Recensie van Erbarme dich - Marleen de Crée

‘Leven is een verblijf’

Marleen de Crée
Erbarme dich
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339263
€ 24,50
83 blz.

Zopas verscheen Erbarme dich, een nieuwe dichtbundel van Marleen de Crée (1941). Het werk is echter meer dan een dichtbundel, het is een Gesamtkunstwerk. In een intrigerende inleiding gaat Johan van Cauwenberghe op zoek naar de oorsprong van de titel, en hij staat stil bij de relatie tussen lijden, medeleven en kunst. Zijn korte verkenning gaat niet alleen over de gedichten van Marleen de Crée, maar ook over muziek en visuele kunst. In het spoor van Francis Bacon betoogt hij dat elke kunstenaar ‘het mysterie’ moet uitdiepen. Hij verwijst naar o.a. het werk van Bach, Goethe, Goya, Grosz en enkele oorlogsdichters. Kunst is voor de essayist ‘de ultieme plek waar er zinvol weerwerk kan worden geboden tegen elke vorm van onderdrukking en geweld’ (11).

Marleen de Crée zelf gaat een gesprek aan met een aantal sculpturen van Berlinde de Bruyckere (1964), in beeld gebracht door fotografe Mirjam Devriendt (1961), en de gedichten werden in het Engels en het Frans vertaald door Willem Groenewegen en Frans de Haes. Het Gesamtkunstwerk doet me aan middeleeuwse kathedralen denken, sculpturen komen immers tot leven in de ruimte en in de gedichten van De Crée is één van de kernwoorden licht. Licht en schaduw zijn bepalend voor de visuele verbeelding, vooral voor de beleving van sculpturen. In 2000 maakte ik voor het eerst kennis met de verminkte paarden van De Bruyckere in het museum In Flanders’ Fields (Ieper), en daar viel mij al het erbarmen op. Niet alleen de mens heeft geleden in de alles vernietigende offensieven die de Westhoek in een slijk- en bloedvlakte hebben veranderd.

De waanzin van de vernietigende mensenmassa wordt in tien sonnetachtige gedichten aangeboord, en ik citeer meteen enkele centrale begrippen: gescheurd, versmacht, verbeurd (23), het al vernoemde licht (29, 35, 41, 59, 65), dicht (29), schaamte, onschuld, geduld, gedoofd (41), wit (47), de museumkleur par excellence, bloed (53)… en ook stilte en het hart vallen op. In de gedichten vallen binnenrijm en assonantie op: gescheurd / verbeurd / gekleurd (23), licht / dicht, scheurde / gebeurde (29), licht / gewicht (35), hoofd / gedoofd (41), bedacht / nacht, omgespit / wit (47) – klankelementen die de gedichten mee structureren. In die zin zijn de gedichten van Marleen de Crée klassiek, hoewel ze niet voor duidelijke en repetitieve rijmschema’s heeft gekozen. Dichters maken altijd een keuze uit een groot aantal benaderingen van een thema dat hun menselijke gevoeligheid raakt. Erbarmen is één van de vele mogelijke benaderingen van hoe het was te sneuvelen in de IJzervlakte, en die relatie vergt een specifieke woordenschat, die sterk verschilt van het cynische vocabulaire van een toneelauteur als Karl Kraus en van de zakelijkheid van een historicus, zelfs al zouden Kraus en een historicus het met Marleen de Crée eens kunnen zijn dat ‘leven een verblijf is’ (71).
De – in humanistische zin – belangrijke vragen betreffen uiteraard de status van dat verblijf en of die status alleen voor de mens geldt of ook op ander leven van toepassing is. Verschilt het schichtige paard van de schichtige mens die in de loopgraven zijn persoonlijkheid dreigt te verliezen? Is de pijn van de paarden of de honden die een kanon trokken een ander soort pijn dan die van de mens die in zijn ellende naar het niets verlangt: ‘de lichten werden gedoofd / maar gods adem scheurde / hem in repen. hij had // het niet gehaald, dacht hij. / op de vaalt straalde een volgende / dag waarop weer niets gebeurde’ (29). Het net niet drijft zelfs de meest lankmoedige naar de schaduwzijde van het verblijf, de nachtzijde waar de ogen ‘dicht groeien’ (29) en waar de gedachte aan ‘toen was er nog licht’ (29) ondraaglijk wordt.

De vrouwenfiguur op bladzijde 33 (Hanne) is wellicht een ander soort oorlogsslachtoffer. Ze verschuilt zich achter haar lange haren en de beeldhouwster heeft haar in zijprofiel verbeeld. Is ze de strijd tegen haar demonen aan het verliezen? Wie belaagt haar ‘terwijl ze daar in het licht / staat. terwijl, met een gladde rug, / gespoeld, wit en roerloos. / terwijl er stilte in de wereld lekt. // ze schreeuwde niet. zeg het. iets klopt / in deze kamer op de muur. / terwijl je handen met een leeg gebaar / en zonder kind. ik wil terug. / ik wil voorbij dat witte gewicht / de schaduw plukken uit je haar. / het schroeit de uren dicht, bedekt ons // met een donker en dorstig vuur. / je lied is luid en niet te tillen. / rondom valt het hart in stukken’ (35). De confrontatie met het kwetsbare ik drijft veel mensen in een uitzichtloze eenzaamheid – ook dat is oorlog. En hebben we daar voldoende aandacht voor, voldoende begrip, voldoende erbarmen? En tastbare wonde zet de zintuigen onmiddellijk op scherp, maar een ‘gladde rug, / gespoeld, wit en roerloos?’ Wie ooit de repetitieve bewegingen van vrouwen met een gladde rug in nu bijna vergeten eilanden der ziel heeft geobserveerd, weet dat de voor de buitenwereld stille vijanden dieper en pijnlijker wonden maken dan een op hol geslagen stormfuselier. De Zweedse historica Karina Johannisson heeft dat overtuigend aangetoond in Den mörka kontinenten (1994) en Den sårade divan (2015). Het leven en het werk van de door haar bestudeerde kunstenaressen tonen aan dat het menselijke lichaam, het leven als verblijf, vaak op drijfzand is gebouwd en dat het erbarmen vaak veel te lang uitblijft. Maar niet alleen vrouwen met een ‘gladde rug’ vechten vaak tevergeefs tegen demonen. Marleen de Crée en Berlinde de Bruyckere hebben ook een man verbeeld die zijn plaaggeesten niet op een veilige afstand kon houden:

‘…
iemand had hem bedacht. ergens
tussen de wolken had hij hem gezien.
met gesloten ogen en open hand
was hij eraan begonnen nacht

over een mens te storten. toen had hij
zich vegist. in al zijn ijver sloop zijn
twijfel, zijn misschien. hoever, hoezeer

een deinend leven hem had omgespit,
hoe hij naakt en opgerold zich nergens
meer kon vinden dan in een vredig wit’ (47).

Sta me toe toch ook aandacht te vragen voor de paarden, die sierlijke dieren met breekbare poten en schuwe ogen. De Bruyckere heeft de dieren in de ruimte geworpen, één en al existentie waaruit de essentie bijna is verdwenen, en De Crée heeft hun aanwezigheid – hun verblijf – als volgt verwoord:

‘paarden hebben de schansen van
de schaamte bestormd. toen. met
vochtige ogen vol transparante onschuld.
het trillend lijf, voorwaarts, nooit terug.

zij vulden leven in op de lijst
van hun wensen, vurig en snel,
met het gewicht van een mens op
de rug. zo werd de wereld licht.

als zij vallen wordt de aarde zwart.
vloeibare manen. het hart verbaasd
wiegen zij het hoofd, zoeken het land.

zij vallen met het onbegrensde geduld
van liefde. leggen de hoofden aan de kant.
aan de hemel worden de sterren gedoofd’ (41).

Voor wie werd ‘de wereld licht’ en voor wie ‘wordt de aarde zwart?’ In hun lijden stijgen ze zelfs boven de pijn uit, want ze vallen ‘met het onbegrensde geduld / van liefde.’ Ook voor hen was leven een (pijnlijk) verblijf. Zonder schaamte, zonder enige terughoudendheid hebben de beeldhouwster en de dichteres die pijnlijke levenswijsheid gevat. Als bewonderaar van visuele kunst en als gedreven lezer ben ik beiden dankbaar voor hun erbarmen.

Recensie van Druppelpunt - Marleen de Crée

Tussen zeggen en overgave

Marleen de Crée
Druppelpunt
Uitgever: Uitgeverij P
2015
ISBN 9789491455766
€ 16,00
48 blz.

Een nieuwe bundel – van een dichteres die in het verleden vaak werd gelauwerd – wekt altijd bijzondere verwachtingen. Marleen de Crée (1941) heeft niet alleen een twintigtal bundels gepubliceerd, ze werkte ook mee aan een groot aantal Vlaamse en Nederlandse tijdschriften. Bovendien ontving ze de Provinciale Prijs van Antwerpen voor Poëzie, de Maurice Gilliams- en de August Bernaertprijs en de Prijs van de Vlaamse Poëziedagen.

De titel van de nieuwe, verzorgd uitgegeven bundel, Druppelpunt, is een speelse vervorming van dubbele punt. Na een dubbele punt verwacht men een samenvatting, een overzicht, een statement. Alvorens een auteur een visie aan het publiek prijs kan geven, moet hij of zij een omslagpunt, of druppelpunt hebben bereikt. Dat valt meestal samen met de druppel die de emmer doet overlopen, en die uitdrukking is niet per definitie negatief. Ook een hoorn van overvloed bereikt een druppelpunt. Vanaf dat ogenblik moet opnieuw ruimte worden gecreëerd en dat gebeurt door druppelsgewijs – gedicht na gedicht – de volle emmer leeg te maken. Op het voorplat symboliseren twee stoelen het omslag- of druppelpunt. De fotograaf – Jean de Crée – heeft dat moment en het effect op zijn eigen, bijzondere manier gevisualiseerd. Van de twee stoelen, die voor een oude gevel staan, toont de linker stoel het effect van een blijvend druppelpunt: in de zitting is een gat uitgesleten door de vele druppels waaraan de stoel was blootgesteld. Hetzelfde gebeurt met taal, gevoel en thematiek: druppel na druppel wordt de taal weggespoeld zodat een nieuwe poëtische taal kan groeien, druppelsgewijs verandert de kijk op de dingen. Dat gebeurt niet alleen in het werk van De Crée, maar ook in het werk van andere dichters.
De bundel bevat drie cycli: ‘L’ultima canzone’, ‘Kwalsterijs’ en ‘De tout mon coeur’. In de gedichten valt geen vast patroon op, hoewel ‘Le non-retour’, ‘Hoor’, ‘Post en contra’ en enkele andere gedichten aan sonnetten doen denken. De Crée maakt gebruik van twee kwatrijnen – samen een octaaf – en twee terzinen – samen een sextet –, maar het sextet bevat meestal geen echte volta (of chute), en eventuele eindrijmen steunen niet op een duidelijk en vast rijmschema. Dat is ook niet noodzakelijk. In Brieven aan Plinius, 20 sonnetten (1984) heeft de dichteres getoond dat het ook anders kan. Toch waren de Brieven aan Plinius veel overtuigender dan het nieuwe werk.

De gedichten van De Crée beginnen vaak met een ‘Natureingang’ zoals ‘het ochtendlicht lekte uit de wolken’ (p. 8), ‘de maan stond laag in het oosten’ (p. 10), ‘de lucht stond stijf van herfst’ (p. 17), ‘de zon kwam weer op als een / donderslag, één hartslag te over’, maar het beginvers is niet altijd bepalend voor de atmosfeer van het gehele gedicht. De ‘Natureingang’ klinkt in deze gedichten nu en dan provocerend. In ‘Wrede stilte’ (p. 22-23) is dat duidelijk het geval, en het beeld is ook bepalend voor het gehele gedicht: ‘de gieren kwamen uit het Oosten. / een krijsende zwarte gifwolk. / “ marchieren, marchieren!” / bloed, bodem en eigen volk. / “Jungens macht rascher!”’ De volgende strofen verwoorden wat na de inval van de gieren is gebeurd, en het gedicht eindigt met het distichon ‘herinnering weegt en zucht. draagt / de woorden mee, het vergeten.’ Dat ‘gieren’ een metafoor is, moet niet onderstreept worden. In ‘Wrede stilte’ is de historische achtergrond niet moeilijk te achterhalen, andere gedichten zijn als het ware universeler. De plaats en het tijdstip van de gebeurtenissen zijn niet scherp afgelijnd. De beeldspraak is meestal toegankelijk, maar nu en dan gebruikt de dichteres beelden die storend zijn, zoals in het gedicht ‘Te veel’: ‘het uur geeuwde / als een leeg plukje stof / op een vuilnisbelt’ (p. 27) Geeuwen is een symptoom van verveling en/of vermoeidheid, en mensen geeuwen als ze te lang – te veel uren – moeten werken of naar een lezing moeten luisteren, enz. De eerste versregel sluit goed aan bij de titel van het gedicht, maar ‘een leeg plukje stof / op een vuilnisbelt’ is geen geslaagde vergelijking. Een plukje stof is nooit leeg, en een leeg plukje stof op een vuilnisbelt – hoe paradoxaal het beeld ook mag zijn – is helemaal verkeerd. Stof is altijd geladen en het gedraagt zich volgens wetten die niet afhankelijk zijn van menselijk gedrag.

Toen ik de bundel begon te lezen, had ik een uitgesproken positieve leesverwachting – oude wijn behoeft geen krans –, maar ik blik met enige teleurstelling terug op mijn leesavontuur. De bundel vormt geen sterk geheel, maar hij bevat wel enkele uitstekende gedichten, zoals ‘Le non-retour’ (p.26).

in een kamer, duister door een gebrek
aan hoop. met een blik als een
ongeneeslijke wonde, een bijtend
zuur, een ijdelheid lichter dan stof.

met een echo van veel verhalen
over iemand die is gebleven. stemmen
doen de ronde. in deze kamer is
het vuur niet blijven branden.

gewikkeld in een schemer van herinneringen,
met een verleden in de handen
van niet gestelde vragen en vergeten,

kwamen wij aan in deze grijze kamer
met een blik vol nagelaten dingen,
alsof wij de schaduw waren van die ander.

In de eerste strofe wordt hopeloosheid opgeroepen. Dat gebeurt in twee elliptische zinnen, die de ‘kamer’ als het ware tot een onleefbare omgeving reduceren, maar in de tweede strofe is er toch wat hoop: er is iemand gebleven. Of misschien is de gedachte dat iemand aanwezig is gebleven een hersenspinsel, want het vuur dat niet is blijven branden, is een verraderlijk beeld. Was het vuur waaraan men zich warmde niet blijven branden, of ging het om vernietigend vuur dat uitgedoofd was? De strofe bestaat uit een elliptische zin – ‘met een echo van veel verhalen / over iemand die is gebleven’ – en twee zinnen die beantwoorden aan een normaal grammaticaal patroon. In de twee terzinen is de kernzin de eerste versregel van het tweede terzet: ‘kwamen wij aan in deze grijze kamer’. In deze zin valt wel een inversie op: het onderwerp, wij, wordt voorafgegaan door het werkwoord: kwamen. Dat is uiteraard het gevolg van de voorafgaande bijwoordelijke bijzin in de eerste terzine. In die drie versregels wordt geschetst hoe wij in de kamer aankwamen, en die bijwoordelijke bepaling wordt afgerond in de voorlaatste en de laatste (vergelijkende) versregel. Het laatste vers bevat de essentie: ‘alsof wij de schaduw waren van die ander.’ Ondanks de sombere aanhef, is het lyrisch subject – in dit gedicht wij – erin geslaagd te communiceren, hoe vaag ook, met die ‘iemand die is gebleven’ en de verhalenvertellers die ‘deze kamer’ al vroeger hebben beschreven. Het is het gedicht dat me met de bundel als geheel heeft verzoend. In dit gedicht is het zeggen uit de eerste cyclus verdwenen. Hier spreekt Marleen de Crée ‘de tout son coeur’, recht uit het hart en vol overgave.

***

Marleen de Crée (Bree, 1941) studeerde kunstgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit Leuven. Ze debuteerde in 1969 met de bundel Ofelia speelt met de maan. Ze heeft naar verluidt inspiratie gevonden in het werk van o.a. Rilke, Celan, Garcia Lorca, Lucebert, Claus en Pernath. De dichteres is ook actief als beeldend kunstenares.