Recensie van Verzamelde gedichten - Wim Brands

Sporenonderzoek van een buitenstaander

Wim Brands
Verzamelde gedichten
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028261921
€ 27,50
522 blz.

Vanuit een diepe genegenheid zijn de Verzamelde gedichten van Wim Brands (1959) door zijn echtgenote Monique Edelschaap en zijn vriend en redacteur Thomas Verbogt bijeengebracht. Na zijn plotseling overlijden in 2016 ontstond er al direct bij hen de behoefte om zijn poëzie te bundelen. Hoewel Brands zichzelf en zijn poëzie sterk relativeerde, zou hij waarschijnlijk niets liever hebben gewild dan zijn visie op dit ‘raadselachtig leven’ uitgedragen te zien worden in een verzamelbundel: ‘Der Mensch ist das Tier, dem man die Lage erklären muss (Peter Sloterdijk).’ Dat deze bundeling kort na zijn dramatisch verscheiden is samengesteld, laat zich goed begrijpen. Of Brands, zoals Verbogt dat in zijn nawoord oprecht verwoordt, tot de ‘top’ van de Nederlandse en Vlaamse dichters behoort, zal zich in de loop der tijden moeten bewijzen.
     Als we met overgave het verzameld werk doorlezen, valt al direct in de eerste bundel Inslag (1985) op, hoezeer de gedichten een afspiegeling van zijn dichterschap en zijn persoonlijke geschiedenis zijn. Brands schetst ons het rivierenlandschap waarin hij is opgegroeid met een gevoel: ‘Daar liep ik nergens / toe verplicht’. Een troebele rivier in een zonovergoten landschap. Daar doorleeft hij zijn ‘natuurlijke historie’, en misschien had het daarbij maar moeten blijven. Hij ontdekt echter: ‘mijn jeugd is een kruik / op een winterse dag gevonden / in een boshut’. Brands moet veel gedacht hebben: ‘Was ik maar weer zo: / een jongen tevreden dat niemand / wat hij maakt zal zien of horen’. Maar dat was helaas niet zoals hij in elkaar stak. Hij trok de wereld in om gehoord en gezien te worden. In die tegenstrevende houding zit zijn kracht en zijn zwakte als mens en dichter. Hij kleurde niet binnen de lijntjes. Hij moet zich dikwijls een dolende in het leven hebben gevoeld: ‘je komt er niet meer / uit’, zoals helaas uiteindelijk is gebleken.
     In het titelgedicht ‘Inslag’ uit de eerste bundel laat hij heel mooi zien op welke manier hij werkte en is blijven werken. De rudimentaire anekdotiek is zijn poëtisch handelsmerk geworden. De herinnering aan een inslag van een bommenwerper in een zompig weiland dicht bij de rivier vormt de aanleiding voor dit gedicht: ‘Diep het gat van de klap- / rozen rood // De bomen zijn oud / en kromgetrokken // Ze buigen naar de piloot’. De roos als symbool van de liefde, het treffende enjambement op klap-roos, de verstreken tijd zoals zichtbaar aan de bomen en het respect voor de gevallen piloot weet Brands in deze afgemeten versregels beeldend samen te brengen. Ondanks deze voortreffelijke regels blijft het levensgevoel van de dichter in wankel evenwicht, zoals hij in een regel uit het gedicht ‘Triëst naderend’ verwoordt. Het blijft niet anders dan: ‘Liefde: happen in een gouden / vraagteken’. Hij blijft vanuit zijn achtergrond en familiegeschiedenis doordrongen van scepsis en wantrouwen. In zijn bundel Hoger dan de dakgoot (1993) zegt hij het in het gedicht ‘Recept’ in een treffende paradox: ‘Voor geluk is nodig: een ochtend / in oktober met de geur van zomer / en de dreiging van regen.’
     In de bundel Koningen, de gehavende (1990) komen zijn ouders en grootouders in beeld, ook later blijven die veelvuldig zijn poëtische werkelijkheid bevolken. Brands leidt ons zijn boerenland beeldrijk binnen. Als het over een ‘Daggelder’ gaat, flitst een beeld à la Gerrit Benner voorbij: ‘Hij kijkt naar de lucht en ziet hoe een wolk / zich vergrijpt aan de zon.’ Verder komen reiservaringen in beeld waaruit de liefde en verliefdheid spreekt op ‘wat zo mooi tussen begerige / blikken in restaurants wankelt.’ Het zijn echter beelden die niet beklijven. Ze onderstrepen een overheersend levensgevoel dat Brands uitstraalt: ‘We zijn vliegen / in een web, verlaten door de spin.’ Wie heeft ons hiermee naartoe gebracht? Hij klampt zich vast aan het beeld van die visser aan de kant van het water. Hij voelt zich echter met hem toch niet eenzaam, want ‘Er loopt een lijn / van hem naar de bodem van / een wereld.’ Hebben we dan toch nog grond onder de voeten?
     Aan de bundel Hoger dan de dakgoot (1993) voegt Brands een motto van de wereldvreemde Amerikaanse dichter Weldon Kees toe, waarin exact zijn zelfgegeven levensopdracht is verwoord: ‘To build a quiet city in his mind’. De enige manier om dit te bereiken is het omzetten van al de opgedane beelden in woorden. Brands geloofde daarin. Hij wist dat de meeste mensen daarin niet geloven. Hij beloofde zichzelf alsmaar: ‘Ik maak / mezelf nooit van kant zo lang dit geloof / kan blijven duren’.
     Er vliegen nogal wat kraaien rond boven het poëtisch oeuvre van Brands, zoals de ‘kraai uit de Hallse kerktoren’ van zijn grootvader uit De Krengenput (1997). Vrienden, familieleden, opnieuw de vader, en de buurvrouw, willekeurige voorbijgangers spelen een voorname rol in zijn werk, zoals de heer Bonekamp die ‘zoals wordt beweerd, bijna / elke dag in andermans verleden // kampeert.’ Die interesse in andermans vreemde levens en zijn identificatie daarmee zette hem aan tot poëzie. Ze vormden in zijn dagdromen een levendig decor. Hij was begaan met deze eenzelvige mensen en hoe zij in het leven stonden. Aan deze levens ontleende Brands zijn levensvisie, zoals in het gedicht ‘In memoriam’ over de vraag waarom we er zijn: ‘Opeens wist ik hoe wij gaan: / zwaluwen die jaarlijks van // dezelfde dakgoot in Europa naar / dezelfde tak in Afrika trekken, // Routineus maar rusteloos / want stel je voor dat.’ Altijd weer die open vraag aan het einde.
     Vanaf zijn bundel Zwemmen in de nacht (1995) zien we Brands met meer uitgewerkte herinneringen, ervaringen en gedroomde situaties komen. De gedichten lopen inhoudelijk iets voller en zijn minder bedacht dan eerder het geval is terwijl ze, zoals Verbogt het aangeeft, juist niet vol, direct, helder en licht dienen te zijn. Het was van Brands bekend dat hij altijd gehaast was. Zijn gedicht over het vermoeden dat hij ‘een zee van tijd’ zou hebben is dan ook heel tekenend, vooral de passage waarin hij hoopte op ‘een trage tram – zoveel koffertjes / al overstuur – die achteruit reed.’ Bij die gedachte aan stilstand en rust zonder daarover bezorgd te hoeven zijn sluit aan bij zijn besef dat hij verwoordt in het gedicht ‘Stof’, waarin op het opdwarrelen van stof uit het westelijke havengebied voor hem aanleiding is gelegen dat te verbinden met een vrouw die ‘oud en dartel [is] / als het stof dat komt aangewaaid // uit de westelijke haven.’ Ze lijkt op een dag uit datzelfde ruim ‘als oud stof, op een kerkhof’, als een overlijdensbericht in een brievenbus te zijn terechtgekomen: stof zijt gij tot stof zult gij wederkeren. Die vergankelijkheid zat tezamen met de raadselachtigheid van dit leven hem voortdurend op de hielen.
     Zijn zoeken naar overgave en innerlijke rust spreekt uit het gedicht ‘Tuin’: ‘Er was een dag waarop hij meer dan een uur / in een weiland lag. En luisterde naar / kreten van wie hem zochten. // Officieel één oog toe in de rimboe, / in het jargon dat zweeg over de zon’. In dit soort gedichten over de zon, het hemellichaam dat de aarde omstraalt en de suggestie schenkt dat we omgeven worden door een scheppende kracht die ons begrip overstijgt, springt de gedachte naar voren dat Brands misschien wel het symbolisch dichterschap wilde bezitten dat hij de Amerikaanse dichter en beeldend kunstenaar Joseph Cornell toedichtte. Ook Brands sloot in zijn gedichten de herinneringen, gewaarwordingen en ervaringen op om ze voor altijd bij zich te hebben. Het zijn fluisteringen in de nacht, gesprekken met zichzelf in de spiegel: ‘Zacht. / Ik hoor nog net het zwemmen / in de nacht.’
     In de bundel In de metro (1997) speelt een overspelige verliefdheid. Alleen op plaatsen waar barsten zich voordoen, ontstaan open plekken waar licht naar binnen valt. Als beeldend intermezzo bevat de bundel een pornografische strip die zijn aanleiding vindt in een uitdagende billboardfoto in de metro die de zintuigen van de ik dagelijks prikkelt waardoor zijn verbeelding haar onbekommerde gang kan gaan. De storyboxes van de Engelse kunstenaar Len Shelley inspireren Brands eveneens tot het schrijven van een reeks rudimentaire anekdotes. In de latere bundels staan ook nogal wat bewerkingen van gedichten van verwante dichters, zoals dat van Wolf Wondratschek, ‘Vloer’: ‘Ik hou van vrouwen die niemand / meer wel hebben, die oud / en getrouwd zijn’. Zijn werk staat vol met bizarre associaties, dagdroominvallen en schurende gevoelens, zoals die vrouw die hoopt ‘op het schuren / van ijs tegen hout.’ Toch is de humor ook altijd niet ver weg, zoals in het proza-achtige gedicht uit de bundel Neem me mee, zei de hond (2010) over de beschermengel op de schouder van een oude man. Ze mogen elkaar, terwijl de ik dat ongelovig ondergaat en zijn schouders erover ophaalt, zonder het te begrijpen. Dit soort bizarre uitspraken en verlangens is niet vreemd aan Brands levensgevoel. Het gedicht ‘De Poolse klusser’ is daarvan wel een heel mooi voorbeeld. Daarmee zijn we weer terug bij het gedicht ‘Inslag’ uit de eerste bundel:

Als ik ’s ochtends naar de lucht kijk
en op mistige dagen de omgeleide
vliegtuigen hoor denk ik aan

de dag dat

de paarden rondjes renden rond
een vers wrak in het weiland
van mijn ouders.

Mooi was dat om te zien –
een dampend wrak en
de paarden daar

omheen als vrolijke kleuters
op een schoolplein.

     Heden en verleden worden hier verenigd in een vredig maar ook dreigend natuurlijk decor dat om zin vraagt. Voor mij heeft Brands in zijn laatste publicatie De verharde weg (2015) overduidelijk zijn diepste levensgevoel neergelegd, toen hij een keer in de huiskamer wilde gaan lezen en hem op de trap de zinsnede van de filosoof Heidegger te binnen schoot: ‘Auf dem Holzweg’. Het gaf hem een gevoel van rust, van Gelassenheit. Deze mystieke gelatenheid roept herinneringen op aan zijn jeugd. Hij onderkent dat hij zijn leven lang bezig is geweest sporen van leven en dood te onderzoeken. Zo herinnert hij zich dat hij het verval van een ree in een sloot observeerde en volgde. Vanaf dat moment beschouwde hij zich in die natuurlijke context als een insider. Zijn dialectisch accent op de middelbare school deed hem voorgoed beseffen een outsider te zijn: ‘Ik lag eruit. Het verlangen is altijd blijven bestaan, het verlangen bij de wereld te horen zoals ik dat kon toen ik door dat bos van mij dwaalde.’ Misschien gaan de gedichten van Brands ten diepste over: ‘Ik wil juist ergens bijhoren’. Ik meen met Brands dat uiteindelijk ‘niemand uit de nacht kan vallen.’ Het is goed dat de Verzamelde gedichten er zijn. Zijn naarstig zoeken naar de zin van dit bestaan verdient het om gelezen te worden.

Recensie van 's Middags zwem ik in de Noordzee - Wim Brands

Het inzicht is altijd anders

Wim Brands
's Middags zwem ik in de Noordzee
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2014
ISBN 9789046817469
€ 19,95
48 blz.

Geen enkele dichter ontkomt eraan zijn persoonlijke levensgeschiedenis op een universeel niveau te brengen. Wim Brands heeft dat in zijn nieuwste bundel ‘s Middags zwem ik in de Noordzee wederom gedaan. Hij dicht over zijn geliefde, zijn vader, jeugdherinneringen en enkele anoniem gestorven mensen. De onverschillige werkelijkheid is het vertrekpunt in deze bundel, maar daartegen lijkt hij zich te willen verzetten. Voor zover er dromen aan te pas komen, vloeien ze voort uit diezelfde werkelijkheid en verwijzen er weer naar terug. Er vloeien nogal wat regels uit zijn pen, zoals die uit het gedicht over een liefde  – waaruit de titel van zijn bundel afkomstig is – die door de context waarin zij geplaatst zijn, in hun gewoonheid een ongewoon accent krijgen. Ik beschouw dat als dé perspectiefwissel van Brands in deze nieuwe bundel. Om de ervaring van de vader van de ik te citeren: het uitzicht is altijd anders.
Een dichter die de werkelijkheid tot uitgangspunt neemt, loopt altijd het gevaar dat zijn poëtische taal zich te weinig onderscheidt van de taal van alledag. Brands neemt dat bezwaar al direct weg in zijn eerste gedicht van de bundel:
 

In de eerste nacht nadat ik had
gehoord dat hij ziek was
schrok ik wakker.
 
Het waaide buiten. Het waait, zei
jij, die nog geen oog dicht had
gedaan, en je glimlachte.
 
Ik begreep het pas later.
 
Wat er ook is, het zal de natuur
een zorg zijn.
 
Het waait, het waaide – buiten klonk
de troost van de onverschilligheid.

 
Vooral met die laatste versregel maakt hij niet alleen de cirkel rond van de ervaring uit de voorafgaande nacht, maar verbindt hij er een meesterlijke conclusie aan door ons juist een ultieme troost voor te houden die gelegen is in de ‘onverschilligheid’ van de immense natuur. Het is maar goed dat de natuur en het leven onder moeilijke omstandigheden onverstoorbaar doorgaan. Zij blijven in alle verandering gelijk aan zichzelf in alles wat was, is en zal zijn. ‘Onverschilligheid’ in positieve zin lijkt een kernwoord in deze bundel.

In veel van zijn gedichten vertelt Brands een kleine anekdote. Ze vormt een subtiele plot en draait uit op een raadselachtige ontknoping. Een mooi voorbeeld daarvan is de herinnering van de ik aan hoe mooi een vriendin was. Alleen al haar staren van een uur lang in een kantine wekte bij de ik de indruk, alsof ze een groot geheim met zich meedroeg ‘of juist het ontbreken van dat geheim maar/ niet kon snappen. In dat ‘snappen’ ligt niet alleen het ‘begrijpen van het geheim’ besloten, maar ook het ‘ontsnappen van het geheim’ aan deze schoonheid.
Zo nu en dan weet Brands je met een verrassende versregel voor zich te winnen. In zijn liefdesgedicht ‘Voor Monique’ eindigt hij met versregels als:
 

en alle kracht nog in de bomen zit.
Als het leven nog in de deuropening staat .

 
Als scherp waarnemer van het ongewone in het gewone leest hij diepzinnige levenservaringen en –inzichten af aan mensen die de hij op zijn pad tegenkomt, zoals de oude vrouw die niet meer weet waar ze is en dagelijks haar duiven voert. Al haar familie en vrienden zijn in de dood verdwenen,
 

zoals elke ochtend de stukken brood die gulzig hemelwaarts
worden gevlogen.

 
Een wonderschone regel die heel treffend past in de levensomstandigheid van deze oude vrouw die zich eveneens voorbereid om te gaan ‘hemelen’. Maar ook zo’n dwarse regel als
 

dat twee mensen zo ongelukkig van elkaar houden

 
is zo’n rake typering in het geval van een ouder echtpaar dat naar een balletvoorstelling gaat, terwijl ze er eigenlijk met elkaar geen plezier aan beleven. Hoe diep een eerste kennismaking met een stuk muziek je kan doen blijven terugverlangen naar dat stuk met voorbijgaan van al die andere mooie muziekuitvoeringen, lezen we in het gedicht over de dikke man’ die een aria zong./’. Deze muziekervaring lijkt niet te mogen voorbijgaan.
De vergankelijkheid speelt Brands vaker parten. Ook wanneer de hij zijn huis laat repareren in een natuurrijke omgeving, vraagt de hij zich af, wie er eerder gewoond heeft en wie er zal gaan wonen, als hij zelf over tien jaar dood zal zijn. Gelukkig vindt de hij dan troost in de woorden:
 

Getroost door een leven dat schonk
wat het zelf ook niet bezat, als
in het wonder van onze lege handen.

 
Hier spreekt de humanist die zijn troost vindt in het wonder van het leven zelf. Maar zo blijkt even later een humanist die wel groot is geworden in de joods-christelijke traditie, en geloof hecht aan de macht van het woord:
 

In den beginne was er een verhaal over vertrekken
[…]
 
En toen was hij dan echt vertrokken.
Daar lag hij. Zoek mij niet, leek hij
te zeggen, ik ben de woestijn in,
 
naar het poolijs, op zoek naar God die
uiteindelijk de beste verhalen kent;
en mocht hij slapen
 
dan weet ik dat hij ook dan
onophoudelijk aan poëzie denkt.

 
God als hoeder van de poëzie?!
De ik wijdt een fraai gedicht aan zijn studententijd in de Vogelenbuurt te Utrecht en zijn waardering voor de etsen van Dirk(je) Kuik. Een transseksuele etser van mensenkoppen en stadsaanzichten. Zo zijn Kuiks Venetiaanse landschappen van het Canal Grande in hun talrijke stadia droomgezichten als uit de wereld van Piranesi: ‘Geesten van stand wonen/ gaarne onder een steen.//’. Voor een vleugje absurditeit gaat Brands niet uit de weg in zijn weergave van wat in het leven gaat zoals het gaat: een dochter verlaat het huis:
 

Dat het tijd wordt om echt wild te zoeken,
het huis te verlaten zoals Eva ooit de hof
 
zoals een meisje dat tegen middernacht vrolijk
de avondwinkel verlaat met impulsief gekocht vlees
 
en een taxi neemt naar de dierentuin
omdat ze sinds kort een geheime toegang kent
 
en de leeuw zoekt die aaibaar is.

 
Ook aan eenzelfde absurde uitspraak van de moeder over ‘achteruitlopende doden’ weet Brands een zinnige poëtische draai te geven:
 

De doden lopen tenslotte
niet achteruit, maar wel achter ons.

 
Omdat ze ons niet kunnen aanspreken, draaien we ons nooit om. Dat maakt hen tot ‘slachtoffers van de liefde,/ velen van hen.//’. Maar ook waarom de ik van paarden houdt, is absurd in zijn afwijken van het gewone: ‘omdat ze uit/ badkuipen// drinken.//’.
Midden in de bundel staan enkele gedichten gewijd aan de vader van de ik die aan toevallen leed. Er staat een uitgebreide brief in gericht aan de dichter zelf. Hij verhaalt over een voorval op Hemelvaartsdag, waarbij hij zijn vader die vanwege een epileptische aanval in een ondiepe sloot is gereden, aan zijn lot overlaat. Een vader bij wie je op allerlei momenten bedacht moest zijn op onheil. ‘Je leerde hoe je kon ontsnappen aan je eigen dwangneuroses, ja aan jezelf, door het lezen van boeken, het schrijven, het maken van programma’s/’. Over het schuldgevoel dat het achterlaten bij de ik heeft opgeroepen, handelt deze brief. Het slot ervan biedt de ik een nieuw perspectief op zijn daad van verdwijnen. Hij hoeft zich er niet voor te schamen: ‘Hij vlucht niet./ Hij ontsnapt.//’.
Maar datzelfde ‘ontsnappen’ blijft met vraagtekens omgeven en blijft de ik opnieuw intrigeren, als hij droomt over een man die een nachtmerrie in een concentratiekamp heeft. Hij spreekt zijn bewakers aan, omdat hij bang is. Zij wisten er geen raad mee. Daarop herinnert  de ik zich een vraag uit de  biografie over Charles Manson aan wie een bewaker vroeg of hij wilde ontsnappen. Waarop Manson zei: ‘ontsnappen? Uit wat?//’. Die zienswijze van het ongewone in het gewone blijkt voor Brands een noodzakelijkheid te zijn om aan deze gevangenis die we leven noemen, zo nu en dan in zijn verbeelding te kunnen ontsnappen.

De in memoriam gedichten, geschreven in het kader van de Stichting De eenzame uitvaart, passen in het kader van het leven als gevangenis. Ze zijn geworden tot heel persoonlijke documenten over eenzame mensen die zich door niemand meer gekend wisten: over de eenzame Carlos Westerhout die waar dan ook zich kenmerkt door een ‘gesloten hart’, of de wankele Ralf Schelkes die misschien niet meer wist wie hij was en zichzelf ‘omver duwde’, of de onzekere Johannes Hendricus Hens die een droom had  om ‘vrouw’ te zijn. Het zijn indrukwekkende portretten geworden waarin Brands in staat is gebleken het ongewone aan deze mensen voor gewone lezers tot leven te wekken. Zo zie je maar weer: het inzicht is altijd anders.

***
Wim Brands (1959) is radio- en televisiemaker bij de VPRO, en presentator van het tv-programma Boeken. Van zijn hand verschenen eerder vijf dichtbundels.

Recensie van De vijftig beste gedichten van Wim Brands - Wim Brands

Alles O.K. hier

Wim Brands
De vijftig beste gedichten van Wim Brands
Uitgever: Compaan Uitgevers ,Compaan Uitgevers
2012
ISBN 9789490374914
€ 9,90
64 blz.

Als op de notoir moeilijke poëziemarkt De vijftig beste gedichten van Wim Brands een (bescheiden) succes wordt, zal dit het begin zijn van een nieuwe serie, belooft de uitgever. De formule lijkt er goed genoeg voor: kies uit het werk van een hedendaagse dichter een vast aantal gedichten (vijftig is een mooi aantal om een dichter recht te doen), voeg er een enthousiasmerende in- of uitleiding bij waarin het werk op een toegankelijke manier gekarakteriseerd wordt, geef het uit op mini-pocketformaat en reken er zonder je af te vragen wie er nog iets aan verdient een vriendelijke prijs voor, bijvoorbeeld twintig eurocent per gedicht.

Samensteller van dit eerste deel is Chrétien Breukers en uit de uitgeversinformatie is op te maken dat hij ook de samenstelling van de eventuele nieuwe deeltjes op zich zal nemen. Met al zijn activiteiten en publicaties ontwikkelt Breukers zich steeds meer tot een soort schaduw-Komrij. Wellicht lukt het hem ooit als even gezaghebbend te worden beschouwd. Hij lijkt op weg.

Wim Brands geniet al jarenlang bekendheid als radio- en televisiemaker van vooral literaire programma’s, met als speerpunt de poëzie. Dat hij ondertussen zelf ook een klein dichterlijk oeuvre opbouwt, is misschien minder bekend. Zijn rol is enigszins vergelijkbaar met die van Anton Korteweg tot enkele jaren terug: facilitair voor anderen, maar ondertussen in de luwte daarvan bezig aan het veroveren van een eigen plaats.

Brands debuteerde al op negentienjarige leeftijd in Hollands Maandblad. Zijn eerste dichtbundel, Inslag, verscheen in 1985. Daarna volgden o.a. In de metro (1997) en De schoenen van de buurman (1999). In 2005 verscheen Ruimtevaart en in 2010 Neem me mee, zei de hond. Breukers kon dus kiezen uit een flink aantal bundels en daarnaast nog uit enkele recente tijdschriftpublicaties.

De poëzie van Wim Brands is volgens Breukers de poëzie van een dichter die op de grens tussen zeggen en zwijgen vragen stelt die bijna niet te beantwoorden zijn, en dat onzegbare verwoordt in glasheldere, eenvoudige taal. Ik zou zelf vooral willen wijzen op de onnadrukkelijkheid van zijn poëzie, het haast terloopse gemak waarmee hij een situatie schetst waarin hij de lezer in staat stelt zelf het gedicht binnen te trekken, zoals in ‘De jas’:

De Jas

Maar eerst is er een oude jas. Nu hangt hij
aan de kapstok, binnenkort wordt hij
verbannen naar het hok.

En eerst is er een avond waarop ik aarzel
naar buiten te gaan. Buiten is het koud.
In gedachten trek ik voor het eerst

die oude jas aan. Ik ben alleen op straat.
Wie had dat durven hopen. Ik kijk
in de ruiten en zie

voor het eerst mijn vader in deze stad lopen.
Waar ga je heen? ‘Nergens heen.’
‘Dan gaan we dezelfde kant op.’

Opvallend is in de eerste plaats ‘Maar eerst’. Dat is niet zomaar met de deur in huis vallen, maar een opening bieden voor een hele, zelf aan te dragen levensgeschiedenis. Daarnaast is natuurlijk ‘In gedachten’ opmerkelijk. Andere dichters zouden de zoon daadwerkelijk in vaders jas de straat op gestuurd hebben, maar nu wordt heel knap met minieme middelen de verbeelding als het ware verdubbeld.

Elders zegt hij dat het zijn wens is ‘Te schrijven zoals mijn grootouders/ een telefoongesprek voerden.// Ze […] konden tot aan het einde/ van hun leven niet geloven// dat hun stemmen ook elders/ klonken./’ Dit is precies de grens tussen zeggen en zwijgen waarop Breukers in zijn nawoord doelt.

Vandaar ook ‘Bok’, dat ik niet anders kan lezen dan als het zelfportret van de dichter die de beperktheid van zijn aspiraties onderkent, maar weet hoezeer hij daaraan gebonden is:

Bok

Zijn kop: een Tibetaanse boer
die hoopvol naar de berg kijkt.
Binnen handbereik de top,
het eindeloze blauw.

Niet kunnen gaan. De grijnslach
uit berusting en daarna alles
vreten, behalve touw.

Tenminste twee gedichten verdienen het om tot in lengte van jaren gebloemleesd te worden. Dat is in de eerste plaats ‘Lijzig’, dat nog te lezen valt op de site van Laurens Jz. Coster. Het tweede is het kostelijke ‘Ansichtkaart’, dat hier in voordracht van Wim Brands zelf te beluisteren is.

Ansichtkaart

Terug van vakantie vlooi ik door de post.
Er is een ansichtkaart van mijn moeder.
Sinds de dood van mijn vader

gaat ze elke zomer naar het buitenland.
De Jura, dit jaar. Dat ligt tegen
de Spaanse grens,

had ze gezegd. Ik beaamde dat.
Ik spreek haar niet meer
tegen.

Ik bekijk de kaart. Op de voorkant
een dorp in de bergen.
Op de achterkant

mijn adres en een plakkertje waarop ze
een paar woorden heeft getikt
al voor ze vertrok.

Ik zie haar aan de keukentafel zitten,
achter de oude typemachine.
Een beetje bevreesd:

het buitenland blijft het buitenland.

Alles O.K. hier. Ma.

*****
Wim Brands (1959) was als verslaggever werkzaam bij het Leidsch Dagblad en schreef verhalen voor Vrij Nederland. Tegenwoordig is hij als literair verslaggever werkzaam voor de VPRO, onder meer als presentator van het tv-programma Boeken en het radioprogramma Brands met Boeken.
De vijftig beste gedichten van Wim Brands is mogelijk het eerste deel van een serie bij Compaan te verschijnen bloemlezingen van Nederland­se en Vlaamse dichters onder redactie van Chrétien Breu­kers, die onlangs samen met Philip Hoorne voor dezelfde uitgever ook de bloemlezing De Nederlandstalige poëzie in pocketformaat samenstelde. Opmerkelijk genoeg werd daarin geen plaats ingeruimd voor Brands!