Recensie van Dat ik je liefheb - Bernardo Ashetu

Wie is die man

Bernardo Ashetu
Dat ik je liefheb
Uitgever: In de Knipscheer
2011
ISBN 9789062656769
€ 19,50
128 blz.

Bernardo Ashetu (Paramaribo 1929 – Den Haag 1982), was de zoon van een joodse moeder en een creoolse vader, de medicus en latere Statenvoorzitter Hendrik Carel van Ommeren. In 1938 ging het doktersgezin naar Nederland, maar moeder en kinderen keerden vlak vóór de oorlog terug. De vader volgde eerst na zijn promotie in 1945, waarna de ouders al snel scheidden.
Ashetu werd opgeleid tot telegrafist en ging varen als scheepsmarconist; hij bereisde het Caraïbische gebied en voer naar Japan, India, Brazilië en Afrika. Ondertussen schreef hij, wat in1959 leidde tot zijn debuut met een reeks van veertien gedichten in het driemaandelijkse tijdschrift Antilliaanse Cahiers. In dat jaar vestigde hij zich in Den Haag en kwam hij in dienst bij Radio Holland in IJmuiden. In 1962, het jaar waarin de ook uit Paramaribo afkomstige Hans Faverey debuteerde in Podium, verscheen bij De Bezige Bij de enige poëziebundel die hij zou publiceren, het meer dan 200 gedichten tellende, door Cola Debrot ingeleide Yanacuna.
Noch zijn dichterschap, noch zijn beroepskeuze konden op veel waardering van de dominante vader rekenen. Diens negatieve houding wordt wel als verklaring gezien voor Ashetu’s onwil om na Yanacuna nog gedichten te publiceren, maar het zal ongetwijfeld samenhangen met de ernstige psychische spanningen waaronder hij gebukt ging en die volgens sommigen het gevolg waren van zijn gemengde afkomst, die hem het gevoel gaf misplaatst te zijn. Toen hij rond 1975 werd afgekeurd, luidde de diagnose: schizofrenie.

Ashetu leek voorbestemd een vergeten dichter te worden, maar lang na zijn overlijden begonnen zijn gedichten te verschijnen in de Spiegel van de Surinaamse poëzie (1995) en in tijdschriften als Dietsche Warande & Belfort, Bzzlletin, Poëziekrant, Optima en De Tweede Ronde. In 2002, twintig jaar na zijn dood, bracht de Surinaamse uitgeverij Okopipi het bescheiden bundeltje Marcel en andere gedichten uit, vijf jaar later verscheen als deel 16 van de Sandwich-reeks van Gerrit Komrij het iets uitgebreidere Dat ik zong en nu is er dan de door Michiel van Kempen samengestelde forse bloemlezing Dat ik je liefheb.
Het openingsgedicht daarvan doet je kennismaken met een échte dichter, die indringend een geheim verwoordt dat zich niet laat raden. Het neemt onmiddellijk voor hem in.

Breng bloemen

Zo sprak de wind,
zo het water en
zo donker waren de
wolken nooit geweest.
Een witte vogel vloog schichtig,
vloog opgejaagd, vloog dronken naar de kust
terwijl de jongeling
op het kermende schip haastig
schreef,
breng bloemen, schreef hij,
breng bloemen naar het graf
van die er niet meer is.

Na Yanacuna schreef Ashetu nog 31 poëziebundels, in grootte variërend van 8 tot 48 gedichten, alle in typoscript bewaard en ongedateerd, zodat een chronologie niet te bepalen is. Uit deze omvangrijke nalatenschap koos Van Kempen in totaal 102 gedichten, waarvan 37 uit Yanacuna, een naam die via betekenisassociaties in verschillende talen zowel zou wijzen op de horigheid van de zwarte gemeenschap als op een gevoel van ballingschap.

In zijn Nawoord Poëzie als graf voor demonen – een vrijwel ongewijzigde versie van het eerder in Poëziekrant (jrg. 2000, nr. 3) verschenen essay ‘Ik ben een neger. Poëzie als graf voor Surinaamse demonen’ – gaat Van Kempen, die bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren aan de UvA is, uitgebreid in op leven en werk van Ashetu. Hij ziet hem als een ‘zwarte’ dichter, verwant aan dichters als Stokely Carmichael, maar met een klankidioom ‘dat aan Gezelle, Gorter, Van Ostaijen, Engelman en zelfs Lodeizen doet denken.’ Ik zou er vanwege de zintuiglijkheid Wilfred Smit en Pierre Kemp aan toe willen voegen:

Amatijo

Véél serpentines, veel lampionnen
in ‘t glazen licht van de maan.
Wie is die vrouw in helgele jurk,
wie is die man in glanzend rood gekleed,
wat doen de kind’ren met ‘t groen van
fijne zijde en is dit Amatijo, in
eeuwig blauw gehuld, de tere muzikant
die de toverfluit bespeelt?

Waar er bij Kemp, Smit en Lodeizen echter eigenlijk altijd sprake is van harmonie, door weemoed en/of melancholie eerder bevestigd dan verstoord, sluipt er bij Ashetu regelmatig een bedreigend element in, duiken aan het slot van een gedicht woorden op als graf, droefheid, duister, zwart, as, dood. En opvallend vaak is er op een onnadrukkelijke manier, bijna achteloos, ineens een dolk, een mes, wordt er gestoken.
Het ondersteunt Van Kempens stelling dat de kern van Ashetu’s werk zijn complexe verhouding tot leven en dood is. De poging daar greep op te krijgen, leidt vaak tot wonderlijke, raadselachtige beelden, die je met recht surrealistisch zou kunnen noemen, vooral omdat ze tegelijk zo gewoon zijn, haast vanzelfsprekend. Neem bijvoorbeeld het intrigerende ‘Marcel’:

Marcel

Hij liep op de punten van
lichte schoenen het dak af.

Zijn zeden waren verkwikkelijk licht.

Hij viel op rode stenen
bij helder winters weer
en niemand begreep de vreemde
pauw tijdens zijn dure begrafenis.

Alleen God.
En dit was de zoete Marcel.

Een roman in het kort, met sterke beelden en verrassende perspectiefwisselingen, tot eenheid gebracht door een volstrekt natuurlijk klankpatroon van alliteraties en assonanties. Mooi rondlopend bovendien tussen titel en laatste woord.

Heel sterk is Ashetu in de evocatie van het exotische. Zo tastbaar als in het volgende gedicht werden de tropen niet eerder gemaakt. Het is meteen een mooi voorbeeld van hoe wonderlijk effectief Ashetu met de taal omgaat:

Tropen

Tropicál
Trópical
Tropisch,
noem het hoe je wilt,
in welke taal je wilt,
het betekent: Dans
het betekent: hitte.
Het betekent:
oerbos van bloemen
                planten.
Het betekent:
diep donker
ondoorgrondelijk oerbos
van bloemen en
planten.
Het betekent:
dans, hitte
en
het betekent:
drank
dolk
doem.
Het betekent:
haat bij weelde
van bloemen,
bij duister van
zware planten,
van dit ontroostbaar groen.

Dit is veel meer dan pure klankschildering. Het is van woord tot woord de expressie van wat de tropen hun ondoorgrondelijkheid geeft en diep daarin verborgen de geheimzinnige ‘ontroostbaarheid’ van degenen die erdoor zijn gevormd en het in hun eigen universum meedragen. Het gold ongetwijfeld voor Ashetu, die de tropen en het varen naar Den Haag zal hebben meegenomen.

Thuiskomst

Ik kwam thuis.
Je omarmde mij.

Een dikke geur van rozen
viel tot onderaan de trap.

Zeeman, mompelde je warme mond.

En ik, als een vis,
gleed door je oren heen
uit ‘t wiegelied der golven.

Het is verleidelijk om uit al die gedichten nog ruimer te citeren, maar er zijn grenzen aan wat een recensie wat dat betreft verdraagt. Een laatste dan nog, een gedicht dat je geneigd bent te lezen als het portret van een verdwaalde die de greep op zijn leven kwijt is.

Sine nomine

Ik zal gaan

ik zal gaan
en verward zijn in m’n zenuwen
die bijten als gele tanden

ik zal gaan
over ‘t meesterlijk vervaardigde tapijt
van groen fluweel

ik zal gaan
rusten bij de zee in witte pluimen
en in een ondoordringbaar duister
zal ik de horizon niet zien.

Het zou een gecodeerd zelfportret kunnen zijn, een teken van leven, een bewijs van bestaan. Het is in ieder geval een van de vele seinen die melden dat Ashetu als dichter inmiddels terecht niet naamloos meer is. Maar hij zou best nog iets verder uit de slagschaduw van Faverey mogen komen.