Recensie van Rivierklei - Ed Bruinvis

Krabbelsporen

Ed Bruinvis
Rivierklei
Uitgever: Kontrast
2008
ISBN 9789078215509
€ 12,50
60 blz.

Onlangs verscheen bij uitgeverij Kontrast van Ed Bruinvis Open op zondag. Het is een goede reden om eindelijk eens werk te maken van een bespreking van Bruinvis’ debuut Rivierklei, een bundel die wel erg lang op de Meanderburelen heeft gelegen.

De meeste gedichten die Ed Bruinvis in Rivierklei heeft gebundeld, spreken wel erg voor zichzelf:

Hoog gras

Ik volgde de hazen
Struikelend door kniehoog gras
Ik dacht je zo te kunnen vinden
Droomde dat je hier nog was

Ik volgde een waterjuffer
Langs de oever en het riet
Ik had gehoopt je te ontmoeten
In hoog gras, je was er niet

Ik volgde wel duizend muizen
Tussen de halmen van het gras
Dacht je zo te kunnen treffen
Waar je in het veld ook was

Ik volgde miljoenen mieren
Langs de randen van het pad
Had gedacht je zo te vinden
Maar heb geen geluk gehad

Dat rijmt, jazeker. Het laat ook heel dichterlijk een groot gedeelte van de bladzijde wit, maar wat valt er verder in het wit te lezen? De enige regel die zich als een piepklein bloemetje boven het maaiveld verheft is de twaalfde. Daar zouden we met enige welwillendheid naast de voor de hand liggende betekenis in kunnen lezen dat de ‘je’ eerder ook al in het veld was (samen met de ik-persoon). Nu ja, we zouden kunnen proberen de hele tekst in gedachten op te krikken door te veronderstellen dat de ‘je’ geen persoon is, maar iets anders, een gevoel, een herinnering, of misschien de poëzie zelf. De dichter zoekt de ‘je’, maar vindt die telkens niet… Een juiste conclusie niet alleen bij deze tekst, vrees ik. Veel gedichten in de bundel blijven (te) plat op het papier liggen om echt poëzie te kunnen worden. Hoewel, soms steekt er iets uit:

Klaproos

Daar staat ze weer
Zacht wiegend
Net als iedere keer
Vanuit het niets herrezen
Met haar rood fluwelen kap
Op dunne steel
Vol levenssap
Eenvoudig mooi te wezen

Ook rijmend en ook veel wit. Toch is dit beter. Waarom? Waarschijnlijk omdat de tekst zelf als een soort klaproos ‘eenvoudig mooi te wezen’ staat. De mogelijke verwijzing naar zichzelf maakt het poëzie. Poëzie, die immers altijd ‘staat’ waar we haar lezen.
Helaas blijkt het eenvoudig mooie niet altijd eenvoudig te realiseren. Eenvoudig is het wel vaak, maar dat is eenvoudig niet genoeg. Er moet iets worden toegevoegd:

Tot hier

Het stond tot hier, zegt ze
En wijst in het zwakke licht
Op een potloodstreepje
Naast de kast op het behang

’s Nachts kwam het, zegt ze
En ze beeft nog als ze denkt
Aan hoe ze wakker schrok
Dat vreemde ruisen in de gang

Ik moest omlaag, zegt ze, maar
Al dat kolkend water op de trap
Ik weet, de Here waakt maar
O, mijn God, wat was ik bang

Het huis bleef staan, zegt ze
Maar schuur en stal en al het vee
Ze zwijgt en veegt haar ogen af
En even trilt haar wang

Het deurtje piept, kijk, zegt ze
En strooit wat uit een busje
Elke dag een beetje, dat is goed
Dan blijft hij beter aan de zang

De toegevoegde waarde zit hem hier wellicht in de spanning tussen chaos en orde. ‘Al dat kolkend water op de trap’, in de derde strofe, vormt een mooi contrast met ‘Elke dag een beetje’, in de laatste strofe. Een boerenvrouwtje – waarschijnlijk al op leeftijd – als exponent van de oude wijsheid die zegt dat we het beter rustig aan kunnen doen, om het lijntje niet te laten breken. De trap (het leven?) moet elke dag een beetje, treetje voor treetje genomen worden, ‘dan blijft men beter aan de gang’, vertaal ik de laatste regel maar even voor mezelf. En piept het deurtje niet suggestief? Het vogeltje hoeft niet eens genoemd te worden! (Ook omdat het in wezen niet over dat vogeltje gaat.) Een sfeervol plaatje, dit gedicht. Zo uit het leven (van dat boerenvrouwtje) gegrepen. Soms lukt het Ed Bruinvis dus wel.

Wat lukt hem soms wel? Poëzie schrijven, wou ik zeggen. Maar gaat het de dichter in de eerste plaats daarom? Ed Bruinvis zoekt – volgens de flaptekst – in zijn gedichten naar wat nog rest van de streek van zijn jeugd. Flapteksten flappen er vaak maar wat uit, maar in dit geval bevat de tekst toch zinnige informatie: er wordt namelijk door dit te vertellen alleen inhoudelijk gereageerd op de gedichten. De vorm doet er blijkbaar niet zo toe. Echte ravijnen – hoewel die niet direct in zijn geboortestreek te vinden zijn – zullen voor de dichter vermoedelijk belangrijker zijn dan taalravijnen. Iets wat bevestigd wordt door het feit dat de vorm van de gedichten tamelijk – om niet te zeggen zeer – conventioneel is. Ik kan me vergissen, maar het lijkt erop dat hoe bekender (en hoe meer gevierd) een dichter is, hoe meer men spreekt over zijn stijl, zijn vorm, en hoe minder, relatief gezien, over zijn onderwerp. Grappig in dit verband is misschien dat de grote dichter Martinus Nijhoff, die een hele bundel Vormen noemde, vaak zelfs om een onderwerp verlegen zat. Vernieuwing in de poëzie gaat altijd gepaard met vernieuwing in de vorm. ‘Vorm’ opgevat in de wat bredere zin van het woord natuurlijk. Ed Bruinvis lijkt daar niet veel aan gelegen te zijn: hij laat zijn koekjes liefst goed in de vertrouwde trommel passen. Dit hoeft de pret echter niet te drukken. Ondanks (of dankzij?) de simpele vorm en het feit dat er meestal prozaïsch staat wat er staat, vinden we hier en daar in de bundel prachtig taalgebruik. Het volgende gedeelte komt uit het lange(re) gedicht ‘Vroege lente’:

Verend veen vol vuile schapen
Moeizaam gaand op kuddekracht
Met distelklit in moddervacht
En koekend slijk rondom de poten

Zeer beeldend, en fraai allitererend. Een genot voor de tong (die vaak bij tongbrekende taalravijnen vergeten wordt). Ook dit bescheiden dichterschap kent zijn hoogtepunten. De laatste die ik de lezer niet wil onthouden is:

’t Hoge Veld

In lange voren
Ligt glashard bevroren
Neergevallen sterrenveld
Onbereikbaar voor de zon

Het abrupt eind van krabbelsporen
Muis die ondanks spitse oren
En een zintuig voor geweld
Niet aan de uil ontsnappen kon

‘Onbereikbaar voor de zon’ speelt deze poëzie zich wel hoofdzakelijk in de schaduw af. In de schaduw van die ‘grote andere’, zal ik maar zeggen, die zich baadt in de zon van de roem. Wie veel van die andere poëzie leest (waarin poëtica’s vaak voorkomen) krijgt misschien de neiging om in de eerste regel van dit gedicht ‘lange voren’ als zinnen op te vatten, als dichtregels. De dichter zal het wel niet zo bedoeld hebben, maar wat moet je als recensent als je wanhopig met spitse oren en een zintuig voor poëtisch geweld verbeeldingsruimte probeert te vinden?

Welke uil maakt een abrupt eind aan mijn krabbelsporen?