Recensie van Oefening in alleen lopen - Kreek Daey Ouwens

Een smal pad door angst omgeven

Kreek Daey Ouwens
Oefening in alleen lopen
Uitgever: Wereldbibliotheek
2017
ISBN 9789028427044
€ 19,99
102 blz.

Kreek Daey Ouwens opent in de tweede herziene druk van haar nieuwe bundel Oefening in alleen lopen met een opmerkelijke uitspraak van Konrad Bayer: ‘Je mag niet luisteren, dan zul je alles beter begrijpen.’ Of dat nu betekent dat we niet moeten luisteren naar wat er in onze directe leefomgeving over en/of tegen ons wordt gezegd of van ons wordt verwacht, in alle gevallen lijkt Ouwens met Bayer een oproep te doen onze neiging tot navolgen van mensen in onze directe omgeving zoveel mogelijk achterwege te laten en zo snel mogelijk een begin te maken met het oefenen in het ‘alleenlopen’. Voor haar moeten nauwlettende, ogenschijnlijk onaanzienlijke observaties daartoe de weg effenen.
     Ouwens neemt ons mee in de wereld van de verwarring scheppende, non-verbaal emotionele overdracht die er tussen ouders en kind zich voltrekt. Daarin speelt de stilte en het zwijgen een voorname rol. Het elkaar begrijpen komt in deze bundel voornamelijk tot stand doordat de volwassenen zich veelal uit onvermogen hullen in een diep stilzwijgen, en niet doordat ze onderling gevoelens tegenover elkaar uitspreken. De emotionele ontwikkeling van kind tot volwassen vrouw vormt de thematische achtergrond waartegen deze bundel zich laat lezen: van vrolijke dagen als onbezorgd kind dat zich afvraagt wie de woorden heeft bedacht naar het voortaan een andere weg kiezen met alle (zelf)verlies van dien. In die zin is deze bundel een Werdegang die herkenbaar dicht bij de werkelijkheid van alledag blijft.
     Ouwens is goed in staat het kind en de volwassenen niet alleen in hun klein geluk, maar ook in hun onberekenbare afstand en kilheid te schetsen. Ze schrijft in een vorm die het midden houdt tussen proza en poëzie. In een interview met Remco Ekkers heeft ze al eens afgegeven dat ze niet zo geïnteresseerd is in dit onderscheid. Het past ook goed bij haar intuïtieve benadering van het dichterschap. Veel laat ze naar vorm en inhoud aan het toeval over, hoewel haar teksten in al hun eenvoud toch bij nader inzien een weloverwogen en doordachte indruk maken. Ze kiest ervoor overwegend verstaanbare taal te gebruiken. Je leest dat onder meer in verrassend geformuleerde aforistische versregels, zoals ‘Wie zegt dat hij van iemand houdt heeft de / angst aan zijn mond hangen’ en ‘Wat we niet weten slaan we op in ons hart.’
     De gedichten zijn sterk anekdotisch van karakter. Korte versregels. Herhaling en opsomming van woorden en zinsdelen zijn een veel gebruikt stijlmiddel om ritme en structuur in de teksten aan te brengen. Als zodanig doet deze poëzie denken aan poëzie voor kinderen. Het wordt duidelijk dat voor Ouwens taal een middel is om de ander te bereiken. Ze maakt weinig gebruik van metaforen. Het gevaar dat haar zodoende bedreigt, is dat ze daardoor de gelaagdheid in haar werkelijkheid niet altijd voldoende tot gelding weet te brengen, zoals in het volgende gedicht: ‘De lucht is blauw. / De zee is blauw. / De ogen zijn blauw.’ Ze weet niet altijd voldoende spankracht in haar teksten te leggen: ‘Ik vouw alles in haar terug als iets / wat het einde is. // Mooi als haar ogen. Groot als haar ogen.’ Haar techniek laat hier en daar te wensen over. Dikwijls heeft ze nogal wat versregels nodig om tot een pointe te komen, zoals in het titelloze gedicht:

Er zijn twee grootvaders. De ene brengt boeken
voor ons mee. ‘Je moet veel lezen,’ zegt hij.
‘Anders word je dom. Dat willen jullie toch niet,
dom zijn?’

De stille grootvader zegt niets.
Hij laat de poes eten van zijn bord.
Na het eten gaat hij naar buiten.
Omdat hij alleen wil zijn loopt niemand hem achterna.

                                      *

De grootvaders zijn nooit aan elkaar.

     De bundel bestaat uit twee omvangrijke delen. Het eerste betreft de periode als kind; het tweede deel de volwassenheid. Ouwens opent met een gitzwart beeld: ‘We kijken naar de inktzwarte wolk aan onze voeten.’ Er zijn in deze bundel heel wat dagen beschreven waarop de zon niet bij de ik naar binnen schijnt. ‘We staan op, we zijn samen. / We zijn onwetend [van elkaar] en [wellicht] afzonderlijk gelukkig in de heldere lucht.’ In die staat van onwetendheid neemt de ik haar familie waar.  De ik is bevangen door angsten en een drang om te begrijpen wat er achter de bewegingen – uiterlijk en innerlijk – schuilgaat. Haar observaties betreffen veelal het klein geluk van alledag: ‘Mijn grootmoeder. / Ze warmt haar handen aan de thee. / Op een zomerdag ziet ze een engel.’
     Op veel pagina’s staat een korte tekst of slechts een regel. Er ontbreekt een inhoudsopgave in de bundel. Dat maakt het moeilijk om op voorhand en achteraf overzicht te krijgen. De opbouw maakt daardoor een minder doordachte indruk dan ze in feite blijkt te hebben. De waarnemingen blijven dicht bij huis. Grootmoeder, grootvader, moeder en vader figureren doorlopend in de gedichten. Aan hen leest de ik veel levenswijsheid af. De dood komt een paar keer in het jonge leven van de ik langs. Stilte, sneeuw, sterren, vogels, zwijgen zijn trefwoorden die de achterliggende emoties maskeren, maar staan ook voor de wereld voorbij de dingen: ‘Als het sneeuwt zijn alle mensen goed.’ Kilte, slang, dood, afstand, weidsheid zijn woorden van de onoverbrugbare afstand tussen de volwassenen en de ik:

Aan het eind van alle dingen komt de naaimachine
Van moeder op gang.
Log als een koe.

‘The highest things are beyond words.’

Mamma naait een kille rok.
Mamma naait behulpzaam.
Praktische zaken.

Even is er hoop.

Mamma naait een bloem.
Ze naait een baby.
Kersenpit is haar hart.
Ik zou zo graag in liefde geloven.

Roze wereld. Om te bijten. Om te prikken.
Flard van een zoom.

     Dit gedicht raakt aan de kern van deze bundel: het onvermogen om te communiceren over wat de moeder en de ik bezielt. De moeder toont haar gevoel door babykleertjes te naaien. Woorden als ‘log’, ‘kil’ en ‘Kersenpit is haar hart’ typeren haar emotionele beperktheid en onvermogen zich uit te spreken. De ik zou zo graag in de liefde geloven. Ze omschrijft die als de ‘roze wereld’ van de baby die in elkaar gespeld en genaaid wordt. Een nieuw begin, een nieuwe hoop gloort op het tonen van emoties aan elkaar. Het gedicht is een schichtige poging daartoe, een ‘flard van een zoom’. De dingen waar het echt om gaat, kunnen niet goed onder de woorden komen. De verstandhouding van de ik tot haar familieleden laat zien hoezeer de scherp waarnemende ik hun wereld niet goed kan binnenkomen. Veel woorden die onderling gesproken worden zijn te vangen in de zinsnede: ‘We begrijpen het gedicht niet. We verstaan het wel.’ De kinderen mogen wel – zoals dat in een ander gedicht zegt – de losse haren zoeken op de jurk van de grootmoeder, maar ‘Alleen haar gezicht aanraken mogen we niet.’ De oefening in het alleen lopen levert geen duurzame resultaten op. Het kind stelt zich in een ander gedicht voor dat de eenden de hoofden van grootvader, grootmoeder, vader en moeder zijn. Het schuift de eenden over de plank. Ze kraken. Sommigen zijn verbrijzeld. Er spreekt woede en bitterheid uit deze beelden. Dit wrede afscheid van het voorgeslacht maakt het moeilijk nog aan een baby te denken, …. en alleen te kunnen lopen.
     Door de hele bundel heen is dit emotioneel tekort er de oorzaak van dat de ik stagnatie ondervindt en de existentiële eenzaamheid voortduurt, ook als er sprake is van een relatie met een ander:

klim eens, lieveling, over die muur – ik denk
wel dat jij dat zou kunnen – jij denkt van niet  
– jij bent ervan overtuigd dat je dat niet –
– dat niemand  

Gedurende zes minuten zijn we nieuw – een vliegje
spartelt in mijn limonadeglas – we zijn zo eenzaam
dat we dat zien

     Dit alles kan niet voorkomen dat ‘Er […] meer woorden in mijn hoofd dan / dode vliegen in de zon [liggen].’ Het is niet voor niets dat het verlangen naar de omhelzing de opening van het tweede deel vormt. Een groot verlangen naar liefde vult nadien de pagina’s: ‘We zijn onwetend en gelukkig in de heldere lucht’. In droomflarden komen de meer positieve momenten met de grootouders en hun verleden opnieuw terug in de werkelijkheid van de volwassen ik. Toch blijft er de angst de ervaren liefde te kunnen verliezen. De angst blijft mee regeren. Telkens keert het kind met zijn ontvankelijkheid voor de natuur, de lucht en de vogels terug en biedt het de opening naar het klein geluk en naar een manier van kijken om alleen te kunnen lopen. Het is duidelijk geworden dat Ouwens in deze bundel een smal pad volgt door angst omgeven.

***
Kreek Daey Ouwens (1942) debuteerde in 1999. Oefening in het alleenlopen is haar zevende bundel. In 2009 werd zij genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en in 2013 werd zij geëerd met de Leo Herberghs Prijs.

Recensie van Ik ben een punt - Kreek Daey Ouwens e.a.

Het tikken van de tijd

Kreek Daey Ouwens e.a.
Ik ben een punt
Uitgever: Opwenteling
2016
ISBN 9789063381592
€ 19,50
88 blz.

Meteen bij het eerste doorbladeren van de bundel rijzen er vragen;
van wie is wat, welke zijn de vertaalde gedichten en wie vertaalde ze; onder het een noch onder het ander staat de naam Kreek Daey Ouwens of Harry van Doveren en ook de uitgever verschaft hierover op de voorlaatste bladzijde geen helderheid, integendeel, hij roept nog meer vragen op, o.a. waarom behalve Kreek ook Kees Daey Ouwens Jr. met een gedicht (plus de daarbij behorende illustratie?) in de bundel is opgenomen. Kennelijk vinden dichters en uitgever een en ander niet van belang, een zienswijze die ik zal proberen te respecteren; met het noemen van namen zal ik terughoudend zijn.

Dit project , met steun van het Goethe Instituut en het Vlaams Fonds voor de letteren en de Provincie Oost-Vlaanderen tot stand gekomen, bevredigde ondanks voornoemde verbazing mijn nieuwsgierigheid naar de poëzie van Arp en de reflecties daarop in taal en beeld.

Vanaf de omslag tot aan het eind van de bundel tikt over de onderste regel de klok, d.w.z. het gedicht SECONDEWIJZER van Arp, wat het thema van de bundel, de vergankelijkheid, op originele wijze versterkt: ‘dat ik als ik / een en twee is / dat ik als ik / drie en vier is / dat ik als ik / hoeveel wijst zij / dat ik als ik / tikt en takt zij / dat ik als ik / vijf en zes is / dat ik als ik / zeven en acht is / dat ik als ik / als zij staat zij / dat ik als ik / als zij gaat zij / dat ik als ik / negen en tien is /dat ik als ik / elf en twaalf is.
Men dient dit gedicht eigenlijk niet zozeer te lezen als wel te beluisteren en dat kan op You Tube ( sec wijzer ).

De ritmische reflectie in MAANZAND

[ …]
Het maanlicht
Vertrilt de waterspiegel,
Glittert over kiezel,
Glittert tussen riet,
Slipt en sijpelt
Onder ruisende takjes,
IJlt over weiden
Op een lange zilverteen,
Op tien lange zilvertenen,
En verzilvert zelfs het goud.
Daar schrikt de woekeraar van op,
Die op slag
Uitzinnig lacht tot hij barst.
[ …]

De beeldhouwer, schilder en dichter Hans Arp, ook als Jean Arp bekend, was een van de drijvende krachten achter Dada, een culturele beweging, die hij als volgt karakteriseerde: ’Dada ist für den Ohne-Sinn der Kunst, was nicht Unsinn bedeutet’. In 1915 leerde hij zijn latere echtgenote, de kunstenares Sophie kennen. Zij werkte nauw met hem samen en stierf in 1941 in Zürich aan een koolmonoxidevergiftiging.
Arp schreef hierna zijn Elegien Für Sophie, treurgedichten waar in deze bundel ruim aandacht aan wordt besteed.
Het oorspronkelijke gedicht (in het Duits) staat niet in de bundel, maar het lijkt me onvoorstelbaar dat het zo melodramatisch is als hier de interpretatie of de vertaling ervan.

Sophie
[…]

Alle bloemen bloeien
bloeien voor jou.
Alle harten gloeien,
gloeien voor jou

Nu ben je heengegaan.
Wat zal ik hier nog gaan en staan.
Ik heb maar een verlangen.
Ik wil je weerzien.
[…]
Sinds jij gestorven bent,
dank ik elke voorbijgaande dag.
Elke voorbijgaande dag
Brengt mij dichter bij jou.
[…]

Het volgende gedicht over Sophie is nog slapper; ik zal het u besparen.

Maar enkele pagina’s verder de volgende ontroerende regels over, naar ik aanneem, dezelfde Sophie:

Op witte dagen slijp je gips.
                Iets als sneeuw valt op haar hand.

Op natte dagen lijm je papier.
                Je tong likt haar adem weg.

Op droge dagen preeg je letters.
                Je typemachine waarschuwt voor namaak:
                Wij kunnen haar niet zien.

Elke winter mis je haar ansichtkaart
elke zomer meer dan sneeuw.

Waar de dichters zich laten leiden door het dromerige van Arp en zijn absurdistische belevingswereld is deze bundel levendig en boeiend, waar zij zich houden aan gevestigd realistisch taalgebruik spanningsloos vlak; gelukkig overheerst de eerstgenoemde insteek.

Nog een paar surreële strofen:

[…]
Het schiet mij te binnen dat mijn grootmoeder de losse haren uit haar kam opspaarde in een glazen bakje.

Op een dag droeg ze een zacht nest op haar hoofd.

Stiller dan dat een punt.
[…]

Ik herinner mij dat mijn grootmoeder op een
meisje leek wanneer ze liedjes zong bij het
schillen van de lucht
[…]

Last but not least: de (krijt)tekeningen en collagetechnieken van Ineke van Doorn, die voor ‘het beeld’ in de bundel zorg droeg zijn spannend en suggestief, en passen uitstekend bij de poëzie, al overwoekeren zij de in (te) klein formaat uitgegeven bundel enigszins.

Recensie van Blauwe hemel - Kreek Daey Ouwens

Woorden en stenen die in elkaar overgaan

Kreek Daey Ouwens
Blauwe hemel
Uitgever: Wereldbibliotheek
2014
ISBN 9789028425668
€ 19,90
80 blz.

Ze heeft er geen moeite mee, Kreek Daey Ouwens. In Blauwe Hemel gebruikt ze al die woorden die de meeste ervaren dichters proberen te vermijden en waarvan de ervaren poëzielezer jeuk krijgt. Pijn, tranen, huilen, verlies, ze komen allemaal voorbij. Rouw en verlies zijn de hoofdthema’s van deze bundel en van eerder werk. Ze neemt er geen afstand van, maar ze brengt ze zorgvuldig en fijnzinnig onder woorden. Hier en daar combineert ze haar ‘vertellende’ stijl met een krachtig beeld, zoals een gezicht weerspiegeld in een lepel of een uitgerekte haas, die een misverstand opheldert.

Ik was een eenzaam kind. Ik speelde al-
leen. Met een stok trok ik strepen in
het grint. De strepen werden een huis.
Beesten. Een vogel. Als ik klaar was,
veegde ik met mijn schoenen alles weer
weg. Soms ging ik bij een van de knecht-
en zitten, een zwijgzame man, die mij
kort groette en dan doorwerkte. ‘Hij is
aardig,’ dacht ik. ‘Hij zegt niets tegen
mij, om mij niet te laten denken dat hij
last van me heeft.’ Op een dag hing de
man een haas op aan een boom. Als een
haas wordt opgehangen, wordt hij steeds
langer. Hij wordt enorm. Hij begint te
schokken. Hij heeft stuiptrekkingen.
Toen hij niet meer bewoog, maakte de
knecht hem los, hij zei: ‘ Die krengen
worden met de dag brutaler!’ Sindsdien
ontweek ik de man. Ik kwam zelfs niet
meer in zijn buurt. Ik geloof niet dat
hij er verdriet van had. 

Bij een andere manier van regels afbreken zou dit een ZKV geweest zijn, een zeer kort verhaal dat raakt. Proza en poëzie lopen bij Daey Ouwens in elkaar over, als de woorden en stenen in de losse regel op pag. 40 van deze bundel. Het perspectief wisselt regelmatig, van de ik-figuur die zich tot ene Larissa wendt, tot meneer en mevrouw Danie en ook van het kind dat drie wordt op pagina 41. De gedichten hebben geen titels.

[…]

Ik kan niet slapen zonder mijn beer.
Telkens voel ik met mijn hand, of hij nog
naast me ligt.

Mijn mama. Ik vind het leuk op haar schoot
te klimmen, mijn handen voor haar ogen.
‘Rara… wie ben ik?’

Over de kelderdeur kruipen oranjerode slakken.
.

Onder geen beding wil ik later groot worden.
Eerder maar niets.
Altijd alleen maar mijn mama.

Ik ben voor niemand bang.

Als ik dit fragment lees vanuit het kind dat verloren is, overstijgt het het anekdotische en kruipt het onder mijn huid. 
Er is weinig troost te vinden in deze bundel. Pagina 63 eindigt met […] Liefde bestaat / niet. // en op pagina 64 staat alleen: // Niet. //
Mag ik dan een klein beetje hoop putten uit pag. 66?
 

Totdat hij helemaal is opgeknapt, gaat
mevrouw Danie mee boodschappen doen.
Ze steekt haar arm door de zijne, ze
drukt zich tegen hem aan, ze zegt:
‘Wij.’ ‘Wij hebben het goed.’ ‘Wij
hebben de tijd.’ Wat ze eigenlijk 
zegt is: ‘Jij. Jij doet mee. Je hoort erbij.
Zonder jou gaat het niet!’

Dit gaat toch over liefde, of toch over afhankelijkheid? Treurigheid is overal, maar je went eraan, concludeert de dichter. Dit is een bundel voor wie niet bang is erdoor geraakt te worden.