Recensie van Mijn gedichtenschrift - Benno Barnard

Een rijk boek

Benno Barnard
Mijn gedichtenschrift
Uitgever: Atlas Contact
2015
ISBN 9789025446079
€ 24,99
251 blz.

In Mijn gedichtenschrift van Benno Barnard valt veel te beleven: het is een rijk, gevarieerd boek, zowel op inhoudelijk als stilistisch gebied. Hij bespreekt meer dan vijftig gedichten: van T.S. Eliot, Hadewych, Herman de Coninck, Gottfried Benn, Emile Verhaeren, Tsjêbbe Hettinga, van zijn vader Guillome van der Graft, van hemzelf – en dan ben ik nog lang niet volledig. De gedichten zijn aanleiding tot onderling zeer verschillende beschouwingen: de ene keer schrijft hij over de tijd waarin het gedicht ontstond, een andere keer interpreteert hij het en soms schrijft hij een persoonlijk stuk over zijn vader, vrouw, kinderen of vrienden.
Van vrijwel ieder gedicht geeft hij het origineel, gevolgd door een vertaling; die is vaak van hemzelf.

In zijn voorwoord gaat Barnard in op de herkomst van het gedichtenschrift: ‘Honderd jaar geleden plachten ontwikkelde burgerdames in een speciaal cahier hun favoriete gedichten over te schrijven. De wereld begon te vergaan toen dames ophielden een gedichtenschrift bij te houden. ( … ) In dit boek ben ik mijn eigen voorbije dame.’

Die tanende cultuur is een belangrijk thema in het boek. Een citaat: ‘Ik ben een groot voorstander van het burgerdom, een sprankelend Bildungsbürgertum meer bepaald, dat tot het beste behoort wat Europa sinds de Verlichting heeft voortgebracht: een burgerdom dat niet verstrikt raakt in haar eigen morele conventies en in staat is tot zelfcorrectie.’ Het is de cultuur van de klassieken, de bijbel, het humanisme en de Verlichting, die steeds meer op de achtergrond raakt, niet in het minst doordat het onderwijs schromelijk tekort schiet in de overdracht ervan.

Aan Barnard zal het niet liggen: hij is iemand die de Europese cultuur levend houdt en hij doet dat met verve. Daarbij is hij altijd bereid zijn standpunten in te ruilen voor betere en dat leidt tot verrassende inzichten, ook voor de lezer.
Een voorbeeld is het stuk ‘Indiana Jones en het geheim van de hermetische poëzie’. Hierin prijst hij Paul Claes’ vertaling van The Waste Land, waarvan hij een fragment opneemt. Hij is echter hogelijk verbaasd over het nawoord, waarin Claes ‘de autobiografische sleutel’ prijsgeeft. Het zou gaan om een gecodeerd gedicht over Eliots rampzalige huwelijk in plaats van het schoolvoorbeeld van het modernisme. ‘Met zijn sleutel opent hij de zaal der Ontluistering’, schrijft Barnard. Dat er op een onbewust niveau autobiografische elementen inzitten, is onvermijdelijk. Maar de laatste zin van een passage uit het essay ‘Tradition and the Individual Talent’ uit 1921 brengt hem echter aan het twijfelen, want die moet wel op Eliot zelf slaan: ‘Poetry is not a turning loose of emotion, but an escape from emotion; it is not the expression of personality, but an escape from personality. But, of course, only those who have personality and emotions know what is means to want to escape from these things.’
Hij vervolgt: ‘En is het dan werkelijk helemaal uitgesloten dat de emotioneel onvolgroeide maar hyperrationele Tom inderdaad bewust heeft zitten coderen, in plaats van op z’n Freuds? ( … ) Het is toch een gedicht dat met de nodige nadruk tientallen citaten uit de wereldliteratuur aan elkaar last, een procedé dat nu niet bepaald spontaan uit het onderbewustzijn van de romantische kunstenaar komt opborrelen …’. Het zou kunnen dat Eliot inderdaad persoonlijke gevoelens zo heeft omgevormd dat ze niet meer als gevoelens herkenbaar zijn, laat staan als de zijne. De consequentie zou wel zijn dat een volhouder als Claes ‘The Waste Land’ heeft kunnen decoderen.
Deze ontdekking maakte dat Barnard ook anders is gaan denken over zijn eigen gedichten: de romantische overtuiging dat het belangrijkste in een gedicht per definitie iets is waarvan de meeste dichters niets afweten, zou wel eens onwaar kunnen zijn.
Een fascinerend essay.

Barnard vertaalt Engelse, Franse en Duitse gedichten en is daar goed in. Ook voor Jiddisch draait hij zijn hand niet om, al zal zijn kennis van het Duits hem daarbij tot steun zijn. Neem de prachtige tweede strofe van ‘Mitnacht far an alten bess-ojlem’ (‘Middernacht op een oude begraafplaats’) van Lasjer Ajchenrand (1911 – 1985):

 ‘in fenzter fun schul
schwajgn alte ssforim,
mejssim schtajgn arojss kil
fun fargessene kworim’

‘in het raam van de sjoel
staan zwijgende boeken te weten,
doden klauteren koel
uit graven die zijn vergeten’

Hij is ook nog eens een bewonderenswaardig stilist. Een willekeurige greep: ‘Ja, het in een mengsel van heimwee en varkensvet gefrituurde Duits van de vorige generaties leek vrijwel verdwenen uit de straten van Boedapest’. En: ‘Een dikke middelbare nicht van mijn vrouw leeft samen met een schommelstoel van dezelfde leeftijd. Die twee blanke vrouwen hebben samen drie zwarte crackbaby’s geadopteerd, en dat in het land van Walt Whitman.’ Over Paul Celan: ‘Vijfentwintig jaar na de oorlog hadden de nazi’s zelfmoord op hem gepleegd.’

Er is nog veel meer. Barnard schrijft veel over zijn woonland België, dat een bijzondere plaats innam binnen de Europese cultuur en misschien nog steeds inneemt. En bestaat er een Belgische poëtica? Ja, zegt Barnard. Hoe ziet die er dan uit? Lees het zelf. U zult daar geen spijt van hebben.

***

Benno Barnard is dichter, essayist, toneelschrijver en vertaler. Hij ontving in 1985 de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor zijn bundel Klein Rozendaal, de Geertjan Lubberhuizenprijs (1987) voor de essaybundel Uitgesteld paradijs en zowel de Busken Huetprijs (1994) als de Frans Kellendonkprijs (1996) voor zijn boek Het gat in de wereld. Zijn laatste drie werken zijn de bundel Krijg nou de lyriek (2011), Een geschiedenis van België voor nieuwsgierige kinderen (en hun ouders), samen met Geert van Istendael (2012) en Dagboek van een landjonker (2013).