Poëzie Kort 2018 / 2


© Levity Peters

Johan Andreas Dèr Mouw (Adwaita), Mijn taalorkest. Een ruime keuze uit ‘Brahman’. Samenstelling Jan Kuijper

Mijn taalorkest heet de nieuwe bloemlezing uit Brahman van Johan Andreas dèr Mouw (1863 – 1919). Hij is aangevuld met een sonnettenreeks nagelaten werk. Victor van Vriesland en Gerrit Komrij gingen de samensteller Jan Kuijper voor, maar overbodig is de bundel niet: Dèr Mouw dreigt van tijd tot tijd in de vergetelheid weg te zakken en dat verdient hij niet, integendeel: hij was een van onze grootste dichters. Voor degenen die zich vervolgens nader willen verdiepen in zijn poëzie: in 1986 verscheen een wetenschappelijke uitgave: Volledig dichtwerk, ed. H. van den Bergh, A.M. Cram-Malgré en M.F. Fresco.

Om zijn poëzie te kunnen waarderen, moet je iets van Dèr Mouws denkwereld weten. Het onderstaande baseer ik losjes op de onlangs verschenen biografie van Lucien Custers, Alleen in wervelende wereld. (Een bespreking volgt nog).
Dèr Mouw was classicus, filosoof en wiskundige. Als filosoof hield hij zich bezig met kennistheorie, met als belangrijke vraag in hoeverre de wereld kenbaar is voor een individu. Sinds Kant was de verhouding tussen het ‘subject’ (degene die kent) en het ‘object’ (het gekende ) problematisch. Onze hersenen leggen door hun werking een raster over de werkelijkheid, waardoor de ervaring van de werkelijkheid nooit volledig en objectief kan zijn. De ‘idealisten’ stelden dat de werkelijkheid slechts ons idee van de werkelijkheid is, een voorstelling die zich afspeelt in ons hoofd. De uiterste consequentie is, dat alleen het subject, het ‘ik’ reëel is, een voor Dèr Mouw ondraaglijk eenzaam idee: alle andere ‘ikken’ zijn dan immers slechts een onderdeel van je verbeelding. Deze filosofie heeft echter raakvlakken met de Indische wijsbegeerte, het Brahmanisme, en die gaat verder. Ook daarin wordt gesteld dat de wereld die wij ervaren een illusie is, een schijnbare splitsing van een eenheid in veelheden, ikken, tegenstellingen, maar op zeldzame momenten ervaar je dat alles een is in Brahman, de ‘Wereldziel’, iets wat hij ervoer als een bevrijding.  Als dichter – hij begon pas in de laatste zeven jaar van zijn leven serieus met poëzie! – nam hij niet voor niets het pseudoniem Adwaita (de tweeheidsloze)  aan.
Poëzie roept die Brahman-ervaringen soms op, ook voor de lezer. De laatste strofe van ‘Aquarium’: ‘en wie het leest, voelt, voor één ogenblik / verplaatst buiten de grenzen van zijn Ik, / trillen ’t mysterie van zijn eeuwigheid.’
Het sonnet (zijn meest gebruikte  versvorm) is bij uitstek geschikt om die eenheid te tonen, juist omdat de wending tussen octaaf en sextet vaak uit een tegenstelling bestaat. Aan de dichter de taak om te laten zien dat deze schijn is.

Zijn denkwereld maakt Dèr Mouw natuurlijk niet tot een goed dichter, daar is meer voor nodig. ‘Beperking moet vernuft en vinding wetten; / Tot heerschen is, wie zich beheerscht bij machte’, schreef Jaques Perk als reden zich vrijwillig te onderwerpen aan strenge vormregels. Het zou een lijfspreuk van Dèr Mouw geweest kunnen zijn. Jan Kuijper noemde de bundel niet voor niets Mijn taalorkest, Dèr Mouws typering van zijn eigen poëzie. In zijn nawoord geeft Kuijper een kort, helder overzicht van het gebruik van metrum vanaf de zestiende eeuw en de manier waarop Dèr Mouw daarmee omging. Hij was een meester in de spanning tussen metriek en ritme, bijvoorbeeld door het gebruik van anti-metrieën die de inhoud ondersteunen: ‘IJl ligt de wilgenschaduw op de wei / het slootje-in plonst, lichtgroene boog, een kikker’.

Om misverstanden te voorkomen: Dèr Mouw was geen zweverig dichter. Hij kon zeer aards zijn, voor zijn tijd soms seksueel expliciet, hij paarde humor aan diepe ernst, hij kon extatisch schrijven en ook zeer nuchter. Het is niet verwonderlijk dat de latere mannen van Forum hem waardeerden.

***
Johan Andreas Dèr Mouw (Adwaita) (2018). Mijn taalorkest. Een ruime keuze uit ‘Brahman’. Samenstelling Jan Kuijper. Uitgeverij Vantilt, 183 blz. € 19,95

 

Meleagros, Bitterzoete liefde. Griekse epigrammen. Vertaald, ingeleid en verklaard door Paul Claes

Wie Catullus waardeert, zal ook van de Griekse liefdesdichter Meleagros houden. De esthetisch-decadent Oscar Wilde bewonderde hem; datzelfde gold voor Couperus en ongetwijfeld ook voor de jonge Jacob Israël de Haan. Wat hen aantrok was de hartstochtelijke liefde van het lyrisch ik, niet alleen voor vrouwen, maar vooral die voor opgroeiende jongens – de bekende Griekse liefde.
Paul Claes vertaalde de epigrammen van de in Syrië geboren dichter, die leefde van 135 tot ongeveer 70 v. Chr.  en voorzag ze van een inleiding en toelichting. Bitterzoete liefde heet de bundel en die titel is goedgekozen:

Bitterzoet

Hij is een lieve jongen. Zelfs zijn naam klinkt zalig:
Myiskos. Waarom zou hij niet mijn liefste zijn?
Hij is heel mooi, ja hemels mooi. Soms is hij lastig,
maar dan verzoet mijn liefde wel de bittere pijn.

De toelichting van Claes: ‘De verkleinnaam Myiskos (zie 18)  betekent ‘muisje’ of ‘vliegje’ (zie 23). De paradox van de bitterzoete liefde is een leidmotief (zie 47)’. Reve had dit gedicht kunnen schrijven, net als het gedicht ‘Liefdesdroom’, waarvan de eerste regels luiden: ‘Een heerlijk droombeeld van een glimlachende jongen / van achttien jaar oud die zijn reismantel nog droeg’. Het blijft bij die droom, uiteraard zou ik zeggen.

Epigrammen waren oorspronkelijk korte gedichten op een gedenkteken, graf, beeld of gebruiksvoorwerp, maar, schrijft Claes, vanaf ‘de vierde eeuw v. Chr. dienden epigrammen als entertainment bij feesten en drinkpartijen. Het speelse genre werd in de hellenistische periode bijzonder populair. De beknopte vorm bood ruimte voor uiteenlopende thema’s: epigrammen waren beurtelings graf- of treurdichten, liefdesverzen, wij- of votiefgedichten, beschrijvingen en spotverzen.’
Bij Meleagros ging het om momentopnames in de liefde: ‘verrassing, verleiding, bewondering, extase, hunkering, verbeelding, ontgoocheling en weemoed.’ Het lyrisch ik moet niet gelijk gesteld worden met de dichter. In de antieke cultuur was dat niet gebruikelijk: literatuur en leven werden strikt gescheiden.

Veel gedichten zijn opvallend humoristisch. Verrassend is de gelijkenis van ‘De beker’ met ‘Aan Betsy’ van Piet Paaltjens:

De beker

De beker lacht verrukt nu het praatzieke mondje
van mijn liefdesvriendin Zenofila hem vond.
Ach, mocht zij ook haar lippen op mijn lippen drukken
om in één teug mijn ziel te zuigen uit mijn mond.

Een aanwinst, deze vertaling.

***
Meleagros (2018). Bitterzoete liefde. Griekse epigrammen. Vertaald, ingeleid en verklaard door Paul Claes. Atheneum – Polak & Van Gennep. 183 blz. € 12,50

 

Paul Claes, Gouden vertaalregels. Tips voor beginnende [en andere] vertalers

Na jarenlange ervaring als autodidact vertaler heeft Paul Claes een aantal vertaalregels opgesteld die hij goed kon gebruiken als eveneens autodidact docent, omdat bepaalde fouten systematisch terugkeren.  Hij constateerde dat beginnende vertalers vaak ongewild een tussentaal hanteren: het vertaals. Aan de ene kant moet je zo precies mogelijk vertalen wat er staat, maar aan de andere kant moeten er vaak zinnen ingrijpend worden veranderd om ze natuurlijk te laten klinken. Dat betekent niet dat je vrij moet vertalen, maar juist. Dat doet me denken aan een opmerking van mijn leraar Frans die ik nooit vergeten ben: ‘Vertalen is meer een kwestie van Nederlands dan Frans’. Strikte regels zijn het overigens niet. Als je goede redenen hebt om er vanaf te wijken, moet je dat vooral doen.

Claes gaat in op de regels voor het vertalen uit het Frans, Engels en Latijn en geeft een aantal tips voor het vertalen van gebonden verzen; zijn collega’s Frans Denissen en Adam Heylen namen het Italiaans voor hun rekening. Duits ontbreekt: voor die taal kon hij niemand vinden die de tijd had om mee te werken.
De hoofdstukken hebben een eenvoudige, effectieve opbouw: basisverschillen (abstracte formulering, personificatie en aanhechting bijvoorbeeld) en specifieke verschillen, zoals lidwoord, adjectief en substantief.  De auteurs geven zeer veel voorbeelden, wat het tot een ideaal handboekje maakt.

Vermakelijk zijn soms de ‘valse vrienden’: ‘woorden die qua vorm op Nederlandse woorden lijken, maar toch een andere betekenis hebben.’ Ze worden vaak klakkeloos overgenomen. Zo betekent ‘aussi’ aan het begin van de zin ‘daarom, dan ook’, een bonbon is een snoepje en een ‘candidature’ vrijwel altijd een sollicitatie. In het Engels (18 pagina’s valse vrienden!) is de juiste vertaling van ‘actual’ eigenlijk, feitelijk, echt of onderhavig. Leuk is het Italiaanse ‘casino’: als je daarnaar vraagt, denkt men dat je naar een bordeel wilt. Het kan overigens ook rotzooi of lawaai betekenen.

Boeiend is ook het laatste hoofdstuk, de ‘Wenken voor het  vertalen van gebonden verzen’. In de toelichting ‘Tekst en vertaling’ van Bitterzoete liefde zien we hoe Claes te werk gaat: ‘De epigrammen bestaan uit elegische disticha, combinaties van hexameters en pentameters. Nederlandse versies laten zich lastig in die maat dwingen. In plaats daarvan kies ik dan ook voor afwisselend vrouwelijke en mannelijke alexandrijnen. In kortere gedichten voeg ik vaak rijm toe om het epigramkarakter te versterken.’ De reden geeft hij in Gouden vertaalregels: het overnemen van de oorspronkelijke versificatie kan leiden tot ongelukkige constructies in de doeltaal. Als je vormvast wilt blijven – dat hoeft niet per se, Frans van Dooren heeft de Divina Commedia met goede argumenten in proza vertaald – zul je daarom zo creatief moeten zijn, dat je zowel de vorm als de eenheid recht doet.

Ook dit boekje is een aanwinst.

***
Paul Claes (2018). Gouden vertaalregels. Tips voor beginnende [en andere] vertalers. Uitgeverij Vantilt, 190 blz. € 19,50

Recensie van Ziel van mijn ziel - Paul Claes

In mezelf op zoek naar zin

Paul Claes
Ziel van mijn ziel
Uitgever: De Bezige Bij
2015
ISBN 9789023490067
€ 17,90
112 blz.

Paul Claes verloor in korte tijd zijn moeder, zijn vader en zijn goede vriendin Christine D’haen en werd aldus indringend geconfronteerd met afscheid, verlies en dood. Aan zijn gedachten en gevoelens daarover gaf hij vorm in een bundel gedichten die voor een belangrijk deel aansluiting zoeken bij wat hij kent uit de literatuur. Door voor de uitdrukking van eigen emoties gebruik te maken van verwijzingen, vertalingen en bewerkingen naar en van voorgangers en daarmee zelfs een literair spel te spelen, maakt hij het persoonlijke ondergeschikt aan het universele en daarmee beheersbaar.

Zoals Maria Tesselschade ooit via Hooft aan Huygens liet weten dat hij zijn leed te boek moest stellen (‘zo heeft hij ‘t niet t’ onthouwen’), omdat ‘pampier’ het wapentuig is waarmee je overwint, zo bood voor Claes een tekstuele onderdompeling volop gelegenheid tot verwerking van wat hem getroffen had.

In het bijeenbrengen van zoveel verschillende dichters en schrijvers uit zoveel verschillende periodes als Claes hier doet – en eigenlijk altijd al deed, sla De zonen van de zon, zijn verzamelde gedichten uit 2008 er maar op na – schuilt iets ritualiserends. Het zorgt voor vertrouwdheid, veiligheid en troost. Voorwaarde is dan wel dat de lezer voelt dat de spanning van het persoonlijke onderhuids aanwezig is. Als die ontbreekt, blijft slechts een te bewonderen vorm over.

Ziel van mijn ziel, dat de ondertitel Elegieën meekreeg, bevat vijf afdelingen met in totaal 64 gedichten en nog vierenhalve bladzijde met toelichtingen en verklaringen, door Claes met de grootst mogelijke vanzelfsprekendheid – hij is de verpersoonlijking van het begrip ‘sprezzatura‘ – gepresenteerd. 

De bundel opent met twaalf gedichten in een vrij toegepaste sonnetvorm, verzameld onder de titel ‘Dodenmaskers’. Claes geeft de afdeling als motto een citaat van Descartes mee: Larvatus prodeo, ‘Ik verschijn gemaskerd’. Er gaat de suggestie vanuit dat hierin ook Claes’ ik zich zal tonen, maar de verhulling werkt daarvoor al te goed. Van de rouwgedichten voor Montaigne, Mallarmé en Spinoza nam hij ook de vertaling op (van de laatste in het Latijn), het bekroonde gedicht voor Ronsard staat er alleen in het Frans. Verder komen nog Jezus, Vesalius en Borges aan bod. De reeks start met het aan Herakleitos ontleende beeld van de spin als metafoor voor de menselijke geest:

DE SPIN

In mezelf op zoek naar zin
trek ik uit mijn duister traag
wiegend tussen hoog en laag
mijn verwarring als de spin

die verloren in een vraag
zonder einde of begin
zichzelf voelt gevangen in
zijn vergeefse hinderlaag

tot de stille vleugelslag
van een vlinder binnendringt
in het raadsel van het rag

en het sidderende dier
tussen zijn en niet-zijn zingt
op zijn ongeziene lier.

 

De afdeling ‘Animula’ telt twaalf ‘zielgedichten’ voor Christine D’haen. Het is in dichterlijk opzicht verreweg het sterkste deel van de bundel, omdat Claes hier, als Orpheus, ook weet te ontroeren. De titel is ontleend aan ‘Animula blandula vagula‘, ‘Lieflijk fladderend zieltje’, het vijfregelige gedichtje waarin keizer Hadrianus zich kort voor zijn dood tot zijn ziel richtte.
In ‘Zieltje’, de derde afdeling, schrijft hij er 33 variaties op, steeds in de stijl van een andere dichter: Jan Moritoen, Hooft, Vondel, Goethe, Blake, Gorter, Valéry, Bloem, Lucebert, Faverey, Deelder en meer dan twintig anderen. Dit is Nijhoff toegewijd:

HET LIED DER DWAZE ZIEL

Zieltje, moe gezworven
tussen zoete korven,
zweef je van mij henen,
met je lach verstorven
en mijn lied verdwenen.

‘Memento mori’ bevat een aantal meditaties over de dood, uit het Latijn, Italiaans en Frans vertaalde teksten. Het betreft passages uit het bijbelboek Job, het Dies irae uit de Latijnse dodenmis (in een dwingend ritme schitterend vertaald), ‘Dodenkoor’, een indrukwekkend gedicht van Leopardi en Valéry’s ‘Le cimetière marin’. Steeds is de oorspronkelijke tekst mede opgenomen.
Bij wijze van groet vormen de drie doodssonnetten van ‘Vale’ over woestijn, schip en eiland – qua beeldspraak vast met de dood verbonden – het slot van de bundel.

Het eiland van de goden
lokte telkens weer.
Een onbekende bode
brengt ons naar het veer.

Wij komen als genoden
van een vreemde heer.
De veerman van de doden
wacht stil bij het meer.

Uit: ‘Het eiland’


Ziel van mijn ziel
is de zoveelste fenomenale prestatie van Paul Claes, die als immer imponeert met zijn belezenheid en virtuositeit. Dat zoveel vertoon het zicht op de maker dreigt weg te nemen, is haast onvermijdelijk. Het is alsof Claes op een hoog toneel staat en voor een bewonderend publiek in steeds andere verhulling zijn kunsten vertoont. Oprecht en bescheiden, misschien zelf verbaasd het allemaal zo moeiteloos te kunnen. Dat in sommige theaters de zaal weleens angstig leeg kan blijven, zal hij waarschijnlijk nog kunnen billijken ook…

***
Paul Claes (1943) is romancier, dichter, essayist en vertaler. Hij studeerde klassieke, Nederlandse en Engelse letteren en communicatiewetenschappen en promoveerde op een studie over de antieke elementen in het werk van Hugo Claus. Hij doceerde aan de universiteiten van Nijmegen en Leuven en aan de hogescholen van Gent en Antwerpen.

 

Recensie van Lyriek der Lage Landen - Paul Claes

Van begin tot einde goed

Paul Claes
Lyriek der Lage Landen
Uitgever: De Bezige Bij
2008
ISBN 9789023432883
€ 24,90
368 blz.

Het is duidelijk dat de huidige tijdgeest wil dat wij ons culturele erfgoed afbakenen en in ‘canons’ bewaren. Met het schitterend uitgegeven Lyriek van de Lage Landen (met meer dan honderd afbeeldingen rijk geïllustreerd) beantwoordt Paul Claes de oproep daartoe voor de poëzie, die hij een kompas wilde geven voor de eenentwintigste eeuw, een ijkpunt voor onderwijs, kritiek en cultuur. De canon in tachtig gedichten luidt de ondertitel, en als je de twee kwatrijnen van Jacob Israël de Haan voor één gedicht rekent, klopt dat precies. Claes koos ervoor de oudere poëzie het volle haar toekomende gewicht te geven en daarom komen liefst vijftig gedichten uit de periode vóór 1880, traditioneel de cesuur tussen de oude en moderne letterkunde. Van dat jaartal trekt Claes zich trouwens niets aan, want hij deelt als volgt in: ‘De liedkunst van de middeleeuwen’ (17 gedichten, van het onvermijdelijke ‘Hebban olla vogala’ via maar liefst acht bladzijden Hadewych tot een refereyn van Anna Bijns), ‘Het kunstdicht van de nieuwe tijd’ (19 gedichten, van het geuzenlied ‘Slaet op den Trommele’ tot Poots ‘Zomersche avont’), ‘De onvoltooide revolutie van de romantiek’ (29 gedichten, van Bilderdijks ‘Uitvaart’ tot Adriaan Roland Holst met een strofe uit Een winter aan zee) en ten slotte ‘Het moderne experiment’ met de laatste 16 gedichten, lopend van Nijhoff tot Faverey.

In deze laatste afdeling (‘omdat de selectie van de actuele lyriek nog volop aan de gang is’) nam Claes alleen dode of voor 1930 geboren dichters op. Opvallend genoeg beperkte hij zich bij de nog levenden tot Fritzi (ten) Harmsen van (der) Beek (1927) – haar ‘Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping’ verdient inderdaad de onsterfelijkheid – en Christine D’haen (1923) – voor het indrukwekkende ‘Daimon megas’ geldt hetzelfde. Vroman (1915) en Kouwenaar (1923) ontbreken hier. Veel meer bekende namen zoek je vergeefs, waarmee, als dit dé literaire standaard van de komende jaren zou zijn, moet worden gevreesd voor het literaire voortbestaan van bijvoorbeeld Verwey, Boutens, Henriëtte Roland Holst, Hendrik de Vries, Vasalis, Hoornik, Aafjes, Lodeizen en Andreus, terwijl Hanlo dan weer wel overleeft. Dat bij de ouderen Van Maerlant, Cats en Van Alphen ontbreken valt wel op, maar is zeker te billijken.
Een opvallende aanwezige is Multatuli met ‘Saïdjah’s zang’ uit de Max Havelaar. Jammer dat daarmee ‘Het Gebed van den Onwetende’ de canon niet haalde…

In een interview met het studentenblad van de K.U. Leuven zei Claes over de canon: ‘Ik bepaal de canon niet, de canon bepaalt zichzelf. Gedichten die tot de canon behoren komen veelvuldig voor in bloemlezingen, worden meermaals becommentarieerd en de schrijvers ervan hebben doorgaans een plaats in de literatuurgeschiedenis verworven. Op hun gedichten wordt vaak gealludeerd. Zo’n canon wordt bestendigd door universiteiten, scholen, bloemlezingen, media. In die zin dringt de canon zich op.’
In de inleiding bij Lyriek van de Lage Landen wijst hij de factoren aan die hierbij een rol spelen. Naast de niet te bepalen rol van het toeval zijn dat inhoud of thematiek, vorm of formulering (wat niet pregnant of markant geformuleerd is, blijft onopgemerkt) en functie of gebruik. De meeste kans op behoud maken literaire werken die verwijzen naar de biologische basis van ons bestaan (van geboorte tot dood), naar algemeen menselijke ervaringen als liefde, geloof en natuurgevoel en naar de maatschappelijke orde (bijvoorbeeld familie, maar ook politiek engagement). Het lijkt een verhelderende onderscheiding, maar goed beschouwd valt hier alles onder wat aan thematiek maar mogelijk is…
In deze bundel gaat het in liefst vijftig gedichten over dood en vergankelijkheid, liefde en geloof en meer dan eens zijn deze motieven met elkaar verweven, zoals in ‘Cupio dissolvi’, Huygens’ gedicht op de dood van zijn Sterre. Verreweg het indringendste gedicht over de dood is trouwens ‘O ongenadighe doot, bloetghierige beeste’ van Anna Bijns. Claes zelf beleeft er ook duidelijk genoegen aan.

Dat een literaire tekst om te overleven soms een andere functie moet aannemen, laat het ‘Wilhelmus’ zien. De tijdgebonden politieke boodschap, de verouderde rederijkersvorm en de verdwenen functie van strijdlied werken negatief bij de culturele overlevingsstrijd. Het zou allang vergeten zijn als het niet de nieuwe functie van Nederlands volkslied had gekregen.

Het boek vertoont een vaste, wat schoolse opbouw, waarbij van alle auteurs steeds eerst het leven wordt beschreven en het werk gekarakteriseerd. Elk gebloemleesd gedicht (altijd in de oorspronkelijke spelling afgedrukt en waar nodig voorzien van een woordverklaring) krijgt vervolgens een systematisch commentaar, te beginnen met het toelichten van de context waarin het is ontstaan en overgeleverd. De technische analyse behandelt strofebouw, versmaat en stijlkenmerken, de thematische analyse beschrijft structuur en inhoud (Claes heeft zelden meer dan tien regels nodig om een gedicht te karakteriseren) en de nawerking, die Claes nog eens extra de gelegenheid geeft zijn belezenheid te tonen, vermeldt navolgingen, pastiches, parodieën en kritische reacties.
Claes geeft maar in een heel enkel geval zijn bronnen aan. Het is een keuze die te verdedigen is, want in een uitgave als deze hoort een notenapparaat ook eigenlijk niet thuis, het zou het boek veel te zwaar maken.

Literatuur is nieuws dat nieuws blijft (Ezra Pound), geeft Claes zijn boek als motto mee, maar je moet toch constateren dat geheide canongedichten behoorlijk sleets beginnen te worden. Vondels Constantijntje, de leeuw van de Schoolmeester, Paaltjens’ melkboer, Van Eedens waterlelie, Dèr Mouws Brahman zonder meid, Van Eycks tuinman, Bloems Dapperstraat, Nijhoffs Bommelse brug, Slauerhoffs woningloze, Marsmans Holland, ze frissen van Claes’ heldere aanpak soms warempel op, maar ze zijn overal elders ook al zo aanwezig dat een lichte aversie dreigt.
Dat is zeker niet het geval bij het slotgedicht van Faverey’s Chrysanten, roeiers (1977), dat Claes de gelegenheid gaf zich tot en met de laatste regel op en top een goede schoolmeester te tonen. Dit is het gedicht, met daaronder Claes’ behandeling van de thematiek:

Van lieverlede; zo
komen zij nader; 8 roeiers,
steeds verder landinwaarts

groeiend in hun mytologie:
met elke slag steeds verder
van huis, uit allemacht roeiend;
groeiend tot alle water weg is,
en zij het hele landschap

vullen tot de rand. Acht –
steeds verder landinwaarts
roeiend; landschap daar al geen
water meer is: dichtgegroeid
landschap al. Landschap,
steeds verder land-

inwaarts roeiend; land
zonder roeiers; dicht-
geroeid land al.

***

De acht roeiers evoceren het beeld van de dubbelacht, een bootrace waarbij acht roeiers telkens twee riemen hanteren. Wie dat wil, kan het gedicht lezen als een allegorie op het leven: hoe meer men (g)roeit, hoe minder men nog (g)roeien kan; hoe meer tijd en ruimte men heeft gehad, hoe minder er overblijft; hoe meer men leeft, hoe minder leven over is.
Zoals veel poëzie van Faverey kan men dit gedicht ook als zelfbeschrijvend lezen. Voor en na de centrale regel, die het woord ‘Acht’ bevat, staan acht verzen, net zoveel als er roeiers zijn. De verzen zetten zich als roeiers in beweging en komen ten slotte weer tot stilstand. In hun mytologie (een paradoxale eenheid van mythos (‘mythe’ en logos ‘rede’) opent zich een poëtisch landschap en gaat weer dicht – zoals het gedichtenboek dat hier eindigt.

Zo pakt Claes het aan: helder, steeds ter zake, en zo dat het leerzame het genietbare niet in de weg staat. Vlaamse en Nederlandse overheden moeten de crisis maar even vergeten en geld vrijmaken om alle leraren Nederlands twee exemplaren toe te zenden: een voor thuis op het bureau en een ander voor in de klas. Met de strikte opdracht erbij er iedere week een tekst uit te behandelen. En in de hoop dat het zodanig inspireert dat de eigen keuze eraan wordt toegevoegd en de canon steeds verder wordt uitgebreid.

***
Paul Claes (1943), tot vorig jaar hoofddocent aan de faculteit Letteren van de K.U. Leuven, is een veelzijdig auteur en vertaler. Hij schreef naast verhalen vijf poëziebundels, vier essaybundels en negen romans. Voor zijn gehele vertaaloeuvre ontving hij de Martinus Nijhoff-prijs 1996.

Gelijktijdig verschenen bij dezelfde uitgever onder de titel De Zonen van de Zon de verzamelde gedichten van Claes (320 blz.; € 19,90; ISBN 9789023432869).