Recensie van De 100 beste gedichten van de Eerste Wereldoorlog - Geert Buelens

Te lang al was er vrede

Geert Buelens
De 100 beste gedichten van de Eerste Wereldoorlog
Uitgever: Ambo
2014
ISBN 9789026327247
€ 15
208 blz.

Voor De 100 beste gedichten van de Eerste Wereldoorlog kon Geert Buelens putten uit zijn omvangrijke (672 blz.), al in 2008 verschenen bloemlezing Het lijf in slijk geplant, een boek dat destijds gelijktijdig uitkwam met zijn imposante studie Europa Europa! Over dichters van de Grote Oorlog, waarin hij liet zien dat het schrijven van poëzie over WO I niet was voorbehouden aan de Engelstalige dichters alleen.

Met het uitzoeken van hoe er elders (in Europa, in de wereld) over of naar aanleiding van deze dramatische slachtpartij geschreven werd, was hij al veel langer bezig, want hij verzorgde in 2004 de research voor Tom Lanoye’s Overkant. Moderne verzen uit de Groote Oorlog, de Europese aanvulling op het in 2002 uitgekomen Niemands Land, waarin Lanoye uitsluitend de oorlogslyriek van de bijna mythisch geworden, veelal jong gestorven Britse War Poets had verzameld en bewerkt. Op zijn beurt is Lanoye nu weer aanwezig in Buelens nieuwe bloemlezing, met de informatieve inleiding ’Grote oorlog, knetterende letteren.’

Om Het lijf in slijk geplant terug te brengen tot het gewenste honderdtal, moest er uiteraard flink geschrapt worden. De selectie War Poets is bijvoorbeeld zo beperkt gebleven, dat Buelens daarvoor verwijst naar de bloemlezingen die Jan Eijkelboom ooit maakte voor Wagner & Van Santen: Maar deze dingen ook (1997) en De War Poets (2002). Toch ging Buelens aan Rupert Brooke, Siegfried Sassoon, Ivor Gurney, Isaac Rosenberg, en Charles Hamilton niet helemaal voorbij, en hij vermeldt zelfs speciaal, dat in een bloemlezing met de 100 ‘beste’ gedichten twee teksten niet móchten ontbreken: ‘In Flanders Fields’ van de Canadese legerarts John McCrae en ‘Dulce et decorum est’ van Wilfred Owen.
Over dat laatste gedicht had de Ierse schrijver W.B.Yeats trouwens een heel andere mening. In de inleiding van zijn bloemlezing The Oxford Book of Modern Verse (1936) stelde hij: ‘passive suffering is not a theme for poetry’ en hij nam poëzie van Wilfred Owen daarom niet op. ‘He is all blood, dirt and sucked sugarstick and so on.’

Dat WO I in alle opzichten een globale aangelegenheid was, de hele wereld leefde mee of beschouwde na, maakt Buelens met zijn keuze volstrekt duidelijk. Er zijn in zijn boek meer dan vijfentwintig nationaliteiten vertegenwoordigd en dat zijn uiteraard lang niet allemaal die van de overwinnaars, of van degenen die ooit zo opgewekt hun frische fröhlicher Krieg begonnen, al of niet in de hoop dat ‘’t wankel bouwwerk van de tijden’ teloor zou mogen gaan in een kuil van bloed, een nieuwe wereld tegemoet, zoals de Russische patriot Valeri Brjoesov op 2 augustus 1914 hoopte. Dat het met die kuil van bloed wel goed kwam, weten we. Op dezelfde dag schreef Pessoa in een ‘Martiale ode’: ‘O onbegrijpelijk gemurmel van de dood als ware het wind in het gebladerte…’

De gedichten uit/van/over WO I – de voorzetsels laten zich door elkaar gebruiken – blijken lang niet allemaal eenvoudig van vorm en inhoud te zijn, noch steeds gemakkelijk aansprekend. Door de oorlog kwamen alle zekerheden onder druk te staan, en in de kunst moesten tradities en conventies wijken voor de moderniteit. De wereld was ontmenselijkt, de oude moraal failliet, wat leidde tot al die –ismes (van absurdisme, nihilisme en futurisme tot expressionisme, surrealisme en dadaïsme) die ook in de dichtkunst manifest aanwezig waren. Lanoye schrijft er in zijn inleiding mooi over en vat aldus samen: ‘Arcadia maakte plaats voor Het barre land.’ (The Waste Land, T.S. Eliot, 1922; Buelens nam er een kort fragment uit op.)
In deze bundel is het aandeel min of meer experimentele poëzie dan ook groter dan je in een oorlogsbundel zou verwachten. In ieder geval loopt de avant-garde ook hier voorop: Georg Trakl, die bij de Slag om Grodek de woedegod ontmoette, Tristan Tzara, die in ‘Oorlogslied’ schreef ‘Mama,/ Ik huil de hele tijd als een toonladder die niet verder kan’, en al die anderen Aragon, Majakovski, Ungaretti, Marinetti, Apollinaire, Van Ostaijen. Alle grote namen komen voorbij en vrijwel uit ieder gedicht spreekt grote urgentie. Dit was nu echt poëzie die geschreven móest worden.

Buelens deelde de gedichten in per jaar waarin ze geschreven werden. Voor de vijf oorlogsjaren 1914-1918 zijn dat er 88 en voor de zeven jaar daarna nog twaalf.
Hiermee opent de bundel:

Toch komt de oorlog

Toch komt de oorlog. Te lang al was er vrede.
Dan is de pret voorbij. Trompetten krijsen
Diep in je hart. En alle nachten branden.
Je rilt in je tent. Heet heb je het. Je hongert.
Je verdrinkt. Knalt neer. Bloedt dood. Akkers rochelen.
Kerktorens storten in. Einders staan in vlammen.
Winden rukken. Grote steden kraken.
Aan de horizon staat de kanonnendonder.
Overal uit de heuvels stijgt een witte damp op.
En boven je hoofd ontploffen de granaten.

Alfred Lichtenstein schreef dit door Ton Naaijkens vertaalde gedicht op 9-10 juli 1914. In de aantekening staat dat deze jonge expressionist in de zomer van 1914 zijn dienstplicht vervulde en dat hij op 25 september sneuvelde bij Reims.
Buelens houdt de informatie steeds kort, zodat alle aandacht naar de gedichten gaat, naar ‘Juli 1914’ bijvoorbeeld van Anna Achmatova, met daarin de bijtende regels: ‘Honger, pest en verraad. Zij verderven/ Binnenkort deze wereld, te klein/ Wordt de aarde voor allen die sterven/ En geen hemellicht zal er meer zijn.’
Vier jaar later schreef Ungaretti zijn ‘Soldaten’: ‘We zijn als/ in de herfst/ aan de bomen/ de bladeren’.

Aan meer grote namen geen gebrek: Rilke, Tagore, Yeats, Ezra Pound, maar daarnaast ga je van ontdekking naar ontdekking. Wie kende Samuel Mqhayi die in het Xhosa een aanmoediging schreef voor het South African Labour Contingent? Wie leest er nog Gorters Pan? Buelens nam er een indrukwekkend fragment uit op. En in ‘Op weg naar de exercitieplaats’ van Ber Horowitz klinken zomaar ‘droevige coupletten/ van Oekraïens gezang!’

Zoals het begin van de bundel meteen raak was, geldt dat ook voor de afsluiting ervan, met gedichten uit 1924 en 1925. In het eerste geeft de Tsjech Jan Čarek in ‘Zij die vielen’ de doden een bestaan door ze bij naam te noemen en te zeggen wie zij voor de ander waren. En vanuit het besef ‘altijd te verliezen’ beschrijft de Pool Anatol Stern daarna heel symbolisch het ABC van slachtingen als een wereldoorlogsfilm, als een dans waaronder de parketvloer van Europa bezwijkt. Toen moest WO II nog komen, maar de waarschuwing blijft voor onze tijd onverminderd gelden. Zeker de oudere generatie leeft in het besef ‘voor de oorlog’ te leven.

Daarom tot slot toch nog maar een citaat van een War Poet, de laatste strofe van Siegfried Sassoons ‘Zelfmoord in de loopgraven’:

Braaf volk, dat graag applaudisseert
Als Jan Soldaat voorbijmarcheert,
Bid dat ie voor jou niet bestaat,
Die hel waar jeugd en vreugd vergaat.

(vert. Rob Schouten)

***
Geert Buelens (1971), sinds 2005 hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde in Utrecht, is daarnaast dichter en essayist. Zijn bundel Het is werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2002 en bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2003. De bundel Verzeker u is van 2005 en recent verscheen Thuis. Zijn studie Van Ostaijen tot heden (2001) werd bekroond met de Vlaamse Cultuurprijs voor Essay en Kritiek en de Literaire Prijs voor Essay van de Provincie Antwerpen.