Recensie van Grondstoffen - Anneke Brassinga

Elke dag laven zich mijn oren en ogen

Anneke Brassinga
Grondstoffen
Uitgever: De Bezige Bij
2015
ISBN 9789023492702
€ 17,50
176 blz.

Je slaat een boek open en het eerste dat je leest, is dit:

Sinds mijn aankomst die een terugkomst was, om niet te zeggen thuiskomst, in deze hyperakoestische woonst uit radicaal voorbije tijden toen tafelen nog van steen waren en de uitvinding van de sofa nog eeuwen op zich zou laten wachten, sindsdien lukt het stilstaan beter dan ooit. Een leven lang heb ik geleden aan bewegingsdrang, chronische opspringneigingen, funeste onrust van het motorisch apparaat. Dat kwam, begreep ik bij het bereiken van de volwassenheid, door mijn ingeschapen gebrek aan rijbewijs.

Een volgend stuk begint aldus:

Denkend aan Noord-Holland ben ik terug in Bergen; het is weer juni, halfvijf, de vogels beginnen vlak voor het ochtendgloren hun jubelende oorlogsgezang – alle leven is oorlog – terwijl ik ontwaak in de vroegere slaapkamer van de Prins der Dichters, Adriaan Roland Holst. […] Vanaf de wand kijkt Roland Holsts fotoportret weemoedig, met haaks neerhangende mondhoeken mij niet aan – zijn blik is binnenwaarts gericht. Ook ik zou mijn blik naar binnen moeten keren. Ik ben hier immers om te schrijven, een maand lang, als eerste die dit heiligdom nieuw leven zal inblazen. Maar wat een vogelgezang en vooral: wat een luchten! Grauwgrijs laaghangend, of transparant zilveren motregenlicht, of donkerblauwe stormwolken, ijsblauwe diepte, korenbloemblauwe nabijheid. Het leven blaast hier zichzelf leven in. Hoog opgeschoten bloeiend gras golft in de polderwei, paardenstaarten van paarden en hun berijdsters golven bij het langsgaan over het fietspad, de rijzige kruipwilg naast het verlaten buurhuis laat de lange linten van zijn blad wapperen op de bries en buigt bij elk zuchtje. Ik ben hier om te schrijven maar het is juni, de dagen zijn almaar aan het lengen en het huis heeft zoveel ramen, elke dag laven zich mijn oren en ogen.

Aan wie zo vervoerend schrijft lever je je uit, van zo’n auteur wil je alles lezen.

Aan het woord is Anneke Brassinga, die in haar bundel Grondstoffen ruim drieëntwintig tussen 1998 en 2014 geschreven verspreide teksten verzamelde: een enkel krantenartikel, columns en essays, verschillende op verzoek geschreven gelegenheidsbijdragen. Het zijn vanuit haar persoonlijke leeservaring geschreven stukken over het schrijver- en kunstenaarschap, over poëzie in het algemeen en over specifieke dichters en gedichten in het bijzonder, over schrijvers van vroeger en nu. In alle teksten etaleert Brassinga een bijzondere, heel eigen dienstbaarheid aan de taal en de verbeelding, die zich in wederkerigheid aan haar schatplichtig mogen weten, want haar taalgebruik is op een volstrekt vanzelfsprekende wijze superieur.
De volgende alinea komt uit een stuk voor het Nederlands Letterenfonds:

Schrijvers en vertalers wonen in het juiste woord. Zij leven voor de geest, zij hoeden de taal, en weten zich op grond daarvan verplicht al hun woorden, komma’s en gedachtestreepjes op goudschaaltjes te wegen, striktelijk, gestreng, knijperig, angstvallig, maltentig, scrupuleus, bekommerd en zwaarhoofdig, en even vaak voelen zij zich geroepen alle regels en geboden van de taalzeden aan de laars te lappen; dat alles omwille van kostbare vrijheid van die reeds genoemde geest, belichaamd door de taal – het menselijk orgaan waaraan de letteren ontspruiten.

Veel van Brassinga’s korte essays gaan over vertalen en daarbij handelt het niet in de eerste plaats over de bijzondere eisen die iedere nieuwe tekst opnieuw aan de vertaler stelt en over vertaalproblemen die zich kunnen voordoen, maar zij voert ons direct de wereld van schrijver en boek in en neemt daarbij diverse keren lange vertaalfragmenten op. We gaan vaak eeuwen terug: Rousseau, Jean Paul, Goethe, Karl Philip Moritz (met tien bladzijden uit diens allegorie Andreas Hartknopf), Johann Peter Hebel (wat een juweeltje is zijn verhaal Een onverhoopt weerzien), Saint-Simon (met veertien bladzijden van zijn Memoires), Walter Benjamin (met een deel uit diens rede over Hebel en een fragment uit Berliner Kindheit), Robert Walser en heel veel anderen die zijdelings ter sprake komen.

Regelmatig reflecteert zij op haar metier als dichter en vertaler: ‘[…] en daar, bij dat gevoel van raadsel, bij het willen ontkleven van vorm en inhoud, daar zou het vertalen van een gedicht moeten kunnen beginnen.’ Maar dat veronderstelt dan wel, schrijft ze, en zij formuleert daarbij en passant haar eigen poëtica als dichteres, ‘dat het een goed gedicht is, een waarin de poëtische vorm zijn eigen inhoud met zich meebrengt, die, onder gebruikmaking van de dagelijkse omgangstaal, naar andere dingen verwijst dan de afspraak was, terwijl tegelijkertijd die dagelijkse, afgesproken betekenis óók blijft meespelen.’

En: ‘Wie een ook maar enigszins gecompliceerd gedicht begint te vertalen, belandt in een samenspel van klanken en betekenissen, ritmische patronen, echo’s – alles wat op het papier zo stillag, begint te schuiven en te verspringen, de kleinste wendingen worden geladen met vonkende, onverbiddelijke urgentie.’ Gewetensvoller kan een vertaler niet zijn, ook al beseft die ‘dat poëzie vertalen een van de ergste kwellingen is die een mens zichzelf – uit vrije wil! – kan opleggen.’

In het deel ‘Grondstoffen’, negen oorspronkelijk in het inmiddels ter ziele gegane De Leeswolf verschenen columns, schrijft Brassinga heel mooi over alles wat haar voedt; regels uit Een winter aan zee van A. Roland Holst bijvoorbeeld, ‘een noodrantsoen om een hele winter op te kauwen.’ In één moeite door gaat het dan over Multatuli, Jacques Hamelink, Lucebert. ‘En ook ik,’ schrijft ze, ‘laaglandse dichter uit de natijd van het verleden, voeg me graag bij de saamhorigheid van solitaire zonderlingen.’

In een ander stuk hinkt-stapt-springt zij van Proust naar Deleuze naar Gertrude Stein naar Euripides om na nog zeven namen uit te komen bij een door W.F. Hermans vertaald gedicht van Oscar de Milosz. Overdadig? Als je het zo opsomt wel, als je het leest geen moment en er gaat een enorme stimulans vanuit om dat ook allemaal te willen lezen.

‘Poëzie is een vorm van afzondering’, schrijft zij in nog weer een ander stuk, ‘een brug naar binnen’. Ondertussen weet zij te enthousiasmeren als weinig anderen.
Wat een heerlijk boek!

***
Anneke Brassinga (1948) is winnares van de P.C. Hooftprijs voor poëzie 2015. Zij debuteerde in 1987 met Aurora. In 2005 verscheen de verzamelbundel Wachtwoorden met haar poëzie tot 2003, onlangs kwam de nieuwe druk uit met alle tien haar bundels.
In 1993 verscheen Hartsvanger, een bundeling van dagboeknotities en reisverslagen, essays en brieven. Daarna publiceerde zij het prozaboek Hapschaar (1998, ECI-prijs 2001), gevolgd door de essaybundels Het zere been (2002) en Bloeiend puin (2008). In 2008 kreeg zij de Constantijn Huygens-prijs voor haar gehele oeuvre.

Recensie van Het wederkerige - Anneke Brassinga

De lokstem van het water

Anneke Brassinga
Het wederkerige
Uitgever: De Bezige Bij
2014
ISBN 9789023487784
€ 18,50
72 blz.

 
Taal heeft een bestaan op zich, los van communicatie, en dat is wat Anneke Brassinga, de winnares van de P.C. Hooftprijs 2015, keer op keer demonstreert in haar nieuwe bundel Het wederkerige. Ze is uiteraard niet de eerste die dat constateert: Novalis wist het bijvoorbeeld ook al. Zij laat hem aan het woord in het gedicht ‘Het ware leven’ :
 

[…]

Wat niemand weet, zei hij, is dat de taal,
abstract van aard, uitsluitend zich bekommert
om zichzelf, zoals miraculeus geopenbaard wordt
zodra iemand maar wat kletst omwille van
 
de conversatie – dan knikkeren de woorden
in hun eigen ongehoorde glans
om bovenaardse buit en laten zich
daarbij door ons gepondereer niet storen.

 
De autonomie van taal is een belangrijk motief in de bundel. Zo wijdt Brassinga  in deze bundel ook een gedicht aan Mallarmé. Hij wilde de woorden losmaken van hun gebruikelijke functie: ze zijn niet in staat om dingen te benoemen. Ze hebben alleen betekenis in hun verhouding ten opzichte van elkaar. Die bovenaardse buit was bij hem het Niets, het onaantastbare en hij wist dat hij die nooit binnen zou halen. Zijn gedichten beschouwde hij als vergeefse pogingen.
Ook Brassinga laat het ongrijpbare van de woorden zien, zeker bij het schrijven van een gedicht. Zij toont dat op een paradoxale manier in ‘Elementa’: de vaststelling van die ongrijpbaarheid leidt tot een prachtig gedicht. (Op grond van een drietal andere gedichten in de bundel interpreteer ik de lokstem van het water als het gedicht dat roept en het verschuimen als het dichten zelf).
 

Elementa
 
Als ieder ogenblik een ongekend begin is
van nasleep die pas over eeuwen
licht zal werpen op dit nu –
 
zijn de bekende woorden sterrenschijnsel,
amechtig arriverend, veel te laat.
Waar kunnen we dan nog over praten?
 
Alleen de lokstem van het water zwatelt
in strikt hedendaagse taal, geen touw
aan vast te knopen; zeker niet
 
op het razende tijdstip van je verschuimen
in een onophoudelijk liggen gaande
onophoudelijk weer opstekende storm. 

Aardig is, dat zij die ‘strikt hedendaagse taal’ verbindt met het archaïsche ‘zwatelen’: zinneloos kletsen.
 
Brassinga’s aandacht voor de autonomie van taal ligt voor de hand: ze is immers vertaalster. En een goede: de vijf vertalingen achterin haar bundel getuigen daarvan. De oorspronkelijke gedichten van Deborah Digges en Edna St. Vincent Millay ken ik niet, maar ze lezen als oorspronkelijk Nederlands. Het gedicht van Millay, een elegie, is de epiloog van de bundel en vormt daarmee het inhoudelijke sluitstuk: een aantal gedichten gaat over de poging in contact te komen met dierbare doden. Het middel daartoe is het gedicht – voor de duur daarvan, tenminste.
Die gedichten zijn niet per se somber. ‘Nachtpost’ is zelfs uitgesproken humoristisch met het verlichte pennetje waarmee de dichteres te traceren is:
 

Alle licht gaat ergens heen –
het lampje bovenin mijn pen
gekregen van kees hin de kineast,
schrijft in het donker dit gedicht in spiegelschrift
tussen de sterren, heb ik gedacht;
en op de kop ook nog? zodat jij, verhuisd
naar die omgekeerde averechtse onderwereld boven ons
nu lezen kunt een doodgewoon bericht?
En – vertel – heb je daarginder wel
net als hier de gamma-uil en jotavlinder?

 
‘Die omgekeerde averechtse onderwereld boven ons’. Je verbeeldt een contact met een verloren vriendin en laat daarmee zien hoe je haar mist. Tegelijkertijd zie je een enorm plezier in taal. En het mooie is, dat het past: het een zit het ander niet in de weg.
Overigens is het treffend, dat dit gedicht door het naar boven wijzende potlood binnen deze context verwijst naar de moordpartij bij Charlie Hebdo. Geheel onverwacht, want de bundel is al in december verschenen. Na publicatie kan een gedicht er betekenissen bijkrijgen en ook dat is poëzie.

De fictie van contact door middel van een gedicht – een vorm van wederkerigheid – werkt niet altijd en dat laat ze zien in de cyclus ‘Orfisch’. Indrukwekkend is het betekenisvolle gebruik van witregels. Het derde gedicht eindigt als volgt:

( … ) velden van vergetelheid,
geen klank
komt er vandaan.
 
En al mijn leven
zal ik wachten
of mij daar roept
 
wat zwijgt.

 
‘Geen klank / komt er vandaan’ en daarachter een punt – de eerste in het gedicht. Die vaststelling is definitief, er is niets meer, het is stil en de witregel maakt dat voelbaar. Vervolgens: ‘of mij daar roept // wat zwijgt’. Stilte na ‘roept’, de stilte van de laatste witregel. Aan de overzijde daarvan, vanuit de velden van vergetelheid, de dood: ‘wat zwijgt’.
 
Brassinga kun je beschouwen als een klassiek dichter met een heel eigen stem en het is daarom niet verassend  dat zij niet alleen een gedicht heeft gewijd aan Whitman en Mallarmé, maar ook aan Eliot, die van mening was dat je alleen een goed dichter kunt zijn als je de traditie kent en tegelijkertijd als dichter volkomen herkenbaar bent. Brassinga: ‘wat gezegd is blijft, herhaalt // altijd en altijd anders de boodschap / van het furieuze, voortkruipende, onuitblusselijk / dolende vuur.
 
Het wederkerige is een heel goede bundel die vertalers als Brassinga zelf verdient.
 
  
 ***
Anneke Brassinga (1948) debuteerde in1987 met Aurora. Daarna verschenen Landgoed (1989), Thule (1991), Zeemeeuw in boomvork (1994), Huisraad (1998), Verschiet (2001) en Timiditeiten (2003). Deze bundels werden verzameld (en herzien) in Wachtwoorden (2005). Daarna verschenen nog IJsgang (2006) en Ontij (2010).

Recensie van Ontij - Anneke Brassinga

Bij nader inzien

Anneke Brassinga
Ontij
Uitgever: De Bezige Bij
2010
ISBN 9789023457121
€ 17,90
64 blz.

Als je in de nieuwe bundel Ontij (2010) van Anneke Brassinga begint te lezen, raak je verzeild in een wereld die niet lijkt wat ze is, waarin de ik eigenlijk niet zou willen verkeren, maar er niet aan kan ontkomen. Direct voel je de spanning die er in haar poëzie hangt. Onontkoombaar. Heftig. Dwingend. Onvoorspelbaar. Een tikje ironisch tot cynisch. Lees een gedicht als ‘Popi paasautopi’:

Wij onbeschroomden, ons reppend vol manco –
mens jaagt bermen en grazige verten na, daar wacht
het knagen, lurken. Gemene deler van

de beterende wereld blijft voorlopig eikenloofsalade
met margarinegatenkaas en pokken van de eeltige
pijnboom; respijt voor wrevele liefdes biedt

de geboden heiligdag die ons terugwerpt
op ontploffingen onder de motorkap, getuf.
Zonder ophef verleden leven voorrang geven?

Ook deze paas zal mijn broer niet opstaan
en ben ik, bestraald door kille zon,
de uitgestrektheid van zijn ontbreken.

De wereld vol illusoire beloftes en zoethoudertjes wordt met wrevel en scepsis bekeken. We moeten het doen met wat voor handen is. En toch blijven we ons het nodige inbeelden. Hopen wellicht tegen beter weten in. Al die paasverhalen over opstanding verbleken in de kille zon van het gemis van alledag.

Beelden komen bij Brassinga als Russische matroesjkapoppen uit elkaar voort. Vindingrijke vondsten, soms bizar maar dikwijls treffend. Neem een gedicht als ‘Pril’: ‘Wat jouw oogleden in hun gekooidste momenten/ mij hebben toegedicht, als onze tippen/ elkaar drenkten? Vertrouw geen lente.//’ Een verwijzing naar een prille liefde. Toch ook hier, ondanks een glimp van hoop, dat diepe wantrouwen naar het leven toe. Je krijgt voortdurend de indruk dat de poëzie het is die de ik in/bij het leven houdt. Het spel met de taal biedt hem soelaas. De ik blijft geloof hechten aan ‘het geloof van doodgevroren zwaan het licht/ skelet’ en aan het geloof van ‘het pasgeboren schaapje, zwart en/ nat van sneeuw en jammerend alsof wij/ kwamen voor de slacht -// in alle sterren staat geschreven/ dat leven altijd evenzeer te vroeg is/ als sinds eeuwen achterhaald.//’.

Je ondergaat voortdurende perspectivische wisselingen, en gezichtsbedrog ligt op de loer, zoals in het gedicht ‘Echo’:

Van buitenaf bewonder ik de landerijen
die zonder het te weten mijn domein zijn –
duisternis heerst er, en stomme natuur.
Men kan niet bij zichzelf verblijven dan
staand onder dat wezensvreemd bestuur.
Ach, leefde onder huid gevangen dier –
maar ‘k ben het zelf die ziel verteert.

Ik vind Brassinga een dichteres van het trompe-l’oeil, van het bij nader inzien. Haar poëzie houdt je alert. Ze dwingt je op het scherp van de snede te lezen door de wisseling van beelden heen. Ze tuimelt je vanuit weidse ruimte in beweeglijke natuurtaferelen, al dan niet kosmisch van aard, naar het eigen innerlijk van de ik, en omgekeerd. Dat valt onder meer te lezen in het zevende gedicht uit de eerste afdeling ‘Fysica’, verwijzend naar Aristoteles’ Fysica en De mechanisering van het wereldbeeld door E.J. Dijksterhuis:

VII

‘De gewaarwording warmte veroorzaakt denken
door snelle bewegingen van bepaalde atomen.’
Toen ik mijn oor legde aan je slapend hoofd
zag ik in gedroomde velden jachtsneeuw vonken.
Koud en warm begrippen van betrekkelijkheid.

Naast woordvernieuwing als ‘purserette’ en ’schijfschoot’ levert het invlechten van bekende dichtregels als ‘Gefluit is er van een jongen die blies/ in de lente als een orgelpijp’ (Herman Gorter) of variaties op bestaande gezegden en uitdrukkingen als ‘de treurwilgen wenken langs de waterkant/ en soms de zon daarachter in de mist rood/ opkomende te zien is – ook dan bloedt ‘t/ in schoenen zinkend hart, want wie kan doen// wijken het gescheidene?’/ of vertekeningen als ‘de doodgevroren zwaan’ (Stéphane Mallarmé) in haar poëzie nog altijd belangrijke middelen voor Brassinga haar moedwillige behoefte om met de weerbarstige taal een vinger te krijgen achter ervaringen die zich moeilijk laten beschrijven, ervaren en navoelen. Ze weet zich in alle mogelijke taalbochten te bewegen om haar doel te bereiken. Het moet gezegd worden, ze heeft daarin de afgelopen kwarteeuw een formidabele vaardigheid weten te ontwikkelen. Je mag met reden zeggen dat ze een ‘lenige’ dichter is. Dat maakt haar poëzie wel iets voor ingewijden. Ze is veeleisend. Iets van de onblusbare gedrevenheid valt te lezen in een beeldrijk gedicht als ‘Ver heen’:

Mocht ik in het hart van het holst
van donkerste dagen te lijf gaan, achter
al het uiterwaardse, een stuk of wat
verlaten kusten onder razende luchten
waar albatrossen op hun wieken naar
andere planeten worden weggeblazen –

graag zou ik boven lege oceanen regen zijn
op reusachtige hoeven, zinnentuimel van
tempeest, het stromend paard dat louter
water is, uiteenvalt in geschuimbek –

zocht ik bij voorkeur echter diepten
die geen daglicht velen, omtrent een
steenworp van d’ onoorbare gloeiende
kern; daar zal betijen wat mij jaagt.

Als met de karos van Apollo jaagt de ik door het firmament. Voortdurend metamorfosen ondergaand, van ik in albatros naar regen en weer terug in het eigen lijf. Een ‘zinnentuimel van tempeest’. Met de gedrevenheid van een dichter gaat de ik op zoek naar woorden en beelden om te raken wat hem drijft te zeggen wat onzegbaar is. Op meerdere plaatsen klinken woorden op die naar het dichterschap verwijzen. Heel duidelijk klinkt dat op in het gedicht ‘Graf’:

Hier ligt het lijdend voorwerp van een lang
bezinnen; loos het gezegde, geen deelwoord
voltooid. Nog voor de stem zich zou verheffen
werd hij door overmacht gesmoord en woei
wat was gedacht op eigen kracht in zich terug.
Die lichte welving ginds onder het stuifzand;
men wordt erdoor gesticht. Hier rust gedicht.

De bundel bestaat uit de afdelingen ‘Fysica’, ‘Ontij’, ‘Hommage aan Louis Th. Lehmann’, ‘Zinnenschemer’; daarop volgt nog ‘Germanismen’, gewijd aan door Brassinga vertaalde gedichten van de Duitse dichters Hilde Domin en Ingeborg Bachmann. Voor een deel zijn het gelegenheidsgedichten, maar merendeels zijn het gedichten die in een samenhang tot elkaar staan. Je zoekt bij zo’n gestructureerde bundel naar een thematiek.

In de eerste afdeling ‘Fysica’ zoekt de ik naar het uiteindelijke waarom van dit bestaan. Ze neemt daarvoor Plato en Aristoteles in de arm. De ik onderzoekt de grenzen die de fysica oplegt aan de metafysica die in onze harten leeft en ons beweegt. Binnen is niet buiten. De zoektocht naar de samenhang der dingen leidt tot de conclusie de vergankelijkheid te vergeten terwijl je leeft. En bovenal het licht dag in dag uit in te drinken. Leef nu is de oproep.

De tweede afdeling ‘Ontij’ kent evenals de eerste een tegenstelling tussen licht en duisternis, goed en kwaad. De hele bundel kent passages met onheilspellende scènes. Ik lees in het titelgedicht ‘Ontij I’ een oproep in de mond van de levenden te openen hun ‘bestorven woorden’. Gebeurtenissen op ongewone uren. In ‘Ontij II’ wiegt een vissersweduwe ‘smeulende brokken’ van verdriet over het verlies van haar echtgenoot. De wijze waarop Brassinga de geestestoestand vol naargeestigheid en zelfmedelijden van deze vrouw neerzet, is virtuoos te noemen. De afdeling eindigt met drie gedichten ‘Oud nieuws’, verwijzend naar de brieven van Vincent (Van Gogh), teksten van Ida Gerhardt en uit het boek Job. Het levensgevoel doet denken aan treurwilgen die wenken aan de waterkant en je de moed in de schoenen doen zinken. Vooruitscharrelen is ‘wat men moet zoeken te doen nu’. Maar dan volgt daarop toch weer die oudtestamentische omkering van zaken: ‘De vrucht van zijn schoonheid een verblinding,’/ zegt de stem en hij stormt aan om ons/ te doden opdat wij onverwoestbaar zijn.//’ Door de duisternis en de onwetendheid heen gloort opnieuw het licht.

De derde afdeling ‘Hommage aan L.Th. Lehmann’ is een eerbetoon aan de oude dichter Lehmann. Brassinga zal zich deels herkennen in zijn wijze van poëzie voortbrengen: ‘poëzie scheert langs alles/ omdat het enkel het betasten kent/ tijdens een val in het duister van haaienschubben en kreeftenscharen.//’. Wat richt je aan met je woorden als dichter en waarin kom je terecht? Dat betasten is een subtiel beeld voor de werking van poëzie.

De afdeling ‘Zinnenschemer’ rest ons ‘gods achterlicht/ te zien verdwijnen – roekeloze motorist die// avond aan avond het hemelse Jeruzalem/ naar de verdommenis rijdt.//’. Joost mag weten hoe het zit met die zogenaamde genade. Hoe zit het met het geheimenis van het heilige sacrament? Wat gonst er allemaal aan beelden en woorden door het hoofd van een dichter? Enig zicht op het creatieve proces lezen we in het gedicht ‘Stof’:

Zo mooi is het om gedichten te schrijven
’s nachts als de dagtaak af is en iedereen
die bij de Nederlandsche Bank werkt al slaapt;
het is donker, dat spreekt, en ook stil,
in mijn hoofd suist het van woorden, woorden,
mijn vingers zijn hard van de schrijfmasjien.
De versterker kreunt na: laatste zenders
geven gruis. Het is nacht, maar de bomen blijven
staan. Dat denk ik althans; en ik denk aan alles
dat plaatsvindt, tot stuiven de overhand neemt.

De laatste afdeling ‘Germanismen’ bevat vertaalde gedichten van Domin en Bachmann die Brassinga na aan het hart liggen. Ze ademen een geest die haar vertrouwd is. Leef in de dag, want ‘er komen grimmiger dagen’. Al het goede en mooie wat geweest is, kan de liefde niet redden. En dan het intense verlangen te weten wat niet te verklaren is, de liefde allereerst. Brassinga heeft een knappe bundel geschreven met een virtuoze taalbeheersing en existentiële vragen naar zin en lust in dit leven. Brassinga leert je te kijken: bij nader inzien…