Recensie van Machandel - Annelie David

De jacht op het natuurlijke geluk

Annelie David
Machandel
Uitgever: Marmer
2013
ISBN 9789460681493
€ 12,50
80 blz.

Woordspel, inventiviteit, zeggingskracht, de poëzie van Annelie David heeft het allemaal. Emotioneel elan, en volledige beheersing van de taal, zonder enige remming.
Het mag nu al duidelijk zijn dat ik onder de indruk ben van Machandel, de eerste bundel van Annelie David. Hier is een dichteres aan het woord die er niet op uit is te laten zien wat zij in haar mars heeft, maar die wel bijzonder zelfbewust is.
Die kracht weet zij over te dragen in poëzie waarin vorm en inhoud in evenwicht zijn.
Dit alles is mij zo duidelijk dat ik de neiging moet onderdrukken om alleen maar enkele gedichten te citeren; het talent van David is zo onmiskenbaar, dat ik de gedichten het liefst voor zichzelf zou laten spreken.

Het eerste gedicht van de bundel:

jacht

ik vraag om een huid van vacht
zo ruw en stug als van een rendier
ik zie mij als een hongerige hond
draaft door een woud door het donker
lichtvoetig alsof vogels me dragen
kijk hoe vluchtig mijn spoor in het zand
weggevaagd door de wind
onzichtbaar voor handen
die het stof uit mijn vacht willen vegen
mensenvingers die mij uit mijn vel willen schillen, mijn vriendelijk vlees
warme monden die over mijn oorhaartjes blazen, me oorsprong influisteren
een hels geluid maakt het gefluister
roept me terug naar een kamer, een bed
een tafel wit gedekt waaraan verzadigd wordt gepraat
een toekomst uitgestippeld
als gestreken hemden, levenslang
ik verlang niet naar een toekomst
kijk niet uit naar het verleden
zoek het warme hol onder de sterren, de maan, de zon, in de regen
waar ik ben teken ik van krijt een graanveld, een stad in verval
rol mij op waar ik ben
mijn vacht heet, tong koud,
hart kalm

Allemachtig, dacht ik, toen ik dit voor de eerste keer las. In dit gedicht gebeurt zoveel! De huid die zij verlangt, staat voor zowel haar behoefte aan naaktheid / echtheid / puurheid, als voor die aan bescherming, in de eerste plaats tegen de kou. Mentale kou denk ik dan.
Dan ziet zij zichzelf als een hond, een gecultiveerde rover. Ondanks haar honger draaft zij lichtvoetig, alsof vogels haar dragen, ze laat geen sporen achter; de wind wist ze uit. Het is natuurlijk dat vroeg of laat alles wat wij na laten wordt uitgewist, verdwijnt. Dan komen we in de gecultiveerde wereld waar mensen het stof uit de vacht willen vegen, waarvan zij haar het liefst willen ontdoen. Haar vriendelijke vlees blootleggen: haar kwetsbaarheid. De tederheid waarmee zij wordt benaderd, ervaart zij als hels. Haar wordt een oorsprong ingefluisterd, maar over welke oorsprong gaat het?
Terug geroepen in de beschaafde wereld verlangt zij terug naar de natuur. De enige manier waarop zij daar uiting aan kan geven is door een graanveld te tekenen – van krijt! – en een stad in verval. Tekenen, dichten, het lijkt mij verwisselbaar. Ook dat blijkt een terug kruipen in haar natuur.

David laat de beelden moeiteloos transformeren, nergens krijg je het idee van ‘vergezocht’, of van ‘teveel’. Bescheiden mag deze poëzie dan niet zijn, maar ze is sober. Hoe prachtig komen daardoor de beelden van comfort en luxe tot hun recht! Die wit gedekte tafel, en het verzadigde praten na het eten. Zij hoeft het niet over glinsterend bestek te hebben, noch over aangename verlichting, die zie je als vanzelf voor je. Annelie David tovert. En echt niet alleen in dit gedicht. Ik had het nog niet over de taalmuziek, de sonoriteit van haar gedicht. Ik zou zeggen: lees ‘jacht’ eens hardop.

Dat verlangen van haar naar een natuurlijk leven, en in de natuur komt in meerdere gedichten tot uitdrukking. Misschien wel door mijn eigen herkenning daarvan, worden de beelden die zij oproept ingekleurd, ik kan er enorm van genieten. Ze voelen sprookjesachtig sereen:

roy

loopt zonder om te kijken door een woud
en nergens tegen aan zo vrij loopt hij

is veilig hier, van niemand zoon
heeft herten lief, hazen en een vos

de wildernis oermoederlijk
geeft water, eieren uit vogelnesten

eet hij rauw

*
haast slapend wandelt hij
alleen in deemstering , een schijnsel

dat steeds verder dwaalt, hoe ver hij gaat?
Vervreemd van schoeisel, zeep, van spraak en

tegenspraak, de honger stil
hij zoekt niet meer, kruipt in de holte van

een boom, hoort in dit ondoordringbaar zwart
alleen zijn adem nog

en dat alleen

Het ‘verhaal’ dat zij vertelt, lijkt op dat van ‘jacht’, maar als gedicht is het een zwakker broertje. Het vak beheerst zij, maar dit gedicht mist de urgentie. Zulks is onontkoombaar, bijna noodwendig. Ook een groot dichter als Pessoa heeft tenenkrommend zwakke gedichten geschreven. Een dichteres als Vasalis, die zichzelf beperkte tot de momenten dat zij werkelijk ‘gegrepen’ was, schreef niet altijd even sterke gedichten. En wist dat.
Het past in het proces waarmee je dicht: ben je niet bereid om aan je impulsen toe te geven, dan is de kans dat je een echt goed gedicht schrijft vanzelf kleiner. Ook een kind met een scheef neusje zal door zijn ouders bemind worden. Het mooie is dat juist door de zwakkere broertjes en zusjes het talent van een dichter(es) scherper zichtbaar wordt.

Een bioloog vertelde mij ooit dat hij, wanneer hij iemand een bepaalde vlindersoort wilde laten zien, het mooiste exemplaar uitzocht. Ik vind dat persoonlijk een uitstekende methode, ook voor poëzie, behalve wanneer je te maken hebt met een bundel ondermaatse gedichten. Dit terzijde.

Tot slot dus nog een gedicht dat haar talent ten volle verraadt; het is het laatste van de bundel, deel 2 van ‘twee ruggen’.

twee ruggen

er staat een huis aan zee
en stoelen in het zand, voeten

tafelpoten en aan tafel twee ruggen
van een man en een kind

die zie ik van veraf
en in die afstand onverwacht

duizelt geluk
dat ik wil en niet wil dat het stopt

en hou me neergedrukt
als een roofdier in het gras

Dit is een gedicht waar ik nou van vol schiet. Wat is dit mooi.
Het leuke van dit soort gedichten is, dat je ze kunt blijven lezen, hoe eenvoudig de taal ook is. Ze bevatten een element buiten de gebezigde taal, dat je zou willen pakken, als je kon. Net zoals de dichteres dat geluk wil vasthouden. Die twee ruggen zijn opgestaan, maar wij hebben het gedicht nog. De nagloed van haar geluk.

***
Annelie David (Keulen,1959) woont sinds 1982 in Amsterdam. Ze is voormalig danser en choreograaf en schrijft inmiddels tien jaar poëzie. Aanvankelijk in het Duits, maar nu vooral in het Nederlands. Voor het gedicht ‘Mein Saum schmilzt’ ontving ze in 2004 de Dunya Poëzieprijs. Zij publiceerde in Op Ruwe Planken, Krakatau, ExtaZe, Passionate Magazine, Deus Ex Machina en Ooteoote.
De bundel Machandel werd geïllustreerd door echtgenoot Guido van Driel. Bij de titel tekent David aan: ‘Het woord machandel is de naam voor jeneverbes, het is de taal van mijn vader die uit Königsberg komt, het huidige Kaliningrad.’