Recensie van Open ogen - Remco Campert

De ontwapenende blik van de oude dichter

Remco Campert
Open ogen
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789023462835
€ 17,99
48 blz.

Wie ouder wordt gaat het meestal niet zo goed meer af om zonder bril te lezen. Ik bedoel dit vooral in overdrachtelijke zin. Alles wat we eerder hebben gelezen en meegemaakt kleurt onze interpretatie. Om nog maar te zwijgen van de vertekening die optreedt wanneer we weten dat een tekst door een bepaalde auteur geschreven is. Het is moeilijk om dan een open blik te houden. Mijn vorige recensie ging over Frank Boeijen. Uitersten, jawel. Voor de grap had ik een tekstfragment van Frank Boeijen op Facebook gezet, met als post: ‘De nieuwe bundel van Campert is uit. Ik kan niet wachten!’ Het bericht werd enthousiast geliket, er was niemand die op het idee kwam dat deze woorden voor Campert toch een beetje aan de lichte kant waren. Men las de woorden door een roze bril.
Ik zal proberen in deze bespreking deze leesbril af te zetten. Een andere bril kan ik echter moeilijker afzetten. Vanuit mijn werk met ouderen als psycholoog in verpleeghuis en ziekenhuis heb ik een speciale belangstelling ontwikkeld voor poëzie die over de ouderdom spreekt. In het bijzonder voor dichters die op hoge leeftijd de pen pakken, en zelf verslag doen van hun wederwaardigheden. Van het gevecht tegen de tijd, tegen de aftakeling. Van het zoeken naar zin, wanneer het moment komt om de balans op te maken. Deze belangstelling begon met mijn ontdekking van Voorlopig (1976), de bundel die Adriaan Roland Holst op 88-jarige leeftijd liet verschijnen. Even oud als Campert nu is. Ik kom daar later op terug. Laten we eerst de bundel eens ter hand nemen.

Vrienden

Vandaag is het nu avond
gegeten met liefste vrienden
even ontheven aan poëtische plicht
op lachen gericht van elkaar weten
dat het diepste van de liefde de vriendschap is

ik schrijf een end van me weg
maar hoop dichterbij te komen
bij mijn vrienden en u
altijd op weg
waar eindigt ons pad?

Het tweede gedicht uit de bundel begint nogal apart. Het is avond, of eigenlijk is de avond waarover geschreven wordt al vrijwel voorbij. De formulering ‘Vandaag is het nu avond’ is zowel onbeholpen als aandoenlijk. Ook blijft ‘ontheven aan’ haken, waar ‘ontheven van’ logischer zou zijn. Maar het gaat natuurlijk om de regels hierna, de ervaring dat vriendschap misschien wel de hoogste vorm van liefde is. Poëtisch zit de eerste strofe subtiel in elkaar, met het kruisend binnenrijm ontheven/weten en plicht/gericht in r3/r4, en de sterke assonantie in r5: diepste / liefde / vriendschap. In de tweede strofe zetten we een paar stappen achteruit. Woordspelingen met ‘dichter’ zouden verboden moeten worden. En de laatste twee regels ‘altijd op weg / waar eindigt ons pad?’ zouden de eerder genoemde Boeijen niet misstaan. Kortom, zo aan het begin van de bundel is onze aandacht getrokken, maar we zijn nog niet overtuigd.
Het derde gedicht begint tastend: ‘Ik zou kunnen zeggen / ja wat niet al / aan woorden geen gebrek / goede woorden?’ De rammelende tweede zin is zelfs tot titel van het gedicht verheven: ‘Ja wat niet al’. Was dit de bundel van een onbekende debutant, dan was dit het moment om hem terzijde te leggen. Maar de slotregels zijn in de roos: ‘vergeet niet de vorm te vergeten / zelfgekozen gevangenis / open die kooi voor het laatst en voorgoed’. ‘Niets is minder vrij dan het vrije vers’ schreef T.S. Eliot al honderd jaar geleden. De dichter is zich ervan bewust, dat je zo weer in de valkuil van een verwachtingen scheppend ritme of rijm loopt. Of je nu kiest voor een vaste vorm of voor het vrije vers, de beperkingen die je jezelf oplegt bij het schrijven kunnen een gevangenis worden. En ook daar wil de dichter uitbreken, in misschien wel zijn laatste bundel. Een paar gedichten verderop neemt Campert een voorschot op alle kritiek: ‘dit is geen grootse poëzie / weinig bevlogen’. Waarmee hij ons lijkt te zeggen: ik schrijf nu wat ik van mezelf moet schrijven, wat ik nog gezegd wil hebben. Daarbij zal ik wanneer dat nodig is zelfs slechte regels laten staan.

In ongeveer de helft van de gedichten uit Open ogen blijft Campert dicht bij huis. Hij schrijft over het schrijven van poëzie, het ouder worden, herinneringen aan vrienden of gewoon over een voorjaarsbuitje tijdens een ommetje in de buurt. De andere helft van Open ogen heeft in de pers veel aandacht gekregen. De bundel opent nogal provocerend met de volgende regels: ‘Afgerukt been bot bloed / laaiend vuur in de vlieghal’ (uit: ‘Zaventem’). De achterkant had ons al gewaarschuwd: ‘De wereld kwam niet eerder zo hard binnen in de gedichten van Remco Campert.’ Campert nam achttien gedichten op die over de actualiteit gaan zoals die dagelijks in al zijn heftigheid tot ons komt (oorlog, vluchtelingen, aanslagen). Vier daarvan hebben betrekking op de Tweede Wereldoorlog, die hij als jongen meemaakte, maar de meeste van deze gedichten gaan over de oorlog in Syrië, aanslagen in België en Frankrijk, en over vluchtelingen die verdrinken op de Middellandse Zee of in Europa op een grens van prikkeldraad stuiten. Na het schokeffect van het openingsgedicht zijn deze gedichten gegroepeerd in de tweede helft van de bundel.

Open ogen

Soms die gezichten van Syrische vluchtelingen
waarvoor Orban van Hongarije
zijn grens gesloten houdt
hij laat zelfs op ze schieten
ik geloof mijn ogen niet
hoewel ik ze wijdopen sper
’s nachts nog voor ik droom
trekken ze voorbij
en kijken mij vragend aan

De titel van de bundel gaat dus over de ogen van de dichter, die ons door zijn bril altijd wat licht vergroot en vragend lijken aan te kijken. De voorkant van de bundel toont een enigszins abstract zelfportret uit 1986, waarin zijn kenmerkende blik nog net herkenbaar is. Campert gelooft zijn ogen niet, en gebruikt sobere taal om het ongelofelijke leed dat de huiskamer binnen spoelt te verwoorden. Hij lijkt daarbij vaak min of meer bewust voor naïviteit te kiezen. Vluchtelingen zijn het slachtoffer van ‘het streven / van een machtsbeluste dictator’. Waarbij hij zich in een ander gedicht net zo makkelijk tegenspreekt: ‘ik vervloek de schuldigen / die zijn als altijd anoniem’. De dichter kan niet om de ‘actuele lijken in de middellandse zee’ heen, zijn poëzie raakt ervan doordrongen. Evengoed realiseert hij zich, dat zijn individuele protest niet het verschil zal maken voor het jongetje ‘bedekt met bloed / en asgrauw puinstof’: ‘dit gedicht helpt hem niet / maar het is genoteerd’. Zo lopen de persoonlijke en politieke thema’s naadloos in elkaar over. In de gedichten over vluchtelingen gaat het ook over poëzie, en zelfs ook over de slapeloosheid van de oude dag.

Dood

Ik denk aan de dood mijn dood
ik denk derhalve aan niets
de dood is het niets
aan niets kun je niet denken
aan sterven kun je denken
maar te pijnlijk te ontwricht
de dood is het uiteindelijke
allesomvattende gedicht

Campert varieert in dit gedicht op de oude uitspraak van de stoïcijnen ‘Waar ik ben, is de dood niet, en waar de dood is, ben ik niet’. Het is een kleine gedachteoefening in het licht van zijn onvermijdelijk naderende dood. Hoewel, naderend, de tijd dat je op je honderdste verjaardag de burgemeester op bezoek kreeg is wel voorbij. De dichter lijkt zichzelf gerust te willen stellen, vanuit de materialistische visie dat met de dood alles ophoudt. Een kortdurende geruststelling, want de doodsangst ligt toch op de loer, en laat regel 6 ontsporen. Het (denken aan) sterven lijkt me eerder ontwrichtend dan ontwricht. De laatste regel is paradoxaal. Het is niet waarschijnlijk, dat de dood nu opeens een gedicht is, immers de dichter had net betoogd dat de dood niets is. Subtieler wordt het, wanneer we ‘gedicht’ als een voltooid deelwoord proeven: het uiteindelijke, het allesomvattende wordt door de dood afgesloten, dichtgemaakt.

In Open ogen gaat Campert de confrontatie met de eindigheid van het leven aan: ‘Een verdriet komt over me / de weg loopt op / ik zie het einde niet (…) / verdriet / hoop op slaap eindeloos’. Ik heb het eerder genoemde Voorlopig, de bundel die Adriaan Roland Holst op 88-jarige leeftijd liet verschijnen, er nog eens op nageslagen. Roland Holst wilde nog één keer vlammen, maar is het meest ontroerend in die gedichten, waarin hij zijn dood onder ogen ziet: ‘Weldra leg ik mijn pen / voor altijd neer en staar / naar wie ik was en ben / en blijf tot aan de baar.’ (‘Wie weet?’) ‘Hij keek tot hij met open ogen / en voorgoed in zichzelf verdween.’ (‘Einde’)
De oorlogsgedichten in Camperts jongste bundel hebben veel aandacht gekregen. Mij raken zijn gedichten over de oude dag het meest. Open ogen wordt beter naarmate ik hem vaker lees. De oneffenheden blijven, maar ze worden steeds zichtbaarder onderdeel van wat de dichter ons in al zijn naakte en ontwapenende eerlijkheid wil vertellen.

Recensie van Verloop van jaren - Remco Campert

Het verloop van een dichterschap

Remco Campert
Verloop van jaren
Uitgever: De Bezige Bij
2015
ISBN 9789023496946
€ 19,90
72 blz.

Wie schrijft die blijft. Daar was men vroeger zeker van. We vinden de namen van dichters en schrijvers terug in straatnamen, dikwijls zonder de vermelding van welke tak van literatuur zij hebben beoefend. Data ontbreken vaak. Als de straat of laan maar een naam heeft, dat is waar het om gaat. De rest is stilte. Als je vijftig jaar na je dood nog gelezen wordt, dan ben je een uitzondering.

Hier moest ik aan denken nadat ik de nieuwste (ik had bijna geschreven: laatste!) dichtbundel van Remco Campert had gelezen. Het laatste gedicht gaat zo:

40

Wat zal ik zien
mijn laatste ogenblik op aarde?
Het gezicht van mijn geliefde?

Wat zal ik horen?
De fluistering van haar stem?
De laatste tik van de monitor?

Wat zal ik horen en zien?
De lippen van de verpleegster?
Het kuchje van de dokter?

Horen en zien zullen me vergaan
als de rukwind van de dood
me van mijn adem berooft.

En mijn woorden?
De wind zal ze meevoeren
en over de aarde verspreiden.

De bundel Verloop van jaren heeft als ondertitel: ‘40 poëtische notities’. Toch zijn ze allemaal, als gedichten, in strofen verdeeld. Dat zij desondanks poëtische notities worden genoemd, is niet zonder reden: vaak zijn ze niet meer dan dat, hoezeer ze ook op gedichten mogen lijken.

Een goede manier om het poëtische gehalte van een tekst te meten, is om hem te parafraseren. Een goed, een werkelijk gedicht ontsnapt aan een omschrijving; je vertelt het niet na. De essentie laat zich niet parafraseren.

In de eerste tekst schrijft hij een brief aan iemand van wie hij geen antwoord verwacht. Hij verwacht zelfs niet dat de persoon zich hem herinnert: ‘je Walter / tekent hij. die met dat stekelhaar/en brosse heette dat toen/ in te memoreren tijd’.
Er is heel weinig in deze tekst dat aan poëzie herinnert, behalve: ‘(..) ik weet een brief is ongewoon geworden / schrik dus niet / zoals de vogel / vloog laatst mijn kamer binnen / radeloos gefladder / vond een uitweg / mijn hart bonsde lang na’.

De schrik van vogel en schrijver, en het bonzende hart waarmee hij de brief waarschijnlijk schrijft.

Walter.
Er zijn meerdere gedichten waarin we hem tegen komen, als een soort alter-ego. Soms komt het wat vreemd over:

2

Wees niet bang
dit gaat niet over liefde
verloren en betreurd
aan liefde raak je gewend
niet de slechtste gewoonte
Walter weet er alles van
god wat heeft hij lief
zo dat het pijn doet
(..)

Waarom schrijft Campert niet gewoon in de ik-vorm, de vorm waarin de rest van de tekst wordt voortgezet? Om welke reden schreef hij: ‘Wees niet bang/ dit gaat niet over liefde’ – terwijl deze eerste strofe nergens anders over gaat? Liefde verloren en betreurd. Is het aan liefde gewend raken niet de slechtste gewoonte? Gewend raken aan liefdespijn? Liefdespijn heeft meer met een tekort aan liefde te maken dan met de liefde…

In de derde notitie blijkt hij nog steeds aan iemand schrijven:

Golven van beweging
geen gekabbel is het leven
weet ik nu

Een berg in nevel gehuld
wilde ik zijn
maar stormen onthulden me
ik was een naakte letter
zonder alfabet

Walter groet je
hij heeft je goed gekend
al zag hij je toen
voor een ander aan

Een jongen die zichzelf brieven schreef
denkend dat hij de wereld was
wat een ruime wereld
het hield maar niet op

Walter wil toch wel graag antwoord
al verwacht hij niets

Waren deze poëtische notities niet als gedichten geschreven, dan was de duidelijkheid waarschijnlijk groter geweest, dan was: ‘al zag hij je toen / voor een ander aan’, niet gevolgd door:
‘Een jongen die zichzelf brieven schreef/ denkend dat hij de wereld was’.

Zijn ook deze notities een schrijven aan zichzelf? Een naakte letter zonder alfabet. Iemand dus zonder verbindingen die hem betekenis zouden kunnen geven. Mijn god, wat een eenzaamheid.
Dat gevoel is het meest overheersende dat mij is bijgebleven van deze bundel.
Een berg in nevel gehuld, die onthuld werd?
Het is opvallend hoe weinig Campert van zichzelf laat zien. Het ontwijken van het concrete, het tastbare, is zo tot een tweede natuur geworden, dat ook zijn poëzie (laten we het toch maar zo noemen) daar onder lijdt. In notitie 5: ‘(..) liever geen biografie / waarin al deze gevoelens worden gemist / het cement van zijn leven / Walter bestaat uit gevoelens / maar een autobiografie / is ook weer zoveel werk’.
‘(..) Walter leeft nog even /nee sterker nog / Walter gaat nooit dood / dat is hem voorzegd / door de grote dode dichter Lucebert / die voortleeft in het woord’, schrijft Campert in 29. Een biografie van Walter. Het mag niet te dicht bij Campert komen. Het zou zijn schrijnende behoefte aan een voortbestaan weleens minder relativerend weer kunnen geven dan hem lief is.

Veel van de anekdotes die hij vertelt zijn zo weinig specifiek, dat ze onder het genre: ‘Opa vertelt’ geschaard kunnen worden. Er gebeurt niet zo veel meer in zijn leven. Hij wandelt door de stad, en een mooi meisje vraagt om zijn handtekening en streelt zijn ijdelheid, die hij als hovaardig ziet. Hij droomt van dode vrienden, zijn vader, hij herinnert zich de oorlogswinters, maar vangt dat in vooral clichés: blonde gehelmde soldaten bijvoorbeeld – Duitsers natuurlijk.
Melancholie?
Ja, ook bij mij. Naar de Campert die verloren is. De geroemde lichtheid van Campert is hier verworden tot oppervlakkigheid. Ik begrijp zijn behoefte om nog creatief te zijn. Ik begrijp zijn behoefte om iets moois na te laten. Maar dat heeft hij immers al gedaan? Meer dan talloze anderen. Dat het vermogen om vitale gedichten te schrijven met de ouderdom is afgenomen gaf Judith Herzberg treffend weer in de bundel Het vrolijkt (uitgeverij De harmonie): ‘Het tierelantijnse schrijven / is je nog wel gegund / terwijl je niet meer / kopjeduikelen kunt’.

Eerlijk gezegd vind ik het jammer dat deze poëtische notities gepubliceerd zijn. Het is niet zo leuk om iemand die je bewonderd hebt, en nog bewondert in zijn oude werk, opnieuw tegen te komen in een afgetakelde gedaante. Campert schrijft alleen nog maar over wat hij kent of denkt te kennen.
De wereld met alles wat erin omgaat dringt nauwelijks meer tot hem door. Er is bijna alleen nog maar verleden. De nieuwsgierigheid is gedoofd, de lust om te ontdekken wat je met taal kunt doen, de mogelijkheid om ermee te spelen.

Schrijven laat de herinnering niet ongemoeid. Het vertekent die, en neemt vaak de plaats ervan in.
Dat is Campert zich zeer bewust. In 37 schrijft hij:

Eindelijk lag ik naast haar
ze wilde dat ik haar bezat
maar mijn lichaam taalde er niet naar
het was net als een gedicht
je moet het eigenlijk niet schrijven
wil je het bezitten

Hij zegt dus eigenlijk dat hij haar bezat, zonder haar te nemen. Zoals de poëzie van een gedicht nog intact zou zijn, innerlijk zou voortbestaan wanneer het niet geschreven was.
Maar dit is wel één van de treffendste gedichten van Verloop van jaren en dat zouden wij dan hebben gemist.

Recensie van De Stad - Remco Campert & Jeroen Henneman

Ik moest geen enkele kant uit

Remco Campert & Jeroen Henneman
De Stad
Uitgever: De Harmonie
2014
ISBN 9789076174334
€ 29,90
80 blz.

Uitgeverij De Harmonie bracht dichter Remco Campert (1929) en diens vriend Jeroen Henneman (1942) samen voor De Stad, een op fors formaat uitgegeven boek (een maatje meer dan A4) waarin poëzie en beeldende kunst samenkomen. Campert selecteerde uit Remco Campert Dichter (De Bezige Bij 2011) vijftien gedichten en Henneman leverde 23 prenten, waarvan vier vol in kleur en de andere voornamelijk zwart-wit.
Nu is de combinatie kunst-poëzie natuurlijk vertrouwd, en meestal gaat het een dan in op het ander: het gedicht doorgrondt op de een of andere manier bijvoorbeeld tekening of schilderij, de illustratie werpt een bepaald licht op het gedicht. Bij Campert en Henneman staat beider werk volstrekt los van elkaar; je zou hoogstens kunnen zeggen dat de prenten van Henneman Camperts gedichten een context geven van een zekere terloopsheid en onnadrukkelijkheid. van vervreemding ook wel, al is dat volkomen gevoelsmatig gezegd.

De gedichten van Campert hebben in deze uitgave een veel prominentere plaats dan afzonderlijke gedichten meestal in een bundel of een bloemlezing mogen innemen. Ieder gedicht krijgt een aparte titelpagina, waardoor het lijkt alsof iedere tekst een apart hoofdstuk is. In feite is dat natuurlijk ook zo, want de gedichten blijven, al maken ze hier deel uit van een overkoepelend thema, volstrekt zelfstandig. Het zou malligheid zijn ze hier te bespreken. Ze behoren tot Camperts ‘erfgoed’ en dat dient niet meer gerecenseerd te worden maar uitsluitend gewaardeerd.

De Stad opent met ‘De (on)bekende weg’ (Ik moest geen enkele kant uit/ …), besluit met ‘Foto’ (Nu moet je een foto nemen/ als je wilt lachen later/ met vrienden vriendinnen of alleen.) en bevat verder bekende gedichten als ‘Aan de poëzie’, ‘Steden bij avond’ en ‘Dit gebeurde overal’. Opvallend vaak is naast de stad en het stadsleven ook het schrijven en de poëzie zelf een motief.

De wereld moet men vangen// en er werkelijkheid van maken heeft de dichter zich ooit voorgenomen. Dankzij de poëzie, in ‘Onvergetelijk’ zo mooi omschreven als ‘woorden die ademen doen’ is hem dat tot op de huidige dag gelukt.

Het boek is niet echt goedkoop, maar zal als decembercadeau zijn weg wel vinden. Voor wie meer wil: Van De stad verscheen ook een exclusieve bibliofiele editie in een gelimiteerde oplage van 250 exemplaren. (€ 295,-)

Recensie van Licht van mijn leven - Remco Campert

Toen tijd nog toekomst had

Remco Campert
Licht van mijn leven
Uitgever: De Bezige Bij
2014
ISBN 9789023488842
€ 24,90
48 blz.

Wie Remco Campert in zijn columns in de Volkskrant volgt (na zijn herneming van Somberman is hij daar zelfs twee keer per week aanwezig), weet dat hij vaker dan vroeger terugkijkt en regelmatig zomaar wat in eigen werk bladert en dan naar aanleiding van wat hij opdiept, herinneringen ophaalt. Het zijn vaak aardigheidjes, anekdotes, maar hoe pretentieloos hij ze ook presenteert, ze hebben altijd een ondertoon van ernst en melancholie. Precies wat je ook aantreft in het eerste gedicht van de nieuwe bundel Licht van mijn leven:

IN MEMORIAM

Steeds vaker belt een krant hem op
bij een nieuwe dode die hij kende
toen tijd nog toekomst had

uit de lappenmand van zijn memorie
diept hij een aardigheidje op
de anekdote waar de krant op wacht

zo zijn dan de dode en hij
nog een laatste keertje nieuws
tezamen in de wijkende tijd van hun begin

Onnadrukkelijk, bijna nonchalant, met de lichtvoetige terloopsheid die zo kenmerkend is voor zijn poëzie, maakt Campert duidelijk dat elk in memoriamgedicht dat hij schrijft in feite wijst naar hemzelf. De dode en ‘hij’, hun situatie verschilt niet veel: hun tijd is op, na een laatste keer nieuwsfeit geweest te zijn zal vergetelheid hun deel worden. Het wordt met berusting vastgesteld, het zij zo. Door niet in de ik-vorm te schrijven maar het objectiverende ‘hij’ te gebruiken, doet hij als het ware al afstand van zichzelf.
In het titelgedicht waarmee de bundel besluit, zal hij precies formuleren hoe het zal gaan, als het moment daar is dat zijn tijd zal zijn ‘opgeheven’, waarmee de bundel, die je gerust een afscheidsbundel mag noemen, compositorisch mooi rond is.

Licht van mijn leven is de eerste min of meer volwaardige bundel na Nieuwe herinneringen (2007). Het is een mooie uitgave: groot formaat, hard cover en geïllustreerd met zes fraaie kleurenlitho’s van de kunstenaar Ysbrant, duidelijk bedoeld als een cadeautje voor dichter en lezer. De laatste zou licht teleurgesteld kunnen zijn, omdat er nogal wat zwakkere teksten in staan, maar hij wordt ruimschoots gecompenseerd door de paar gedichten die wél goed zijn.
De bundel telt negentien titels die, omdat er enkele cycli bij zijn, samen goed zijn voor 28 gedichten; de tien gedichten uit het Gedichtendagbundeltje Een oud geluid (2011) werden niet opgenomen, tien gedichten uit twee bibliofiele Vlaamse uitgaafjes van Demian en Het Gonst (2009 en 2011) wel.

Er zijn twee afdelingen. ‘Gelegenheden’ bevat naast ‘In memoriam’ de gedichten die Campert schreef bij de dood van Hugo Claus, Jan Wolkers en Gerrit Komrij. Ze tonen overduidelijk wat voor een voortreffelijk ‘gelegenheidsdichter’ Campert is. Hij brengt zichzelf volop in, maar gaat niet voor de overledenen staan, die geëerd worden met treffende typeringen. Deze gedichten maken meteen ook duidelijk waar het Campert nu nog om te doen is: behalve het verwoorden wat ‘tijd’ nu nog betekent, is dat nadenken over de poëzie en zich richten op zijn literaire vrienden, hetzij dood, hetzij levend. Zo verschijnen in gedichten ook Hans Verhagen, Lucebert en Bert Schierbeek en zijn er gedichten opgedragen aan Anton Korteweg en Jeroen Henneman.

Alle andere gedichten staan in ‘Gebeurtenissen’ , dat weer is onderverdeeld in een aantal kleinere afdelingen. De vierdelige reeks ‘Openingen’ beschrijft ervaringen op diverse vernissages en de daaraan verbonden herinneringen van iemand die zich meer en meer buitenstaander en overleefde voelt: ‘hij kent steeds meer/ alleen nog oude tijd’ en ‘wat waren we jong!’
De reeks ‘Meisjes van plezier’, gesitueerd in een wat verlopen Moulin Rouge-achtige setting, verhaalt in zes gedichten van de liefde van een oudere kunstenaar voor een danseresje uit de goedkope variétéwereld. Het heeft er veel van weg dat Campert hier de laat negentiende-eeuwse wereld van Toulouse de Lautrec en Guy de Maupassant persifleert. Leuk om te lezen, maar zijn beste gedichten zijn het niet.

Eigenlijk wordt deze bundel gedragen door het afsluitende, in de ik-vorm geschreven ‘Licht van mijn leven’. Hij dwaalt erin door de straten van Amsterdam en realiseert zich dat hij weliswaar geboren is in Den Haag, maar dat in Amsterdam zijn woorden het licht zagen, ‘dat me niet meer verliet’. Hij loopt er in het besef dat ‘het leven me loslaten zal’, ‘waarna ik, mijn tijd opgeheven,/ voor eeuwig uiteenval’. Dat zijn op zichzelf geen bijzondere overpeinzingen en ze worden ook niet spectaculair geformuleerd, maar in de laatste strofe brengt Campert een element in, plaatst hij zijn verbeelde verscheiden in een dergelijk perspectief dat het hem – en met hem zijn poëzie – boven alles uit tilt en op sublieme wijze verlicht.

Daar pakt de lezer zijn cadeau uit.