Recensie van Reflecties - Bernlef

Weten dat alles beantwoord wordt

Bernlef
Reflecties
Uitgever: Querido
2016
ISBN 9789021400754
€ 18,99
83 blz.

Bernlef geeft ons met zijn postume bundel Reflecties een inkijk in wat hem in de laatste jaren van zijn leven als dichter heeft bewogen. Opmerkelijk is dat hij, aan het einde van zijn dichterschap gekomen, trouw is gebleven aan enkele van zijn eerste liefdes. Dat betreft allereerst de modern-klassieke 20e-eeuwse muziek, veelal van tonaliteit en melodie ontdaan, gecomponeerd door de vooruitstrevende Oostenrijkse componist Anton Webern (1883-1945). Deze vertegenwoordiger van de Weense School ontworstelde zich aan de laatromantische stemming van zijn tijd. In zijn fragmentarisch opgezette composities kregen muzikale ogenblikken ‘onbewaakt/[…] even de ruimte om te zijn en vervolgens/ in zichzelf te verdwijnen//’. Daarnaast getuigt Bernlef opnieuw in enkele vertalingen van zijn bewondering voor de poëzie van de Amerikaanse dichter Elisabeth Bishop. Zij wist het ongewone in het gewone van de dagelijkse dingen vast te leggen nog voordat ze hun bestemming in een door mensen bedachte structuur hadden gevonden. Maar de lichtvoetige, expressieve liefdespoëzie van de Griekse dichter Sappho is misschien wel bij uitstek in deze bundel een inspiratiebron geweest vanwege het reflecterende karakter van haar poëzie en de daarin aanwezige, subtiele en trefzekere observaties van de wereld om haar heen.
Nu het ‘lek in het zwijgen’ voor Bernlef na zijn overlijden in 2012 is gedicht, is hij ‘op voet van gelijkheid met de goden’ gekomen. Hij is gedurende zijn dichterschap voortdurend bezig geweest met de vraag naar de vergankelijkheid, het ontstaansproces van poëzie, de verhouding tussen zien en zwijgen, tussen traditie en vernieuwing, en de mate waarin de taal van de poëzie vastzit met haar tentakels aan de wereld. In deze bundel zijn er opnieuw reflecties op deze vragen te vinden.

De bundel bevat vier afdelingen met gedichten en enkele vertalingen, merendeels in een bijna voltooide staat. In de vierde afdeling staan enkele vertalingen van gedichten van Elisabeth Bishop. Bishop heeft vanaf het begin van zijn dichterschap Bernlefs belangstelling gehad. Haar distantiërende en gedetailleerde weergave van de werkelijkheid raakte hem, zonder dat ze in haar beschrijving een vrijblijvendheid aan de dag legde. Ze was hem tot een voorbeeld. Zoals hij het in zijn eerste essaybundel Wie a zegt (1970) omschrijft: ze lijkt door het verkeerde eind van de verrekijker de werkelijkheid te observeren. Dat brengt de beelden vanwege de afstand naar een imaginair niveau.
Een omvangrijk aantal gedichten in de eerste afdeling is geïnspireerd door de poëzie van Sappho. Deze afdeling opent met de mysterieuze versregels: ‘Na al die jaren-/ nooit een vrouw te zijn geweest/ al was het maar voor één seconde.//’. Dit kunnen alleen maar de woorden van een man zijn die uit bewondering voor de poëtische fragmenten van Sappho zich wenst over te leveren aan vergelijkbare bespiegelingen over liefde, leven, de ander en zichzelf. Uiteenvallende woorden, ‘volzinnen losgetornd uit hun verband’, het ‘verkeerde hebben verstaan’ of ‘het vergeten zijn’ speelt een beslissende rol in de gedachtespinsels van de ik. Hij is op zoek naar waarin de zin van het leven gelegen is. Die zin is terug te vinden op scherven, in een oogopslag, maar die laatste is onmogelijk vast te houden, of een streling:

Waar is de opslagplaats van strelingen
worden ze ergens bewaard
of heb ik ze meegegeven aan wie ik ze schonk?

In dit soort uitspraken herkennen we Bernlef als de dichter van de vergankelijkheid, het stilzetten van de tijd, het zwijgen en het waarnemen van de subtiele verschuivingen, veranderingen en bewegingen in de werkelijkheid van alledag. Hij beseft dat alles vergankelijk is, en niet beklijft:

Sterven is een kwaad
de onsterfelijke goden, al lachend
moesten hun woede koelen.

Het is hem duidelijk dat ‘ …de weg naar de grote Olympus/ […] voor mensen niet begaanbaar… //’ is.
Die voorbijgaande aard van de mens ligt ook besloten in de tweede afdeling, gewijd aan Anton Webern en zijn muziek. Opnieuw gebruikt Bernlef op zichzelf staande disticha, terzinen en kwatrijnen als versvorm. Deze versvormen met hun aforistische inslag lenen zich goed voor een bespiegeling. Bernlef heeft in deze verzen de mens en componist Webern naar zichzelf toegeschreven. Trilling, beweging, gang, reprise, het zijn begrippen die de entourage van een concertuitvoering lijken uit te stralen. Ze doemen op in de ‘deemstering’ van deze verzen. De maestro dirigeert in een maatvoering en in een context, opdat Bernlef er zijn eigen thematiek en motieven in kan laten rondzweven. Tegen de decors van flarden natuur en stukjes werkelijkheid voltrekt zich de ‘Lediggang van de eerste schreden: louter geuren en vermoedens//’. De stilte van vallende druppels, het vergeten van wat is gespeeld, een fraaie stem die niet anders lijkt te zijn dan ‘achtergebleven confetti’, vullen de poëtische wereld van deze afdeling. De geluiden die op uitademing lijken, laten zich moeilijk thuisbrengen. Dan komt er ineens een ouderwetse muziektent met ijzeren spijlen in beeld die langzaam verijlt en waarvan het dak zweeft. Een ontstaansmoment van muziek, van poëzie dient zich aan:

Het lege schaakbord
ogen zien mogelijkheden
de gedroomde openingszet

De afdeling eindigt met het ontnuchterende:

Hoe eeuwig leek de sneeuw
nu de dooi is ingetreden
het pizzicato van kwikzilveren druppels.

De derde afdeling ‘Glossy – Het meisje’ is een 14-delige cyclus waarin de innerlijke beweegredenen worden getoond van een fotomodel dat haar identiteit ontleent aan haar publieke verschijning in glossybladen en op foto’s die haar meer dan levensgroot afbeelden in bushokjes. Ze vertegenwoordigt een door Bernlef geïroniseerd wereldbeeld en een gedigitaliseerde levenswijze die veel jonge meisjes aanspreekt: de status van het bekend en beroemd willen zijn in beeld en op papier. Dit fotomodel moet een ‘lightversie […] worden van zichzelf’. In haar stoutste dromen wenst ze ‘zo licht [te zijn] dat niets aan haar beklijft.//’. Zij beleeft haar uitgebreide vriendenkring op Facebook. Ze leeft in de gesloten droomwereld van de glossybladen. Ze poetst zichzelf op tegen beter weten in. De vraag die haar telkens weer beklemt, is: ‘Hoe kom ik over zonder mijzelf prijs te geven?/’. Eén van haar antwoorden luidt: ‘Ik wil wel van deze wereld zijn, maar niet in het openbaar/’. Deze paradox van gezien willen worden en onzichtbaar blijven voor de buitenwereld beheerst haar doen en laten, in de hoop dat: ‘alles wat beweegt, mij passeert, mij hier niet ziet staan.//’ op de foto in het bushokje. Zodoende vervreemdt ze van haar naaste omgeving en van zichzelf. Haar verhaal krijgt in het laatste gedicht bijna een metafysische dimensie als zij zich flexibel neervlijt in een fauteuil en zich als een geisha voelt:

die voortgeroeid wordt op een zee van tijd
glijdend naar een in raadselen gehulde overkant.

Op dat punt aangekomen moeten we concluderen dat het glossymeisje geen antwoord weet waarom ze doet wat ze doet, en wat de zin van dit alles is.

Bernlef is zijn leven lang gefascineerd gebleven door wat werkelijk is, door identiteit, het vergeten, het verdwijnen en het verschijnen. Deze scherpzinnige waarnemer heeft nooit de allure van een helderziende willen aannemen, hoezeer hij ook besefte dat er een werkelijkheid is die aan ons voorbijgaat. Het zij hem gegund, ‘glijdend naar de in raadselen gehulde overkant’, dat hij antwoord heeft gekregen op al zijn essentiële vragen. In ieder geval heeft hij ons met zijn poëzie een eindje op weg geholpen.

***

Bernlef (1937-2012) is vooral bekend als roman- en verhalenschrijver. Zelf beschouwde hij zijn dichterschap als de inspiratiebron voor zijn schrijverschap. Meer dan 25 dichtbundels heeft hij op zijn naam staan. Met zijn bekroonde bundel Morene (1961) zette hij hoog in. De bundel De kunst van het verliezen (1980) en De noodzakelijke engel (1990) betekenen keerpunten in zijn oeuvre. Het zien en zwijgen, het verschijnen en verdwijnen vormen kernthema’s. Daarin laten de vergankelijkheid, de vluchtigheid en de schoonheid van het ogenblik zich vangen. Van een dichter die zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid wilde blijven, kregen de taal, de stijl en de vormgeving steeds meer zijn aandacht. In zijn laatste bundels Dwaalwegen (2004) en Kanttekeningen (2010) krijgt de metafysica in zijn agnostische levenshouding steeds meer voet aan de grond.

 

Recensie van Voorgoed. Gedichten 1960-2010. Een keuze - Bernlef

Het onnavolgbaar ogenblik

Bernlef
Voorgoed. Gedichten 1960-2010. Een keuze
Uitgever: Querido
2012
ISBN 9789021441856
€ 39,95 (E-book €24,95)
536 blz.

De lavendelkleurige omslag van Bernlefs Voorgoed. Gedichten 1960-2010. Een keuze herinnert je aan de Provence. Daarbinnen verraden deze aan de vluchtigheid ontsnapte gedichten een wereld van vragen, twijfels, observaties, stemmingen, af- en overwegingen. Deze poëzie is gerijpt door de tijd. Ze vloeit uit de pen van een dichter die alert is op alles wat aan verandering onderhevig is. Aanleiding voor deze uitgave: Bernlef werd 75 jaar en kijkt terug op vijftig jaar gelauwerd dichterschap. Een dichterschap dat zeker niet voorgoed voorbij is.
Deze nieuwe verzameling bevat een scherpere selectie uit de bundels tot en met 1990 dan eerder het geval was in Gedichten 1960-1970, Gedichten 1970-1980 en Achter de rug (1997). Het accent ligt op de laatste zeven bundels. Het zou nu te ver voeren om te achterhalen wat Bernlef in zijn selectie op dit moment zelf als de thematische basso continuo in zijn werk beschouwt. De dichter raakt losgezongen van zijn eigen gedichten. Hij leest erin wat hij er nu in herkent. Voor mij is een doorlopende lijn zijn in de werkelijkheidservaring traceren van het onnavolgbare ogenblik, zoals hij dat onder meer doet in het gedicht ‘Cirkel’:

CIRKEL

Alvorens de cirkel te sluiten
keek hij nog één keer om zich heen
zag hoe de meeuw in de gevel verdween

stof het uitzicht smoorde
met een stormgordijn, de laatste steen
zich opmaakte om te verdrinken.

                              Onnavolgbaar ogenblik

waarin sterren hem te binnen schoten
en de uitgesleten drempel vonkte onder
zijn allereerste stap: hij was alleen

en de ontsluiting vond plaats. De hand
van de uitgedreven geliefde cirkelde
boven het pasgeboren lijk. Hij was gesloten.

Dit gedicht uit de bundel Niemand wint (1992) vormt een gesloten wereld. De hij observeert en ziet een meeuw een gevel invliegen. De observatie van deze natuurlijk gang van zaken wordt belemmerd door een gordijn van stof. In datzelfde moment van stilstaan zweeft er die mysterieuze hand van de geliefde boven het ‘pasgeboren lijk’. Orpheus op zoek naar Euridyce!? Een gedicht!? Een onnavolgbaar ogenblik. Dat zijn de momenten waar Bernlef in zijn poëzie altijd op uit is. Vastleggen wat zich niet meer bij herhaling laat terugzien.

De dichter en componist Micha Hamel probeerde dat onnavolgbaar moment in zijn muziekvoorstelling De Rode Kimono in het Holland Festival 2012 ook uit te beelden door de uniciteit van het originele doek van George Breitner (1857-1923) te herhalen door met behulp van de moderne media de unieke, vervreemding oproepende kijkervaring opnieuw in de toeschouwer op te wekken. De reproduceerbaarheid van het kunstwerk heeft in de visie van de filosoof Walter Benjamin dan wel het schilderij zijn uniciteit doen verliezen, maar de beelden van het schilderij gaan na een intensief bekijken toch weer een geheel eigen rol in de eigen tijd en ruimte van de toeschouwer innemen. De voorstelling verkrijgt daarmee in hem opnieuw haar eigen uniciteit. Daarin haakt hij net als Bernlef naar de oorsprong van de dingen.

Zo’n omvangrijke verzameling gedichten laat zich moeilijk op zijn volle waarde schatten, maar ik zal een poging doen door stapsgewijs mijn intuïtieve willekeur te volgen en wat goud aan de oppervlakte te brengen dat mij wezenlijk voorkomt voor deze poëzie. De bundel Winterwegen (1983) opent met het gedicht:

MEER IN DINGEN DAN IN MENSEN

Omdat de dood in mensen huist
de buitenkant van dingen is
kan ik alleen in dingen leven zien

Hun stug en tegendraads bestaan
hun onverminderd staren in het zicht
van de mij toegemeten jaren

Daarom zie ik meer in dingen dan in mensen
die een mens die in mij groeit
in richting en in zwijgen naar hen toe.

Je zou dit gedicht als een geloofsbelijdenis van een humanist kunnen opvatten. Bernlef moet niet veel hebben van hogere werkelijkheden en oncontroleerbare bewustzijnsverruimingen. Zijn poëzie is altijd geënt op geziene situaties en plaatsen in de werkelijkheid. De dood omgeeft het leven. Mensen komen uit de dingen voort en keren ernaar terug. Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. ‘Hun stug en tegendraads bestaan’ en hun ‘staren in het zicht/ van de […] toegemeten jaren//’ laten iets van de moeite, de machteloosheid en de afloop zien. De ik beschouwt zichzelf als een mens die groeit in de richting van de dood ‘en in zwijgen naar hen toe//’. De dichter weet zijn spreken omgeven door het grote zwijgen. Ligt daarin dan misschien de harmonie besloten die hij in zijn poëzie zoekt? Het zwijgen ligt bij Bernlef dicht naast het spreken. De momenten van stilte kunnen bij hem heel veelzeggend zijn. In zijn gedichtencyclus over de jazzmusicus Steve Lacey spreekt hij van een ‘toon die verliefd/ zwicht onder eigen soortgelijk gewicht.//’ […] ‘Eindelijk valt de stilte te snijden.//’.
Met het onnavolgbaar ogenblik van zijn dichterschap hangt ook het plotse inzicht samen, zoals hij dat verwoordt in de tweede strofe van het gedicht ‘Inzicht’ uit de bundel Niemand wint (1992):

Het luik naar de innerlijke wemeling klapt open –
zoals je vroeger onder een steen en net als toen
terugdeinst voor die razende paniek
rond het bestaan van een naam.

Die plotse inzichten doen zich voor in de tijd. De tijd wordt door ons brein gereguleerd. Een foto in de krant legt daarvan getuigenis af. Naarmate we ouder worden lijkt de tijd sneller te verlopen dan in onze jonge jaren: Wat die arts uit Perugia uit het gedicht ‘Rode radijs’ uit de bundel Aambeeld (1998) die door de vloer van een Etruskische grafkamer zakte, […] gezien had/ in een flits/ daar diep beneden’ wekt verwondering:

Omringd door urnen
versierd met figuren
bukkend naar iets.

Eén ogenblik maakte hij
deel uit van het grote mozaïek.

Dit inzicht is weer zo kenmerkend voor Bernlef. Een onnavolgbaar ogenblik waarin iets zich openbaart dat zich even onttrekt aan de alledaagse werkelijkheid.
Bernlef is een reizende en vertalende dichter met een brede interesse in de westerse cultuurgeschiedenis. Beeldende kunsten, klassieke (jazz)muziek vormen voorname bronnen van inspiratie. Hij herkent zich in de woorden van de Argentijnse dichter Roberto Juarroz:

De aard van de zaak is niet de dood of het leven.
De aard is iets anders
Dat soms aan de oppervlakte komt.

Een onnavolgbaar moment. De grote gebaren van de kunst en de kunstenaar die haar beoefent, stelt Bernlef treffend naast de ranke vliegbewegingen van de scherende zwaluwen in het gedicht ‘Conservatorium’ uit de bundel Kiezel en traan (2004). De ramen van het conservatorium staan open. Klanken vliegen naar buiten toe. De vleugel klinkt jammerend.

In het park scheren de zwaluwen het gras
oogsten wind en insecten

Hoe te leven? Voor wat?
Grote vragen waarop kleine antwoorden passen
zo precies als deze zwaluwen die geven

De speler houdt op en gooit de klep van de vleugel dicht. Wat doet het er allemaal toe? En toch ligt het antwoord in de overgave aan de dingen, zonder er een competitie mee aan te gaan. De waarde van het leven toont zich aan de gracieuze vlucht van de zwaluwen. Het gaat om niet. Niet voor de winst, zou de filosofe Martha Nussbaum zeggen. Niet in het antwoord maar in de vraag ligt de drijvende kracht van Bernlefs dichterschap.
In Bagatellen voor een landschap (2001) stelt Bernlef zich op als een ware veldbioloog met oog voor het detail:

Alsof kleuren je de rug toekeren
je het palet ontzeggen en je het
neerleggend alleen nog maar kunt zien
hoe zij daar in het verborgene gloeien

Zoals zij mij met half afgewend gelaat
het meeste zegt, verstrikt in zwijgen
en haar gebaar door het open raam
de lege hemel binnen waait.

Het beeld van het in het verborgene gloeien van het kleurenpalet in vergelijking tot het veelzeggend zwijgen van de ander. Observaties geheel eigen aan Bernlef. Als geen ander weet hij die terughoudendheid, maar vooral de eigen werkzaamheid van de dingen je mee te delen. In het verborgene, het vervagen, het verbleken, de stilte, het zwijgen ligt het geheim van het leven verborgen.
In het gedicht ‘Bij het lezen van een dichtbundel’ uit de bundel Kiezel en traan (2004) lezen we:

Waarom zoveel betaald
voor een zo dunne bundel?

Om de afwezigheid van woorden
om de aanwezigheid van een vermoeden

Je kijkt naar buiten en
net als hier is daar niets
dat het zwijgen wil verbreken.

Dat vermoeden is zo veelzeggend. Afwezigheid roept vermoeden op en zet de creativiteit van de lezer aan de gang. Het gaat Bernlef om wat er niet is, om

[…] waar het gedicht niet kan komen
de woorden elkaar afstoten als atomen

Dit is wat men noemt ‘het vrije veld’
het kent horizon noch grenzen

zoals hij dat zegt in het gedicht ‘Het vrije veld’ uit de bundel Dwaalwegen (2008).
Het is ook de plaats waar, Nijhoff indachtig,

Hoger honing is hier heel gewoon en mensen
dwazer dan bijen rijden gedachteloos aan hen voorbij
bijenvolken zwermen uit naar stoeptuinen en bermen.

(‘Voor de bijen’, Dwaalwegen.)

In die wereld neemt de muziek een belangrijke plaats in, zoals in het gedicht ‘Concert’ uit dezelfde bundel:

Als God bestond (of liever nog Franz Schubert)
zou het te laat zijn voor dit geacht publiek
ten onder zou het gaan in een woedende koliek;
wat haat hij hun devotie, nog harder slaat hij aan
om ze te laten sterven zoals deze muziek
die zich noot voor noot aan de stilte overgeeft.
Dan volgt het daverend het applaus dat aan alles een einde maakt.

Weer dat wegsterven naar stilte. Ook al vraagt Bernlef zich in het gedicht ‘De godsdienst’ (Kanttekeningen, 2010) af waarom sommige mensen een hang hebben ‘naar knieval en bidprent/ naar offeren en lijden/’, ik hoop dat Bernlef nog even blijft bedelen aan het verkeerde adres van de woorden. De onvermoeibare wijze waarop hij tot in zijn laatste bundel Kanttekeningen aan toe probeert met zijn oog tot op de kern van de ideeën door te dringen en door het ‘overgepolijste’ van de gladde oppervlakken tracht heen te kijken, zoals in ‘De schoonheid’:

Terug naar het origineel, terug
naar de tijd die zijn werk doet
en geschiedenis schrijft op de huid
zodat ik ze weer lezen kan voor wat ze zijn
deze reukloze meisjes die parfums aanprijzen
achter de dubbele beglazing van de abri’s.

Terug naar het onnavolgbare moment van de ‘Oorsprong’ uit de bundel Wolftoon (1986):

Dit is het zuiverste moment waarop je zelf
afwezig bent, de eerste zin tot trillen komt
en prompt gevolgd door een tweede waarin
je het komende gedicht herkent maar ook de toon
steeds zwakker klinkt van wat er daar in oorsprong zong.

Recensie van Kanttekeningen - Bernlef

Ideeën in de marge van het gewone leven

Bernlef
Kanttekeningen
Uitgever: Querido
2010
ISBN 9789021438757
€ 17,95
64 blz.
De Ziel

De ziel is in diepste wezen zielig. Op ieders lip slaagt zij
er maar niet in substantie te verwerven.
Begrensd door ene begrip dat loos is, zonder materie
is zij niet meer dan het woord dat haar benoemt
zielsveel, met hart en ziel, zieltogend: niets dan taal.

Daarom raakt dit gedicht aan niets en
slaat bij iedere regel de plank steeds verder mis.
Toch wil ik haar niet missen: meer dan
de som der delen waaruit zij bestaat
verspreid in de oplichtende banen van het brein

Op de monitor van de intensive care
zien wij haar ten slotte wegvluchten in een punt.
Wat achterblijft: het zielloos lichaam
en de zekerheid dat iets verdwenen is
dat niet bestaan kon maar er toch was.

Plato zocht naar kennis waaraan men niet behoeft te twijfelen. Zij is niet in deze wereld, maar voorbij deze wereld, in het Rijk der Ideeën of Vormen. Wij mensen dragen het onveranderlijke wezen van de dingen, zoals de kleur, de liefde, de schoonheid, de zuiverheid nog rudimentair in ons. Bernlef heeft in zijn nieuwe bundel Kanttekeningen (2010) zijn ideeën over fundamentele verschijnselen, gewaarwordingen en ervaringen in krachtige gedichten bijeengebracht. Ze lijken zijn kleine ideeënleer in kort bestek te bevatten. Alle titels beginnen met het bepaald lidwoord ‘de’ of ‘het’: ‘De eeuwigheid’ en ‘Het niets’.

Bernlef ontpopt zich in zijn nieuwe bundel als een dichterlijk filosoof van de lage landen. Hij plaatst in terugblik kanttekeningen in de marge van het leven en gaat daarvoor in vogelvlucht langs onze levensfasen van de jonge jaren tot de ouderdom. Elk leven verloopt van een onbegrepen er zijn naar een besef dat ‘het niets aangenaam gevuld met weinig’ is. ‘Het begrip eeuwigheid gaat ons verstand te boven/ gekluisterd in dit heden staren wij naar dingen/ die ons dierbaar blijven: tafels en stoelen/ in lege kamers waar wij eens druk pratend zaten.//’

Dit soort diepzinnige versregels komen veelvuldig in deze bundel voor. Ze geven stof tot nadenken. Veel gedichten weten je ertoe te verleiden niet door te lezen maar nog een keer hetzelfde gedicht te herlezen. Bernlef heeft zich in de loop van zijn dichterschap steeds meer ontwikkeld tot een dichter die de vraag meer omarmt dan het antwoord. Twijfel gaat bij hem boven zekerheid. Een gezond wantrouwen begeleidt hem op zijn dichterlijke pad. Schijnbare tegenstelling en omkering hebben zijn voorkeur als hij de menselijke conditie beziet. De lezer wordt flink aan het werk gezet. Aan hem verwante dichters als Lars Gustafsson, Tomas Tranströmer en John Ashbery hebben in hun poëzie eveneens die filosofische onderstroom. Hun werk is in ruime mate door Bernlef vertaald. Hij kent hun werk door en door en zijn eigen werk begint er ook van doordesemd te raken. De Franse filosoof Bergson noemde dat het vitale elan ‘door niets voortgedreven dan zichzelf/ nergens op zoek naar een doel tot/ het zich doodloopt in eigen verspilling/ bezwijkt onder tomeloze overdaad.//’
De identificatie ermee en de intelligente toe-eigening ervan werpen in deze bundel haar vruchten af.

Het openingsgedicht ‘De eeuwigheid’ opent met het zicht op een desolaat landschap. De wind waait over het land, heeft alle tijd van de wereld en schenkt het landschap zijn geschiedenis. ‘Landschappen zijn geen zielstoestanden/ maar sommige zielstoestanden zijn landschappen’//’ Die zinsnede gaat precies aan waar het in de bundel omgaat: zielstoestanden in kaart brengen.
In het gedicht ‘De Blues’ drukt Bernlef zich in muziektermen uit over de menselijke conditie: ‘Verdriet loopt nooit te koop, tooit zich/ in wilskrachtige dracht, zoals de man/ die een moer aandraait tot hij muurvast zit/ en dan een ogenblik uitrust, met tegendraadse blik.// De verminderde kwint klaagt geen moment/ maar speelt op als een mond wordt gesnoerd/ en woorden tot weeklacht raken gesmoord.//’ […] ‘verminderde kwint/ die al het verdriet in banen leidt/ zo helder dat horen en zien er vergaan.//’ De mentale druk van de omstandigheden mag ons niet onze stemming ondermijnen. Tegen beter weten in de moed erin houden met muziek als medicijn.

Graag draait Bernlef opvattingen in hun tegendeel om. De achterkant van het gelijk heeft zijn voorkeur. Zo ook in het gedicht ‘De eenvoud’: ‘Allerminst kenmerk van het ware/ wie dat zegt kijkt slecht om zich heen./ O, het begint onschuldig genoeg/ een enkele grasspriet, ene openbarstende knop,/ maar dan duiken er plotseling overal minuscule beestjes op.//’. En dan komt het: ‘Leven gaat gepaard met wildgroei/ niets blijft op zijn plaats, alles wil tot aan de rand toe/ en voor je het weet raakt de tuin overwoekerd/ het huis bedekt met een dikke deken van mos.//
Bergson noemde dit ‘het vitale elan’/ door niets voortgedreven dan zichzelf/ nergens op zoek naar een doel tot/ het zich doodloopt in eigen verspilling/ bezwijkt onder tomeloze overdaad.//’. Daarna begint de overwoekering en de aftakeling. ‘Is dat soms de aantrekkelijkheid van eenvoud:/ dat zij blijft dromen van het volle leven/ toen het hier nog ene en al glans en glinstering was/ eenvoud niets dan het terugverlangen naar het eens zo complexe?//’.
Het is typisch voor het latere dichterschap van Bernlef dat hij het vanzelfsprekende inzicht wantrouwt en probeert dieper door te dringen in de essentie van de dingen, wetend dat hij zal blijven rondcirkelen in een niet weten en een verlangen ernaar dat op te heffen.

Zo fascineert hem als niet-gelovige de religieuze beweegredenen van mensen die proberen ‘een sluitend bewijs’ te vinden voor de reden van hun bestaan op aarde, terwijl ‘het blijft spoken achter de gordijnen’ van hun woningen. Het komt hem voor dat ze als kinderen geloven in sprookjes, terwijl de verdwijnmantel wel degelijk bestaat ook als je volwassene bent. Kijk naar de dieren, aldus de dichter, kijk hoe zij met deze vraag omgaan: ‘geen verhaal/ geen theatrale gebaren, alleen `zijn dagelijkse gang/ tot het zich terugtrekt uit het gedrang en alleen/ maar niet in eenzaamheid gaat liggen/’.

Beweging, permanente verandering is ons deel. Je bent fysiek en psychisch al veranderd sinds je deze recensie begon te lezen: ‘Dag en nacht gaat er van alles in je dood/ dat jij ervaart als een levensteken:/ die gemene steek linksboven, kramp in je darmen/ je hoofd al danig uit het lood: ‘daar ga ik’./’. De dood loert overal. Waar blijven we na onze dood? Een fluistering als een tochtstroom door een open raam lijkt ‘wel uit gene zijde van jezelf te komen/ je had zo graag je ouders nog eens teruggezien/ maar die zitten veilig opgeborgen in je brein/ het zal nog wel even duren voor ze hier zijn.//’. Typisch voor Bernlef dat hij in dit vers die beweging van buiten hemzelf toch weer vanuit zichzelf laat komen en in zichzelf laat eindigen. Hij voelt iets van oneindigheid in zichzelf werkzaam, maar schermt zich er ijlings voor af. Het religieuze onttrekt zich nu eenmaal aan ons denken, overigens niet aan ons ervaren en gewaarworden.

Zo nu en dan hebben de gedichten een wat te proza-achtige zegging, zoals in het gedicht ‘De Angst’: ‘Hij heeft er wel over gelezen, misschien zelfs gepubliceerd/ maar weet niet wat het is door angst overmand te worden/’. In dit gedicht geeft hij op de grens van deze versregels hoe we van onze angst kunnen afkomen, of eigenlijk niet kunnen afkomen als we onszelf vanwege de angst van het leven beroven. Dat schept een nieuw probleem. Maar de omkering zit er opnieuw weer in. Bernlef probeert voortdurend onze vanzelfsprekendheden op hun ondoordachtheid te betrappen.

In het gedicht ‘De Ziel’ speelt dat besef van religiositeit en bovenzinnelijk besef weer op. De ziel slaagt er niet in’ enige substantie te verwerven’. Zij is een loos begrip, zij is niet meer dan een woord dat haar benoemt. ‘Daarom raakt dit gedicht aan niets’. En dan komt het: ‘Toch wil ik haar niet missen: meer dan/ de som der delen waaruit zij bestaat/ verspreid in de oplichtende banen van het brein/’. Een hoopgevende strofe vormt het einde van dit gedicht, waarin hij aangeeft dat, wat niet te zien is, toch zich als een bijzondere aanwezigheid aan hem manifesteert. Iets van het levensmysterie. Dit soort openingen naar het levensgeheim maakt deze poëzie intrigerend en spannend om te lezen. Met deze gedichten laat Bernlef zien dat hij volop geïnteresseerd is de actuele publicatiestroom over het menselijke brein. Die maatschappelijke interesse heeft altijd al min of meer een belangrijke plaats ingenomen in zijn oeuvre. Dat gegeven maakt ook deze nieuwe bundel voor mij aantrekkelijk.

Hij eindigt zijn bundel met het gedicht ‘Het Niets’. ‘Het niets aangenaam gevuld met weinig’. Zoiets als pure stilte is het. Midden in een woestijn hoorde hij ooit eens niet de stilte, maar het stromen van zijn eigen bloed, het kloppen van zijn hart. Alle levensbesef is uiteindelijk aan en in jezelf te vinden en te ervaren. Ten slotte komt de dichter als een reddende engel in dit lege universum zichzelf en ons te hulp: ‘Want zelfs als er niets te zeggen valt blijven woorden bonzen/ stromen als het weinige dat ons rest.//’ Hij kan het echter niet nalaten zichzelf op het laatst alle pretentie het raadsel te hebben opgelost te ontnemen, door te spreken van concepten die uitlopen op geredekavel zoals deze gedichten: “Maar ook de dichters van het wit/ gaan aan het slot in het zwart gekleed./ Na het woordje “einde” staan alle woorden open.//’.

Recensie van Dwaalwegen. Gedichten - Bernlef

Mijmerende invallen, dwaalwegen van Bernlef

Bernlef
Dwaalwegen. Gedichten
Uitgever: Querido
2008
ISBN 9789021434551
€ 16,95
81 blz.

‘Hier waar het gedicht niet kan komen/ de woorden elkaar afstoten/ dit is wat men noemt ‘het vrije veld’. Met deze ironische aanzet zet Bernlef de bakens uit voor Dwaalwegen, zijn jongste dichtbundel die gekruid is met de klassieke Bernlef-ingrediënten, zoals daar zijn: de onkenbaarheid van de werkelijkheid, het afwezige en de onmogelijkheid om datzelfde afwezige in taal te vatten. ‘Dwaalwegen’ is in dat opzicht een metafoor die goed de vertrouwde Bernlef-lading dekt want, zo gaat het openingsgedicht verder: ‘Toch moet het hier ergens zijn, beginnen/ wat men later zijn herinneringen noemt / Maar nu nog een toestand waar geen mens/vat op heeft, waarvoor geen woorden zijn’.
Dat wordt een potje gevat omcirkelen van de leegte, denk je als goedmenende lezer en inderdaad, dat is wat de daaropvolgende tachtig pagina’s doen: onbestemd erop los mijmeren in een vorm die aan gedichten doet denken maar zich zelden waarmaakt als een echt gedicht. Ik zal me niet wagen aan een sluitende definitie van wat een tekst tot een gedicht maakt. Maar ik denk dat velen het met me eens zullen zijn dat ‘Ook al is de piste leeg/ klinkt daar nog het hoefgetrappel/ van de lippizaner’ een onbenullig verwoord afwezigheidsbeeld is; dat ‘Scherp maar naar de kern toe/ steeds verder vervagend’ een would-be haiku omschrijving is van schaduwen; dat ‘Wat dit betekent?/ Het voorbijgaan van tijd, meer niet./ Niet meer?’ een vermoeiend spelletje woorden omkeren is; dat ‘Een aanzoemende bij weet precies/ wat hij zoekt: eerst zien, dan eten.’ niet alleen een monster van een dichtregel is maar zich bovendien ook nog eens aan onovertroffen pseudowijsheid bezondigt; dat ‘De ware kunstenaar heeft het nakijken/ ziet van hem af en schept met de hand/ de leegte die de vogel achterliet, de tak waarop hij zat/ nog lichtjes trillend boven de stromende rivier.’ eerder de prijs van de flauwe woordspeling verdient dan het predicaat ‘gedicht’.

Gênanter wordt het wanneer het stijlmiddel ‘humor’ op de proppen komt:

Een duif is geen vogel
een duif is een steen

die wanhopig probeert zich te voegen
in de muren van de huizen. (…)

Van dergelijke voor het oprapen liggende woordspelingen wemelt het in Dwaalwegen. Soms ontaardt de humor in pure onderbroekenlol, zoals in het gedicht ‘Processie’, waar ik hier even ruim uit citeer voor het geval men mij van overdrijving zou verdenken:

Terwijl iedereen devoot zijn blik ten hemel hief
hield hij de zijne op de teder uitgestulpte anus van het paard gericht
rond en dampend vielen de vijgen voor hem neer

Hij bukte (god of de natuur had hem en tonsuur geschonken)
en schoof ze een voor een met zijn korte bezem op het blik
net als de paarse prelaat die voor hem liep volledig in zijn werk verdiept

Heilige Maagd Maria, moeder Gods, mompelde het volk en
weer viel een vijg en toen een regen kleinere
alsof het paard gevolg gaf aan hun bede
(…)

Daar kan zelfs de eerste de beste folkloredichter niet aan tippen en dan heb ik nog niet de laatste in diepzinnigheid overslaande regel geciteerd: ‘(misschien telde hij de vijgen/ voor hij ze van het blik omzichtig in een jutezak liet glijden)’.

De bundel besluit met een reeks vormeloze en weinig geïnspireerde gedichten over uitvinders (Daguerre, Sax, Nobel, et cetera) die de titel van de bundel nog eens in herinnering moeten brengen: gedichten en uitvindingen komen tot stand langs de dwaalwegen van de geest. Helaas voor Bernlef heeft zijn gedool en gedwaal weinig opgeleverd. Indien dit manuscript anoniem op de redacteurstafel van de uitgeverij was beland dan had elke redacteur de publicatie ervan verijdeld. Maar in het geval van een gevierd schrijver als Bernlef heeft men blijkbaar van elke kritische ingreep afgezien en blijft er niets meer dan een wegdwalende bundel met mijmerende … ja, wat? … invallen.

*****

Bernlef (1937) schrijft gedichten, romans, verhalen, toneelstukken en essays. Zijn poëziebundel Morene kaapte in 1962 de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam weg. In 1984 werd zijn volledig oeuvre bekroond met de Constantijn Huygensprijs en in 1994 werd hem de P.C. Hooft-prijs toegekend voor zijn poëzie.