Recensie van Ghostwriter - Kurt de Boodt

De anonimiteit van de ghostwriter

Kurt de Boodt
Ghostwriter
Uitgever: Wereldbibliotheek
2015
ISBN 9789028426078
€ 19,95
80 blz.

Een ghostwriter kruipt, op verzoek en tegen betaling, in de huid van iemand anders, en schrijft onder diens naam. Dat doet hij omdat hij het beter kan dan die ander, omdat de ander geen tijd heeft, of omdat het onderwerp te beladen is, precair, of een voor de opdrachtgever te grote emotionele impact heeft.

Kurt De Boodt schreef een dichtbundel met de titel Ghostwriter, en het eerste wat ik mij afvroeg was of hij op iemand doelde in wiens huid hij, als dichter, gekropen was.
Onder de titel Ghostwriter vallen het eerste gedicht, en de laatste twee gedichten van de bundel. Het eerste gedicht stelde mij in de beginregels meteen voor een raadsel:

1 – hersenwindsels

Schrik niet, beeld.

Ik denk wat u zegt
ik ben wat u denkt
ik ben wat u leest
in het ochtendblad

Ik ben de ramp die kansen biedt
de crash die landen bindt
de oppositie aan de macht
de ondergang van de ochtendstaat
de oplossing van het instantogenblik
de hoop op krasse oude dagen
enz.

Schrik niet, beeld.
Heeft hij het tegen mij? Het beeld dat hij van mij heeft? Wordt ook alles wat ik denk door een ander ingefluisterd? Is de ghostwriter het totaal van menselijke ervaring? 

(..)
Ik schrijf uw spinsels in het klad
ik spin uw bevindingen in de dop
ik sluit en ontsluit hersenwindsels.

Hier heb ik het voor het zeggen.

Volg blindelings mijn intuïtie
neem mij op mijn woord
vertel mij onverkort voort.

Volg trouw de aflopende autocue
ik geef stem aan uw oortjes
gehoor aan uw diepste gedacht.

Zwijg en noteer:

ik heet wat ik u dicteer.

Blijkbaar bevinden we ons in een tv studio, waar van ons verwacht wordt wat via de autocue en de oortjes lees- en hoorbaar wordt door te geven.
De ghostwriter als vertolker van de actualiteit, die in deze gedichten een hoog politiek gehalte heeft, en die, of we nu willen of niet, niet nalaat om een indruk op ons achter laat die wij door moeten geven, en doorgeven.
Het lijkt een vergezocht verhaal, maar zo gaat het natuurlijk wel. Vrijwel al het nieuws dat we met elkaar communiceren komt uit oncontroleerbare bronnen. We geloven erin en we vertrouwen erop. De dichter gaat echter nóg verder:

Neo

De leider schrijft, wij lezen.
De leider leest, wij liplezen.
De leider lipt, wij spelen vis.
De leider slaat de maat
wij volgen, maken school.
De leider spelt ons de les
wij knikken wijselijk, wijzen
leiders portret aan bovenaan.
De leider leidt in onze naam
wij gaan op in de gemeenschap.
De leider prijst Bloed Land Held
Moord, wij delven slagschipschroot.
De leider kweekt bloedlandhelden
wij melden ons in slachtorde aan.
De leider trekt zich terug in sloten
wij smeden sleutels om tot bom.
De leider blaast zich onbaatzuchtig op
wij zeggen, tieren, zingen hem voort.

Voor de dichter zijn wij niet meer dan blinde schapen, volgers van een megalomane leider, klakkeloze uitvoerders van alles wat van ons gevraagd wordt.
De leider die zich terugtrok ‘in sloten’ stelde mij even voor een raadsel. Totdat ik in de volgende regel ‘de sleutels’ vond. Maar waarom heeft de dichter het hier over sloten, (één leider in zeven sloten?) en niet over een slot? Ook dat had een leuke dubbele betekenis gegeven.

Ik kon niet anders denken dan aan de retoriek van een lang vervlogen tijdperk. Het expressionisme leeft weer. Het is in deze gedichten of alleen de leider niet deugt, en dat alles wat via hem naar buiten komt onoprecht is, voorgekauwd, en manipulatief. Alles ten dienste van de macht over zijn onderdanen.

Verandering

Het beste moet nog komen, zegt de president.
Ghostwriters laten het hem zeggen. We geloven
hen graag maar dansen geen regendans. Retorisch
pauzeert de president. Ghostwriters laten stilte
spreken. Aanhangers hangen aan zijn gekloofde lippen
balsem met colasmaak. Alleluja! God zegene Amerika!

De dichter lijkt mij geen echt positief beeld van De Verenigde Staten te hebben. Wat erger is: zijn boodschap heeft de macht overgenomen van de poëzie. Niet alleen dit gedicht heeft iets pamfletachtigs, de bundel loopt over van goedbedoelde pogingen om de lezer bewust te maken van het verderfelijke regiem waaronder hij leeft:

Groot gelijk

De leider verzoent welles
met nietes, mengt stem
met tegenstem, mixt petitie
met opinie met commotie
tot een verhit strijdlied.

Alle macht aan mij!
Alle macht aan de partij!
Alle macht aan het volk!
Alle macht aan de volkspartij!

(..)

Het gedicht eindigt met de regels van die strofe in omgekeerde volgorde.
Voordat het zo ver is krijgen we opnieuw allerlei vervelends over de leider te lezen.
Ik werd er nogal moe van. De dichter heeft duidelijk iets tegen leiders, en niet alleen politieke. Het zonder scrupules streven naar de eerste plaats, naar de top, lijkt de mensen in het bloed te zitten. Ze denken alleen maar aan zichzelf. Een nobele enkeling uitgezonderd.

In het gedicht ‘Computerwereld’ vraagt de dichter zich af:

Hoe moet ik schrijven?
Zo nu-en-straks als je kunt
alsof je het altijd al wist
niet beter ja zo vol begrip.
(..)

Dat is precies wat ik tegen heb op deze poëzie. De dichter is niet niet in staat om zichzelf, maar ook niet om mij te verrassen. Hoe kan het ook anders wanneer je jezelf en je overtuigingen niet relativeren kunt. Hier en daar een leuke woordspeling, maar verder gaat het niet. Het is vooral bedachte poëzie. We krijgen een indruk van zijn visie op de wereld. Dat is alles. Het is een politiek correcte visie, daar niet van:

Het fort

Plezierboten vissen de eerste drenkelingen
het water uit. Op het strand bouwen
inheemse kinderen een zandkasteel.

Wie overleeft, moet terug naar het vaderland
wie is gestrand, blijft na.
Mama Gaia neemt alle vluchtelingen op.

Op de pier tasten dagjesmensen de einder af.
Wie te lang te ver kijkt, voelt de wind niet
merkt de kneep in de hand niet
zag de beet niet

aankomen.

Het verre komt schrikbarend nabij
het nabije wijkt hinnikend terug
onder papieren voeten gaapt
gedeelde grond.

Bezorgde ouders roepen van schreeuwafstand
tegen de wind in. Hun kroost trekt zich hongerig
terug. Thuis bakken ze de verse vis knapperig.

In de gracht rond het vertrappelde fort
ebt de vloed weg.

Ook hier weer die tergend vermoeiende eendimensionaliteit. Niemand lijkt hier een binnenkant te hebben. De dichter zet iedereen als pionnen op zijn speelbord om zo zijn boodschap over te brengen. Als een echte ghostwriter.
Want zichzelf laat hij niet zien. Bij zoveel besef van onrecht zou je ook het gevoel van onmacht verwachten, van tussen de raderen te zitten, mede schuldig te zijn, of minstens medeverantwoordelijk. Het enige dat ik proef in deze poëzie is zijn boosheid op anderen, op de domheid van anderen, het machtsstreven van anderen, de onrechtvaardigheid van anderen, de meedogenloosheid, de harteloosheid, hun eeuwige tekort.

Ik ga ervan uit dat de haat om het onrecht uit betrokkenheid voortkomt.
Ik hoop dat Kurt de Boodt in een volgende bundel wat meer van zijn liefde voor de wereld toont. Er is geen betere.

 

***
Kurt De Boodt (1969) studeerde Germaanse Filologie aan de K.U.Leuven. is. Hij is kunstcriticus, dichter, publicist en artistiek adviseur in het Paleis voor Schone Kunsten van Brussel. De Boodt debuteerde in 2000 met En alles staat stil. Daarna volgden Moules belges (2002), Anselmus (2004), Waarop de klok ontwaakt! (2008) en het epische gedicht Minnezang (2011).