een ontsnapping.’, naar ‘Denken/ dat de jaren dwalen.’
Een van de laatste gedichten is ‘Schor’:

Schor

Oogluikend en schoorvoetend
schalt de schorre stem van de twijfel.

Geen twijfel aan, Armando overtuigt in alle opzichten. Een unieke dichter met een unieke stem.

Recensie van Gedichten 2009 - Armando

Het einde nadert

Armando
Gedichten 2009
Uitgever: Augustus ,Augustus ,Augustus
2009
ISBN 9789045703084
€ 22,50
112 blz.

Tien jaar na de Verzamelde gedichten is er voor het eerst een bundel nieuwe gedichten van de op 18 september 2009 tachtig jaar geworden Armando. In de afgelopen periode verschenen er wel veel proza-uitgaven: verzameld proza in 2003 onder de titel Schoonheid is niet pluis, ultrakorte verhalen in De haperende schepping (2003), Nee (2008), Het wel en wee (2005), Gedoe (2006), Soms (2007) en Eindelijk (2009). In 2009 verschenen ook nog de bundel Dierenpraat en andere dierverhalen en onder de titel Berlijn een keuze door Trudie Favié uit de vermaarde Berlijn-observaties. Goed dat die ooit in NRC Handelsblad verschenen stukken voor hedendaagse lezers weer verkrijgbaar zijn.

In het oorspronkelijke, in 1982 verschenen Berlijn stelde Armando, die zich misschien toen al oud en in zeker opzicht een overleefde voelde, zich als volgt aan de lezer voor:

‘Voor de onwetenden, de veel te velen: Armando begon in de eerste helft van de zeventiger jaren reeksen schilderijen en tekeningen te maken, die hij "schuldig landschap" noemde. Een schuldig landschap noemde hij een landschap dat heeft zien gebeuren, want in landschappen, in de schone natuur, vinden vaak de afgrijselijkste opvoeringen plaats. Veldslagen. Sluipmoorden. Man tegen man. Aanleg en onderhoud van de kampementen. Barakken. Plekken ter kwelling van weerloze schepsels.
Voornoemd landschap heeft zich daar nooit iets van aangetrokken, is zelfs zo schaamteloos geweest om gewoon door te groeien, het is een schande, ik raak er niet over uitgesproken. De confrontatie natuur-cultuur is een onbarmhartig gebeuren, gaat met pijn gepaard, geloof dat maar.
Jaja, ik weet wel, het is zinloos om de natuur schuldig te noemen, maar kunst is ook zinloos, daarom is kunst zo onontbeerlijk. En gewetenloos. Sinngebung des Sinnlosen.’

Al weet Armando als geen ander dat ‘het leven voor een groot deel uit het maken van onjuiste opmerkingen [bestaat]’, hij cultiveert de waarheid dat mensen niet van de geschiedenis leren, ‘ze kijken wel uit’. ‘U bent goed op de hoogte’, spreekt hij zichzelf toe. ‘Ja, jammer.’

Gedichten 2009 bevat precies honderd gedichten. Ze tellen gemiddeld acht regels, verdeeld in twee of drie strofen met één, hoogstens twee woorden (lidwoord plus zelfstandig naamwoord) als titel. Het titelwoord is bijna altijd een tamelijk willekeurig gekozen woord uit het gedicht, in ruim een derde van de gedichten afkomstig uit de laatste regel, opvallend vaak is het zelfs het laatste woord.
Kernwoorden in deze poëzie zijn licht, verschrikking, einde, dood, voorbij, verdwijnen, het kwaad, strijd, woede, afgrond, schuld, wanhoop, argwaan. Ze bepalen de sfeer, die er consistent een is van vergeefsheid, van ‘zonder genade’ zijn, van een ondefinieerbare bedreiging die ergens beraamd wordt en die slechts hulpeloos, maar met een vervreemdende monterheid kan worden afgewacht.

Het eerste gedicht van de bundel zet meteen de toon:

Licht

Terwijl het licht zich probeert te
ontvouwen, is de stad opstandig,
de verschrikking heeft zichzelf overleefd,
het einde nadert de onderdanen,
nadert de onontkoombaarheid.

Het grillige licht wil bezitten,
wil veinzen,
maar het licht is machteloos,
het licht is ontmanteld.

Het einde nadert, onontkoombaar gaat in niet aflatende verschrikking de wereld op zwart en de machteloze ‘onderdanen’ zullen slachtoffer zijn. Van wie? De verantwoordelijken, de schuldigen, kunnen in het wereldbeeld van Armando alleen de ‘machthebbers’ zijn, want "Feindbeobachtung – ‘doe ik dat ook niet elders, doe ik dat niet altijd?’"

Wie snel naar het eind van de bundel bladert om te zien of Armando daadwerkelijk het einde van het aardse menselijk bestaan voorziet, wordt in het slotgedicht enigszins gerustgesteld:

Voorzichtig

Ze liepen voorzichtig,
en lieten het landschap binnenkomen,
ze merkten dat hun tred bewonderd werd.

Heel voorzichtig gingen ze door de deuren,
langs het lusteloze strand, bezichtigden de bomen,
ze dachten dat de struiken ontvlambaar waren
en de hemel onder handbereik.

Zie, ze houden zich voorzichtig vast.

Hoe aarzelend ook – voorzichtiger kan de ziener, de ‘profeet’, niet zijn – lijkt het te duiden op de mogelijkheid van een nieuw begin. Maar kennelijk moest de mens eerst in zijn wereld een volslagen vreemde worden…
Dat Armando ondertussen zelf een vreemde is, een buitenstaander, een toeschouwer, is wel duidelijk, en paradoxaal genoeg is hij dat vooral in zijn geëngageerdheid, zoals in

Van verre

Wee degenen die de lantaarns doven,
die het kwaad verslinden,
het machteloze juk verbreiden,
zie, ze naderen,
fier, verheven,
ze werden niet herkend.

Ik zag ze, ik zie ze van verre,
ze worden niet herkend.

Of zoals in

Voorbarig

Ik hoorde ze joelen,
ze dansten en lachten,
het roversnest werd geplunderd,
men gluurt naar voornemens,
schimmel en een glimp:
het is voorbarig en voorbij.

Al mijdt Armando het gebruik van de ik-vorm niet, vaker ligt het perspectief bij ze, men, iemand, de man, hij, het. Als de betrokkenheid op wat met een groot woord het wereldlot genoemd kan worden, te sterk is, blijkt afstand nemen vaak noodzakelijk. De ernst wordt er slechts overtuigender door:

Nooit meer

Nergens is de lente.
Onverschrokken de helden van weleer.
Nooit meer. Nooit meer.

Geen geestverwanten, geen drempel van de oogst.
Je denkt toch niet dat sneeuw nog smelt.
Met z’n hoevelen waren ze.

Het omineuze karakter van de slotregel is huiveringwekkend, actuele angst zet zich vast.
Veel gedichten lijken niet meer dan aanzetten, maar nooit heb je een idee hoe het dan met de tekst verder zou moeten. In het ogenschijnlijk voorlopige zijn ze dus wel degelijk af. De tweede strofe van ‘Vechtlustig’ is daarvan een mooi voorbeeld: ‘Nooit vergeten/ dat de aarde woedend was en dat/ de mens geen uitweg wist.’
Schrijven over wat hij waarneemt, is voor Armando niet gemakkelijk, maar hij heeft een sterke drijfveer:

Woedend

Waarschijnlijk is het de wanhoop
die de woede teweegbrengt.
De wanhoop is woedend
en wanhopig.

Sterker nog is het gevoel een opdracht te moeten vervullen. Niet omdat hij uitverkoren zou zijn, eerder omdat hij ziet – misschien wel als enige ziet – en daarin verdoemd is. In ‘Beklemming’ zegt hij het zo: ‘Men spreekt, men trekt de aandacht,/ men deinst terug, men offert zich op.

Denk niet dat somberheid troef is. De bundel bevat ook verrassend veel natuurgedichten, zoals ‘De wolken’: ‘[…]// De wolken spreken tot het stil wordt,/ vertrekken als het wit is.// Ze gedragen zich kortaf, ze komen onverwachts,// hijgend naar de horizon,/ ze glijden langs de stenen./ Het stormt.’

En veel gedichten zijn verhalend. Armando weet soms in een paar regels een roman, of toch tenminste een kort verhaal of een bedrijf uit een toneelstuk te vertellen, zoals in het suggestieve

De moeder

Spreekt de treurende vrouw,
de vader dood,
mijn zoon mijn man,
er wordt gehuild dat de dood in mannenkleren
en dat de moeder een trotse vrouw,
dat ze op een voetstuk stond.

Men hoort de jammerklachten, men lacht
tot de tranen droog zijn.

‘Kunstenaars brengen produkten voort waar vooreerst niemand behoefte aan heeft. Daarom is kunst zo belangrijk. Daarom is kunst zo overbodig’, schreef hij in Machthebbers (1983). Met duidelijke instemming citeerde hij daarin Nietzsche: ‘Wir haben die Kunst, damit wir nicht an der Wahrheit zugrunde gehen. Kunst ist die einzige Rechtfertigung des Lebens.’

Armando’s beeldend werk is onbetaalbaar. Dat dit voor zijn Gedichten 2009 eveneens geldt, laat zich voor een bescheiden bedrag vaststellen.