Recensie van Vliegen en andere vogels - Bianca Boer

De lucht in je hoofd

Bianca Boer
Vliegen en andere vogels
Uitgever: L.J. Veen
2010
ISBN 9789020410389
€ 15,00
48 blz.

Iedere dichter heeft zijn eigen omgang met de taal. Zijn eigen trukendoos om een glimpje van het grote reservoir van zijn onderbewuste bewust te maken, zouden we misschien ook kunnen zeggen. Bij Bianca Boer is dat al te merken in de titel van haar poëziedebuut: Vliegen en andere vogels. Vliegen zijn geen vogels, maar vliegen als werkwoord trekt de betekenis toch naar die (rare?) vogels toe. Leuk. Zo lijkt de titel wel het eind van een regel waarvan het eerste gedeelte in het onderbewuste is gebleven. Stond er bijvoorbeeld ‘vinken vliegen en andere vogels’, dan was het een heel gewone mededeling. Maar dat is niet zo poëtisch. Voor de dichterlijke natuur, die tenslotte óók een natuur is, lijkt het beter die vinken vrij en vrolijk alleen in iemands hoofd te laten vliegen, of met andere woorden: aan de verbeelding over te laten. Of het helemaal solide is weet ik niet, maar daar gaat dan het volgende gedicht over:

SOLIDE

als je wolken uitrekent zit het probleem
in de overgangen

volgens de formule slaat een wolk stuk
wanneer er tocht in het spel is

koufronten verdrijven warme lucht
daar gaat je ordening

er valt veel voor te zeggen depressies
te mijden niet naar buiten gaan

schuif huizen dicht met boekenkasten
haal de lucht uit je hoofd

Gedichten lijken een beetje op wolken. Wanneer we gedichten proberen uit te rekenen zit het probleem ook vaak in de overgangen. Maar dan heb ik het dus niet over de vierde strofe van dit gedicht, waarin een bewering zonder leestekens (interpunctie ontbreekt bijna totaal in deze gedichten) zomaar overgaat in gebiedende wijs. Ik wil er niet echt een punt van maken, maar bij Bianca Boer is het de gewoonste zaak van de wereld.

De formule waarmee we een gedicht uitrekenen blijkt vaak een strikt persoonlijke. Ik herken in die formule in de tweede strofe mijn interpretatieregels voor een gedicht, maar een ander? Een ander haalt die interpretatie misschien zo weer onderuit, en dat kan heel goed als een koufront worden gevoeld. Of komt het koufront uit het gedicht zelf, als we beter lezen? Het lijkt sowieso makkelijker om zulke ‘depressies te mijden’ en ‘niet naar buiten te gaan’, dat is: de confrontatie met het gedicht, met het andere, uit de weg te gaan. We kunnen als lezer makkelijker in ons eigen beeld van een gedicht blijven geloven als we niet al te scherp lezen. Het gedicht moet daarvoor natuurlijk wel op tijd in een boekenkast verdwijnen, en de lucht – de overgeschoten verbeeldingsruimte – uit het hoofd worden gezet (al kan die mooie laatste regel ook betekenen dat we ons de lucht zelf moeten voorstellen, omdat die niet meer te zien is als we onze huizen dichtgeschoven hebben).
Soliditeit bestaat alleen in ons hoofd, lijkt dit gedicht ons te willen vertellen. Door de lucht uit ons hoofd te halen – de ruimte voor twijfel? – creëren we het (valse) gevoel ervan.

Tot zover deze interpretatie van dit gedicht, die mij een solide gevoel geeft. Hoewel het beslist niet de enig mogelijke interpretatie is, naar ik vrees. Door er morgen nog beter naar te kijken zal er ongetwijfeld een tocht met vele koufronten aankomen. Maar daar wil ik nu niet van weten. Mijn punt is enkel: een dichter beheerst de kunst van het weglaten; een lezer de kunst van het tevoorschijn toveren. En wat er tevoorschijn komt hoeft helemaal niet hetzelfde te zijn als wat is weggelaten! Een wollige wolken-waarheid.
Overigens hoeft dit niet te verbazen: wolken veranderen zeer gemakkelijk van vorm. Alleen de essentie – het ‘wolk zijn’ – blijkt uiteindelijk solide. Een ‘zijsprong over de soortgrens’, om maar eens met Erik Menkveld te spreken, is bij deze vage vormen snel gemaakt (zoals ook al uit de titel van de bundel ‘Vliegen en andere vogels’ blijkt).
Wat verderop in de bundel komen wij de dichteres bij een schoolreünie tegen:

MIDDELBARESCHOOLREÜNIE

een buik vol bubbelgum
tussen oranje linoleum en gevulde koeken
als ik hem weer zie

ruik ik verschaalde schoolfeesten
kus hem eindelijk drie keer
hij prikt door mijn gedachten

woorden van toen wuiven
helium in mijn longen
ik piep lege spreekballonnen

hij neemt ademloos zijn plek
weer in mijn lichaam

Opvallend hoe vaak in deze bundel kleuren ter sprake komen. Zou de dichteres zich daarvan bewust zijn? Ik vraag me het af: delven in het onderbewuste laat vaak ook veel van wat aan de oppervlakte komt zelfs nog onbewust. Oranje past hier trouwens wel: het geeft de sfeer iets feestelijks-opwindends. Maar om to the point te komen: dit gedicht bevat een goed voorbeeld van ‘een probleem in de overgang’. Hoe zit het namelijk met het woordje ‘in’, in de laatste regel? Door alle leestekens weg te laten bereikt de dichteres hier een meervoudigheid aan betekenissen.
Bij die mooie laatste regels zouden we – terwijl we het woord ‘ademloos’ lezen – misschien ook even aan het woord ‘solide’ kunnen denken (als we lucht – adem – als ruimte voor twijfel opvatten, zoals in het eerder besproken gedicht). Fraai. Dit gedicht neemt ademloos zijn plek in mij in. Tenslotte, om over en uit te stappen, nog dit gedicht:

VERGEET NIET UIT OF OVER TE STAPPEN

voor reizigers met een andere bestemming
uw trein staat nog gereed op spoor 3B
wanneer heb jij voor het laatst
iets voor het eerst gedaan
en wat was dat?

aan de voorkant van deze trein
zal een gedeelte bijgeplaatst worden

op de magneet zit een raaf
geen idee dat raven zo groot zijn
hij pikt verse vliegen
en resten van andere vogels
na tweeënvijftig uur zonder slaap
loop ik de dood voorbij
op dit station vindt extra controle plaats

Hier komt dus de titel van de bundel vandaan, die inderdaad een deel van een gewone zin blijkt te zijn. Geen vinken, maar een raaf die verse vliegen pikt en resten van andere vogels. En een ‘dood’ die na tweeënvijftig uur zonder slaap rustig voorbijgelopen kan worden in een zin, die het toestaat met betekenissen te schuiven. Juist doordat de interpunctie ontbreekt, moet ik erbij zeggen. Plaatsen we bijvoorbeeld een denkbeeldige punt na ‘loop ik de dood voorbij’, dan vindt er op dit station gewoon een extra controle plaats (hoewel ‘station’ ook als ‘leven’ gelezen kan worden, en dan leidt die extra controle wellicht alsnog tot de dood). Maar als we de regel laten doorlopen en de denkbeeldige punt pas achter ‘station’ plaatsen lijkt dit gedicht op een wat gekke manier te zeggen dat in een langer leven meer dingen gecontroleerd kunnen worden.
Normaal gesproken ben ik er niet zo’n fan van om alle leestekens weg te laten. Dat beperkt volgens mij eerder de uitdrukkingsmogelijkheden dan dat die erdoor toenemen. Alleen als het af en toe gebeurt (Tonnus Oosterhoff is daar een meester in) kan ik het waarderen. Het heeft ook iets van een goedkoop trucje, wanneer het altijd gebeurt, zoals in deze bundel (bijna). Maar ik moet toegeven dat de dichteres er vaak goed gebruik van weet te maken. Een aantal gedichten wint erdoor aan speelruimte. Deze poëzie maakt trouwens over het geheel genomen een speelse indruk. En dat bevalt me. Dat helpt als ik nu voor het laatst iets voor het eerst wil doen en houdt me als lezer fris. En wat misschien nog meer is: het geeft niet alleen een kans om het hart te luchten, maar ook het hoofd.