Recensie van Zullen we ooit vulkanen zijn - Geert Briers

Meanderende kringen naar buiten

Geert Briers
Zullen we ooit vulkanen zijn
Uitgever: Vrijdag
2016
ISBN 978946001604
€ 16,50
60 blz.

Antwerpen is voor mij de stad van Paul van Ostaijen, Willem Elsschot en Wannes van der Velde. Er is niets fijners dan, met in gedachten de teksten en de stem van Wannes van der Velde in ‘de straten te verdwalen’ en in de kroegen van Elsschot neer te strijken en een bolleke De Koninck tot zich te nemen als ‘de kleur van de stad’ de wandelaar ‘amoureus’ maakt. En door dat alles heen is er de geest van de eens bezette stad, waar, om met Maurice Gilliams te spreken, ook het Prinsengraf ligt van misschien de grootste vernieuwer van de poëtica en de poëzie van de nieuwe tijd: Paul van Ostaijen.

De bundel van de in het boekenvak werkzame en daarbinnen organiserende Sinjoor Geert Briers deed af en toe mijn gedachten uitgaan naar Van Ostaijen. Niet alleen dat Briers soms met taal- en woordassociaties werkt, maar hij verwijst ook naar de amusementswereld om hem heen. Wees van Ostaijen naar vroege filmster Asta Nielsen (Onze Lieve Vrouw van Denemarken), bij Briers zijn het de popmuziek en Anne Teresa de Keersmaeker, de danseres van de minimale bewegingen, die een rol spelen. Talloze citaten, intertextuele verwijzingen naar Engelstalige en Portugese popsongs komen in de bundel voor. Toch, ondanks deze overeenkomsten , resulteert dit alles in een ander soort poëzie dan bij de andere illustere Antwerpenaar. Creëerde van Ostaijen op zijn dichterlijke hoogtepunt een organische poëzie waarbij het gedicht zich los zong van emoties en organisch groeide vanuit een taalkern, de poëzie van Briers laat duidelijk de emoties zien, is opener. Vaak is de emotie de aanleiding tot het gedicht. Gaan bij van Ostaijen de ‘kringen naar binnen’, bij Briers zijn het ‘kringen naar buiten’. Ik denk dat de zwartgallige Van Ostaijen weinig in het publiek optrad, Briers als organisator van kleinschalige poëzievoorstellingen daarentegen schrijft performerspoëzie die aanslaat en bevattelijk lijkt, waarmee hij weer overeenkomt met de grote Antwerpse liedjeszanger Wannes van der Velde. Beide dichters hebben weer gemeen dat er een grote aandacht is voor beeldende kunst.

Je weet als lezer waar je aan toe bent als je de bundel wilt lezen, immers Briers opent met een gecursiveerd voorafje, een ‘amuse gueule’; een amuse van de grote bek, zou het kunnen betekenen. Het is een geestige inleiding van alles wat er in de niet cursief gedrukte rest van de bundel te lezen valt. De dichter zegt: ‘Proef mij/ eerst/ bewaar de andere zinnen / voor later….voel het scherpe glooien/ van wijdse woorden…’ Of de dichter hier ‘weidse’ bedoelt weet ik niet. Hij schenkt ons een stuk van een gedicht, kondigt thema’s aan, raadt ons aan: ‘koop ontleen deel schenk/ me.’ We dienen kennis en wetenschap en zelfs de waarheid te parkeren, met de blinde wijsvinger over de woorden van links naar rechts te schuiven, regel na regel.Ik begroet u’ zegt hij, ‘sla mij/ nu/ om’. Waarna het feest kan beginnen.

Het is poëzie die serieuzer is dan ze in eerste instantie lijkt. Er ligt vaak een weemoedige sfeer aan de bijna luchthartige gedichten ten grondslag, die gaan over onbenaderbare benaderingen. Ontmoetingen lopen mis. De dichter slaagt er niet in zijn doel, in dit geval zijn lief te bereiken: ’een oogopslag later/ besta je niet meer/ ben je daar nooit geweest (pag.21), iets verder vraagt hij zich af: ‘hoe weinig / is nodig/ om net te veel te zijn….. daarom/ neen/ en/ laat maar……’ (pag.26). Hij praat over de ‘Slag van Tekortschieten’. Uit die onmacht komt ook de titel van de bundel voort: ’zullen we ooit vulkanen zijn’, een regel uit een gedicht dat ‘Pompeii’ heet: de onmacht om groots en meeslepend te leven.

De dichter is een woordkunstenaar die neologie na neologie creëert. Hij heeft het over ‘bicblauwe drukletters’ ( een mooie, heel duidelijke vergelijking) over ‘de chirico-schaduwen’ over ‘gilettecontourgladde wegen’. Het gedicht ‘de lucht was de bedoeling’ (pag.31) begint als volgt: ‘Ik draag verdwijnwoorden/ naar de zee ..’, waarna de verdwijnwoorden genoemd worden: ‘waakhout/ kifteling/ onderzieltje/ vastenavondzot/ taainagel/ achterkeukengroen’. Het is een explosie van associaties en grappen. Maar er zijn ook constructies als ‘fluistervertel je ooitemoties’ wat me bijna aan Willem Kloos doet denken.

‘ik scheid uw comedia van uw arte’, zegt hij, of ‘asbest as we can’. Je kunt je voorstellen dat als dit goed voorgedragen wordt het een plezierige ervaring is. Hij goochelt met citaten uit popliedjes, schrijft ineens een zin als ‘i tuneshop of memories/ een app geinstalleerd/ sweepwiping away’. Of ‘Jij braakland/ eenzame sok/ de Prins Laurent onder de landdynastieën/ vergeten maar ontwaakt’ en na ‘supercalifragilisticexpialidocious’ volgt een woord, dat mogelijk nog zinlozer is: ’prisencolinensinainciusol’ .

Er is één gedicht bij dat op zichzelf een performance is. Het is het gedicht ‘Ik verzamel de zee’, waarin de zee als een museum wordt voorgesteld in ‘guggenheim style’. De bezoeker wordt rondgeleid, ervaart de zee als een groots schouwspel. De gids wisselt de soms visionaire beschrijvingen af met nuchtere opmerkingen en zakelijke en huishoudelijke mededelingen. ‘In de hel verlichte blankwitte ovaalvormige zaal/ botst u op de naar waarheid zoekende blikken/ zwevend onder zwaar bepakte grijze wolken/ in het voorgeborchte van appartementsgrauwe blokken/ of vastgenaaid aan lang uitgestrekte peter pan/ strandschaduwen – let u bij het verlaten van de ovalen zaal op/ voor de twee treden omlaag/ menig is hier al gevallen-‘, waarna de rondleiding voortgaat. Ook dit lijkt me een schitterende performance.

Essentieel is ook de verwijzing naar beeldende kunst. Soms noemt hij zomaar een reeks filmsterren op, gemengd met tv-persoonlijkheden. Pag.59: ‘fernandel bardot truffaut corsari/ kraakje tante terry nonkel bob/ et si tu n’existais pas/ je sais je sais je sais/ on top of the world/ du bist alles..’ Of hij suggereert een film in het gedicht ‘het verzonnen land’ : filmische far west struiken/ verveeld en desolaat voort geblazen door de wind/ geen mondharmonica/ geen dialogen/ 2001 a space odysee without monkeys and bones’. Wie denkt hier niet allereerst aan de beginsequens van Once upon a time in the west? Van Ostaijen roemde de cinema al; Paul zou deze poëzie leuk gevonden hebben, omdat ook Briers versjes voor ‘zijn plezier’ lijkt te schrijven. In het gedicht ‘lijfje’ zucht hij in een soort stockregel: ‘Ik heb Veronesi moeten lezen’ en het lijkt een opgave.

Het is erg moeilijk om uit deze bundel een gedicht in zijn geheel te citeren, maar om toch nog de beeldende kunst recht te doen dit fragment uit het gedicht ‘garnalen’:

Ik versier je

Aan de bovenzijde zilt zeewier uit een supermarktkoeltoog
symmetrisch links en rechts twee schelpen
uit een verzonnen land
rondom rond rijkelijk een bruinesuikerstrand van tienen

ik neem er een foto van

andywarhol’m
wimdelvoye ‘m
annemievan kerckhoov’m

Het is een plezierige bundel, die lekker leest en toegang geeft tot lagen onder de poëzie, daar waar de onmacht ligt. Er zijn gevoelens onder de tekst. Er zijn verwijzingen die een beroep doen op het verstand, hoewel gevraagd werd dat te parkeren. (Is ‘tienen’ achter het ‘bruinesuikerstrand’ de plaats Tienen waar de suikerfabriek ligt of is het iets anders?) De wereld buiten treedt door middel van namen en citaten de poëtische wereld binnen terwijl die poëtische wereld op zijn beurt weer uitreedt door neologismen, grappen. Maar of we ooit vulkanen zullen zijn, zelfs als we ‘anne teresa’ de keersmaeckerbewegingen’ maken: ik waag het te betwijfelen. Ik moest aan de regel van Kouwenaar denken: ‘de mens schuilt weg in het woord’.

***

Geert Briers werd geboren in 1964. Hij is werkzaam in het boekenvak in Antwerpen en bedenker van de succesvolle poëziemanifestatie Rotspaleis (2015). Hij debuteerde in 2013 met Rots me in al je brandingen. Hij treedt veel op , staat op podia en in literaire salons.