Recensie van een twee drie ten dans - Eva Cox

Een kruiwagen eigenwijze kikkers

Eva Cox
een twee drie ten dans
Uitgever: De Bezige Bij
2009
ISBN 9789023437222
€ 16,50
72 blz.

Eva Cox debuteerde in 2004 redelijk spectaculair met Pritt.stift.lippe, dat dan ook goed ontvangen werd. De bundel werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en de Vlaamse Debuutprijs en sleepte de Prijs voor de Letterkunde van Oost-Vlaanderen in de wacht.
Kritiek was er ook hier en daar. De bundel werd onevenwichtig genoemd, onder andere omdat Cox heen en weer zwalkt tussen poëzie, proza en zo’n beetje alle tussenvormen ervan. Het liet zich vermoeden dat deze ‘onevenwichtigheid’ niet te wijten was aan haar onervarenheid. En nu is er als bewijs een twee drie ten dans, dat minstens even springerig en chaotisch is, en zo een weerslag vormt van vijf jaar (hyper)activiteit van de dichteres. Nu ben ik helemaal geen fan van dit soort bundels – ik zoek altijd naar eenheid in een bundel, iets dat het meer maakt dan een zootje gedichten dat toevallig in hetzelfde boek terecht is gekomen – maar bij Eva Cox past het. Ze is het trouwens ook hartgrondig met mijn opvatting hierover oneens, getuige het citaat van Thomas Vaessens boven de verantwoording:

‘… elke "eenheid" is het resultaat van een ordening; orde is altijd aangebracht, ook als zij zich als "natuurlijk" voordoet. Afgeronde gehelen moeten derhalve ontmaskerd of ten minste gewantrouwd worden, ook door de dichter, die de aandacht liever vestigt op brokstukken en scherven …’ 

Klats! Niets onevenwichtig: Eva Cox brengt uit principe geen ordening aan in haar bundels. Ze gelooft er niet in. Ze is geen bundeldichter, geen componiste. Je zou haar misschien een ‘projectdichter’ kunnen noemen. Ze schrijft en vertaalt, getuige diezelfde verantwoording, veel werk in opdracht of in het kader van een festival, een kunstproject of een themanummer van een tijdschrift. En, zo lijkt het, als het echt hoog tijd wordt voor weer een bundel kiest ze haar favoriete werk uit en brengt het samen in een geheel dat geen geheel is maar een soort poëtische kruiwagen met eigenwijze kikkers. De bundel kent dan ook geen onderverdeling en zelfs de paginanummers volgen geen duidelijke logica. Daarentegen zijn de gedichten en prozagedichten van een constante, hoge kwaliteit – de serie prozagedichten aan het eind van de bundel is zelfs ronduit geweldig – en imponeert Cox met haar originele, muzikale taalgebruik waarbij ze het plat Vlaams vaak als smaakmaker gebruikt.

Thematisch gezien is er in een twee drie ten dans wel degelijk een eenheid te ontdekken. Vaste terugkerende thema’s zijn het gevoel van onmacht dat de mens (bij Cox meestal een vrouw of een meisje) soms overvalt in de confrontatie met de buitenwereld:

Klem
Wanneer zij des avonds de thuisplek bereikte, viel haar hand zwaar op de snijplank, het mes kreeg zij haast niet uit de homp brood getrokken, zo moe hingen haar armen aan haar lijf. Liefst zou zij het hoofd op de broodkorst werpen, haar tanden in de zacht gebakken broodrug slaan, graven, grazen van het kruim als een ree van wat netels. Maar zij was een mens, en de kuddedruk van haar soort zette een klem op haar vermoeide visioenen. 

Het creatieve proces is ook regelmatig onderwerp van het werk van Cox, zoals in het openingsgedicht:

Ne sneeuwman maakt ge met sneeuw en ijs, veel sneeuw, wat ijs, en zonder spijt. Of bij gebrek aan sneeuw en ijs op de blote stoep, met krijt. 

Het feit dat de bundel met dit gedicht opent is bijna als een soort excuus op te vatten. De dichter die zich excuseert dat ze niet ‘zonder spijt’ aan het echte leven deelneemt maar een substituutleven leidt en ons slechts een beeltenis van een ‘sneeuwman’ aanreikt. Verderop in de bundel lezen we ook:

Opgesloten in mij – het hart van de baksteen – een schrijverschap. Slechts stilstand beitelt dat open. Immers: het lemmet van de witregel wijst een spreken tevoorschijn. Maar niet hier. Waar de dag zwart ziet als ‘t vol gekrast vel van de gek, woord over woord over woord. 

Maar het belangrijkste thema van een twee drie ten dans is het lichaam, al dan niet als metafoor en al dan niet beschadigd door of versmolten met die buitenwereld waar in Cox’ gedichten zo mee geworsteld wordt. ‘dat gij bijt in de kers van mijn hart // bloedsap uw lippen / blauwdruk mijn armen mijn hals’ lezen we. En over een ijsbeer:

Z’n pels is van het liggen op beton
zo mat nu dat je hem niet ziet,
grijs als steen is hij geworden,
steen en stof, meer is hier niet. 

Verder steekt er een hand uit de kast, rolt een hoofd zo van zijn lijf af en onder het bed en is een hart van touw, een afvoer een kringspier en de wereld een ‘grote vleesbak’. Heel fysieke poëzie dus en door de absurde beelden ook vaak erg grappig. Maar het hilarische is bij Cox nooit zonder een donkere ondertoon. Zoals het motto van bundel rept van een meisje met gele hakkenschoentjes: ‘En zij danst erop alsof zij branden als zonnen. / Bij elke stap trekken haar wangen scheef.’
Cox wil schoonheid scheppen, maar schoonheid die pijn doet. Haar woorden stralen werkelijk als zonnen, maar doen soms je gezicht ook betrekken.
Daarnaast gaat het bij Cox ook altijd over een meisje en haar trots. Ze hecht eraan in haar bio te vermelden dat ze op haar zestiende zelfstandig woonde, dat ze autodidact is en alleenstaande moeder. Waarom? Het lijkt erop dat er ergens in Cox’ werk nog een klein meisje spreekt dat o zo graag wil laten zien dat ze het kan. Onzin natuurlijk want wie Pritt.stift.lippe las wist al lang wat Eva Cox vermag en wie een twee drie ten dans leest ziet dat oordeel bevestigd.