Recensie van Achter het verdwijnpunt - Frans Budé

Het verdwenen verdwijnpunt

Frans Budé
Achter het verdwijnpunt
Uitgever: Meulenhoff
2015
ISBN 9789029091107
€ 17,99
128 blz.

Het verdwijnpunt bestaat niet, het is een perspectivische vertekening van de werkelijkheid. Het is het punt waar twee evenwijdige lijnen, van bijvoorbeeld de boorden van een weg of de oevers van een rivier elkaar raken, het is het punt waar bij een realistisch kunstenaar de lijnen van alles wat hij tekent in samenkomen, om de suggestie van diepte op te roepen. We nemen de afstand die we kunnen waarnemen als vanzelfsprekend aan; we kunnen tot zover kijken, zonder verrekijker niet verder. Toch heet de nieuwste bundel van Frans Budé: Achter het verdwijnpunt. Niet voorbij het verdwijnpunt, maar achter. Het is alsof hij beweert dat er achter dat verdwijnpunt van ons een wereld ligt die durend is, als een andere wereld, een nieuwe wereld, één die niet verschuift met ons reizen door de tijd, maar van een andere, minder vergankelijke orde is.

Eén van de manieren waarop Budé de wereld achter het verdwijnpunt oproept, is door zich te verplaatsen in een aantal kunstenaars en hun werk. In zekere zin zijn kunstenaars de conservators van de wereld waarin zij leven of leefden. Het is altijd de hoop geweest dat een moment van inspiratie, een verrukking of een verschrikking, met welke bedoeling dan ook, langer voortduurt, levend wordt gehouden, zelfs leven wekt: bewustzijn. Soms probeert de kunstenaar op te roepen wat hij niet letterlijk uitdrukken kan. In enkele gedichten roept Budé een kunstenaar op die de werkelijkheid ‘vermomt’ om hem zo zichtbaar te maken. Als eerste is daar James Ensor die de hele wereld als een maskerade voorstelde, of als een vrolijke dodendans, en die zichzelf portretteerde met een zwierige dameshoed op, met veer. Een andere is Christo, een landschapskunstenaar die beroemd is geworden met het inpakken van een stuk rotskust in Australië, het spannen van een gigantisch oranje gordijn in Colorado, het inpakken van de Reichstag, enzovoort. De inpakkunstenaar wordt hij wel genoemd. Ik vermoed dat Budé zich juist in dat element van het kunstenaarschap herkent: vermommen om zichtbaar te maken. Wanneer een rots verpakt is worden de vormen zichtbaar waar je normaliter achteloos aan voorbij zou gaan. Ensor met zijn vreemde hoed, roept vragen op die je jezelf anders zeker niet zou stellen. Dat lijkt mij eveneens het geval met de poëzie van Frans Budé.

Nu is daar op zich niets opmerkelijks aan: elke kunstenaar, elke dichter probeert zijn visie op de werkelijkheid, zijn beleving ervan, weer te geven en op te roepen. Die persoonlijke invalshoek is wat er tot nu toe aan ontbrak. Het is vooral de intensiteit van die beleving die hem het gevoel geeft het met anderen te moeten delen, om op die manier iets toe te voegen aan de werkelijkheid van anderen. Mocht iemand twijfelen aan de zin van kunst: een kunstenaar, een dichter kan ons anders leren kijken naar de werkelijkheid, onze wereld, ons wereldbeeld verruimen.

Zonder woorden, zonder namen, zijn we niet in staat om samenhang te creëren in onze werkelijkheid, zijn we niet in staat om ons thuis te voelen in de wereld. We hebben de woorden nodig om tegenstellingen te kunnen plaatsen, woorden om kleuren te zien, om ervaringen in onder te brengen. Maar woorden schieten tekort, blijken niet in staat om op zich een ervaring uit te drukken, laat staan over te brengen. Daarvoor zijn de dichters uitgevonden. Dichters zijn, als het goed is, thuis achter het verdwijnpunt, en laten met name die werkelijkheid langer duren, want als je denkt dat het ‘de werkelijkheid’ is, dan heb je het mis, om over ‘de waarheid’ maar te zwijgen. Niet voor niets was dat de naam van het communistische dagblad, dat in 1990 werd opgeheven.

Het verdwijnpunt verdwijnt min of meer tijdens een ballonvaart:

Ach, hoe zwierig je nu voortglijdt door het luchtruim,
niet verloren maar zachtjes wiegend boven het ongeloof
dat verbijsterd jou nastaart, snel genoeg vervaagt
Zullen we maar? Rode en blauwe daken die krakkemikkig

verdwijnen, zomerse chaos in de straten, links en rechts
gladgeschoren golfbanen, iele wolkjes boven de holes.
Dit ben ik, hoor je jezelf denken, zwijgend onderweg, opgetild
aan woeste haren, zo lijkt het, gespiegeld in de vijver
van het park. Zonder koffer en papieren, geen uitgezet plan,

geen tranen om hartstochtelijk te huilen in het late middaglicht.
Je herkent jezelf niet meer, klampt je vast aan de stilte van
het alleen zijn, het idee dat iemand je mist, en naroept, urenlang.

(Ballonvaart. Blz. 46)

Hier is de ballonvaarder zelf aan het verdwijnen, voor de anderen langzaam onzichtbaar aan het worden. Hij drijft als spiegelbeeld weg uit een vijver, en herkent zichzelf niet meer: de ene zonder tweede is leegte, zong Tagore, de andere ene maakt hem waar. We hebben de ander nodig om gezien te worden, misschien wel één van de diepste menselijke behoeften. Anderen onderscheiden ons van anderen, en het meeste voelen we ons gezien door iemand die van ons houdt: om onszelf.

‘Zullen we maar?’ vraagt de dichter wanneer hij al zachtjes in de ballon voortglijdt. Dat duidt dus niet op het begin van de ballonvaart, maar op het ‘verdwijnen’ waarmee de volgende strofe begint. Verdwijnen, maar als het even kan wel voortbestaan in de geest van iemand die achter blijft, en die ons mist. Dan hebben we de leemte gevuld in iemands bestaan, zijn die leemte zelf geworden. Zo bestaan we nog steeds wanneer we er niet meer zijn: achter het verdwijnpunt.

De dichter als zijn eigen verdwijnpunt:

Het oversteken van de Maas

Bij elke stap bezig met de overkant.
Vraag het de Maas onder mijn voeten, de meeuw,
onbevreesd dansend boven de stenen brug.

De overkant is een belofte, komt huizenhoog
me tegemoet, flonkert en lonkt, geeft zich halverwege over.

Wyck of Maastricht, beide badend in de roem van eeuwigheid,
keer ik terug of loop ik heen? Steeds dezelfde gedachte
van afscheid en aankomst, terwijl ik mij met kloppend hart
voorwaarts spoed, naamloos opga in de drukte.

Almaar dichter op de andere oever aan, vergezicht
dat eindeloos zich ontvouwt, stadsgrond wordt, waterloop.
Droom die ik bewaar, ik draag hem met mij mee.

Bezig met de overkant. Vroeger had men het over ‘gene zijde’ wanneer men over de dood sprak. Dit gedicht, evenals vrijwel elk ander gedicht in deze bundel, is een gedetailleerde levensvisie. ‘De overkant is een belofte’. Immaterieel, als een droom die hij in zich meedraagt. Het lijkt wel een Boeddhistische zienswijze. Maar waar de Boeddhisten zich van de wereld lijken af te keren, daar is er bij Budé de verknochtheid aan de wereld, geniet hij met volle teugen van de materiële werkelijkheid. De bundel bevat een prachtige reeks liefdesgedichten onder de titel ‘Visioen’ en een reeks die ‘De tuinen van Stultiens’ heet, waarvan de eerste regel luidt: ‘Deze tuinen gaan over verlangens, wind die opsteekt, groene bomen in het kielzog van de zon.’ (..) Er is geen ontkomen aan: Budé plaatst je in je eigen tuin die hij heeft opgeroepen, en je geniet mee van de veranderingen van het licht, terwijl jijzelf ogenschijnlijk onveranderd bent, je bent er nog, je bent er nog steeds… Er is een reeks ‘Bij de bomen’. Hoe liefdevol hij de wereld ook omarmt, altijd en overal is er toch ook de dreiging van het einde: ‘Ik ben afscheid aan het nemen van de hemel/ boven het bos, het labyrint van onderaardse gangen,/ hoor nauwelijks nog een lokroep of dodemansschreeuw,’ en na een witregel volgt dan: ‘sprokkel mijn gedachten. Het bos is een toneel.’ (..) blz. 73.

Dat brengt mij bij de reeks die misschien wel de diepste indruk op mij heeft gemaakt: ‘Hellevuur.’ Die reeks is gewijd aan dichters en schrijvers die tijdens de Eerste Wereldoorlog gesneuveld zijn of zwaar gewond geraakt. Die Eerste Wereldoorlog was misschien wel het toonbeeld van zinloosheid. Waar de Tweede nog helden kende in de zin van ‘diegenen die het fascisme overwonnen’ kende ‘De Grote Oorlog’ alleen maar verliezers. De zinloosheid ten top. Miljoenen soldaten crepeerden onder erbarmelijke omstandigheden. In 2008 verscheen van Geert Buelens ‘Het lijf in slijk geplant’ een vuistdikke bloemlezing van gedichten uit de Eerste Wereldoorlog. De gedichten van Budé hadden daar naadloos ingepast. En op welke wijze! Alle clichés zijn aanwezig; de modder, de stank van ontbinding, bloed, stront, urine, noem maar op, de hele helse apocaliptische mikmak van de menselijke onmacht om lief te hebben, maar de manier waarop Budé met de taal speelt, tilt deze reeks ver uit boven de clichés van verschrikking die, met name in 2014, door nogal wat dichters tenenkrommend zijn vertolkt. ‘Schrijf nooit over iets wat je nooit heb meegemaakt’ heb ik destijds vaak gedacht. Dat Budé dit zonder enig vals sentiment heeft geklaard is een teken van groot dichterschap. De manier waarop hij deze reeks heeft gecomponeerd deed mij aan minimal music denken, als van Simeon ten Holt: elk gedicht bevat soortgelijke elementen, maar de rangschikking is anders, en nergens wordt de essentie uit het oog verloren:

De scherven in het been van Hemingway

Over de Alpen heen klinkt het gejammer van Ieper, Passendale,
Verdun en Somme, vermengt zich met het gekreun in Italië,
het vervaarlijke sissen van lichtpijlen. En niet te verstommen
het gebulder van kanonnen, in het aardedonker witte walm

zoekend zijn weg boven de kronkelende Piave, als naast je
een granaat inslaat in de bagger, en jij, ver, heel ver weg
door een ijskoude wind achter de coulissen van de dood naar
gifgroene velden wordt gedragen, stank van pus en smurrie,
doorweekte matrassen, kapotgeschoten levens. Aarzelend valt

het ochtendlicht op de witte kom naast je bed, als een spinrag
de barstjes in het aardewerk, klontertjes bloed op 227 stukjes
metaal, één voor één uit je been gehaald. En toch: hoe blij je bent.

Achter het verdwijnpunt is een bundel die je uitnodigt om voorbij je horizon te kijken, telkens nieuwe uit- en inzichten biedt en die zo rijk is dat je er niet op uitgelezen raakt.

***

Van Budé verschenen tot nu toe dertien dichtbundels, een novelle en een boek met beschouwend proza. Zijn debuutbundel was Vlammend marmer (1984), zijn voorlaatste Transit (2012). Een aantal van zijn gedichten is vertaald in het Frans, Duits, Engels, Spaans, Pools, Chinees en Indonesisch.

Recensie van Bestendig verblijf - Frans Budé

Poëzie Kort: Vijfentwintig jaar Budé

Frans Budé
Bestendig verblijf
Uitgever: Meulenhoff

ISBN 9789029084567

blz.

Sinds 1984 publiceerde de Limburgse dichter Frans Budé (1945) bij uitgeverij J.M. Meulenhoff in totaal elf dichtbundels: Vlammend marmer, Een leem, Grenswacht, Nachtdroom, De onderwaterwind, Maaltijd, In Remersdaal, Alles gaande, De trein loopt prachtig binnen, Blauwe rijst en onlangs zijn nieuwste Bestendig verblijf.

In het gelijktijdig met Bestendig verblijf verschenen essay Dat niets meer voorbijgaat verdedigt Morriën-biograaf Rob Molin Budé tegen allerlei aantijgingen van epigonisme. Na Gerrit Kouwenaar, Hans Faverey en H.C. ten Berge is er gewoon een nieuwe generatie dichters gekomen voor wie het autonome karakter van de poëzie steeds weer een doorslaggevende rol speelt bij het schrijven van hun gedichten. Gedichten die, ondanks de ook aanwijsbare familieverwantschap, toch wel degelijk per dichter een eigen stijl vertonen.

Hoe dat bij Budé zit, kun je bijvoorbeeld nagaan met behulp van zijn nieuwe bundel Bestendig verblijf, een stevig boekwerk van 144 bladzijden, met een tiental reeksen gedichten, waarvan er één (‘Niemand ziet’, blz. 85-103) gekoppeld is aan schilderijen van diverse kunstenaars (Ensor, Hopper, Bacon, enzovoort). Bestendig verblijf biedt een mooie staalkaart van Budés kunnen, waarbij ik persoonlijk de reeks ‘Opname’ (blz. 75-83) een van de fraaiste vind. Hieronder het titelloze gedicht waarmee deze reeks begint.

Iemands stem stapt door mijn hoofd,
begint te vragen uw schoenen uit.
Het is waar dat men hier zo nadert,
de dag sluit, het glas van tafel, mij

mijn kleren af. Wie ruikt hier zo
naar ziekenzalen, bed na bed
het lopen van de koffie, belangrijk

kleiner de resten van een sigaret, krulletjes
ergens afgevallen, o wee, rusten zacht.

Zo de dunst mogelijke rook, getuite
lippen en toch de slappe lach gekregen.
 

J.M. Meulenhoff, 144 blz., € 19,95. ISBN 9789029084567