Recensie van tamelijk - Nikolaas Demoen

Losse droom- en denkbeelden

Nikolaas Demoen
tamelijk
Uitgever: Poëziecentrum
2015
ISBN 9789056552961
€ 19,95
32 blz.

Er zijn altijd schrijvers geweest die ook als beeldend kunstenaar actief waren. Een aantal ‘dubbeltalenten’ heeft vooral als schrijver hoge ogen gegooid. Ik denk aan de Nobelprijswinnaars Günter Grass, die ook als beeldhouwer, etser, tekenaar en schilder actief bleef, en Harry Martinson, die vooral in zijn beginperiode schilderde. In het Nederlandse taalgebied hebben Lucebert, Jan H. Elburg, Hugo Claus en anderen een plaats in de literaire canon veroverd en beeldend werk tentoongesteld. Ook vandaag zijn er nog beeldende kunstenaars die naar het woord grijpen. Een nieuwe naam in het rijtje is Nikolaas Demoen (1965), die met de bundel tamelijk zijn intrede doet in de wereld van het gedicht.

Demoen heeft vooral tekeningen, grafiek, objecten, boekillustraties en installaties gemaakt. Hij stelde ondermeer tentoon in het SMAK in Gent, dé Vlaamse place to be voor hedendaagse visuele kunst. Samen met Katrien Daemers, die ook bij de vormgeving van tamelijk betrokken was, heeft hij een aantal uitgaven gerealiseerd voor Posture Editions, een reeks boeken die men kan omschrijven als een gedrukte tentoonstelling. tamelijk bevat één ‘minimalistische’ tekening en een aantal gedichten zonder titel. Boven elk gedicht staat een nummer, maar de nummering lijkt willekeurig te zijn. Het boek is een buitenbeentje in de wereld van de poëzie: het formaat komt bijna overeen met een A4-blad, de teksten zijn gedrukt op roze papier, en het lijkt erop dat de dichter en de vormgeefster aan slechtziende lezers hebben gedacht. De lettergrootte doet me denken aan grootletterboeken van uitgeverijen zoals Iris en XL. Een andere mogelijkheid is dat de dichter aan het leescomfort van de 31 lezers heeft gedacht die op 19 december 2015 de bundel hebben voorgedragen in Netwerk, een Aalsters centrum voor hedendaagse kunst.

In het persbericht worden de teksten omschreven als ‘beelden die tussen de tekentafel en de huiskamer zijn gevallen. En opgeraapt worden via de omweg van de taal. Zo ontstaan zinnen die een verlangen en een verwachting oproepen en ergens halverwege landen.’ De typering is ongetwijfeld positief bedoeld, maar wat ‘halverwege’ blijft hangen, is zelden scherp en bovendien onafgewerkt. Is het de bedoeling dat de lezer langs de talige omweg een plaats kan geven aan het visueel oeuvre van Demoen? Misschien wel, maar dan is die ene schamele tekening op de eerste bladzijde onvoldoende om kennis te maken met de het beeldend werk van de dichter.

Een dichter die heel veel teksten heeft geschreven waarin visuele kunst en woord hand in hand gaan, is Roland Jooris, die tot 2005 conservator van het Roger Raveelmuseum in Machelen was. Jooris had niet alleen oog voor het werk van Raoul de Keyser, Roger Raveel en andere hedendaagse kunstenaars. Hij maakte ook duidelijk hoe de stillevens van Giorgio Morandi beleefd kunnen worden. In een gesprek met Michaël Bellon ( www.brusselnieuws.be ) reageerde hij als volgt op de stelling ‘ U beeldhouwt met woorden’: ‘Zo zou je het kunnen noemen. Ik heb het gevoel dat ik de woorden niet alleen met mijn geest, maar ook met mijn vingers betast. Het gaat om een zoektocht naar het wezen van de dingen en het wezen van de taal.’ Die indruk heb ik alleszins niet bij het lezen van de teksten van Demoen. De teksten kunnen uiteraard ook aan een tekening refereren, zoals het openingsvers onder het nummer 141: ‘lange winterschaduwen bederven.’ Dat is een beeld dat goed in een ets, een schilderij – ik denk o.a. aan het werk van Saverys – of een tekening tot uiting kan komen, maar dan volgt plots het bijna surrealistische lijdend voorwerp in regel twee: ‘de orchidee van je oksel.’ Van een oksel kan een erotische prikkeling uitgaan, en een oksel met een orchidee associëren was misschien vanzelfsprekend in expressionistische of surrealistische teksten. In de prozaïsche werkelijkheid van Demoens gedicht ligt dat beeld me niet . Ik neem aan dat een naaktmodel door winterschaduwen vertekend kan worden, zelfs bedorven kan worden, maar maak dat dan duidelijk en gebruik geen gezochte metaforen.

Een van de betere teksten staat onder het nummer 108:

hier fluit een distelvink tegen
grijze achtergrond en vliegt handzaam
vlug terug gefloten
een haartje een vogel een gestalte een been
een schoot een gezicht een harlekijn
een draad een tube een hand
een tik met een kleine hamer op een
kromme spijker valt op een eikenblad
de pijn die aan het skelet knaagt
fluokunstgeschiedenis van vergeten en bewaren
en tamelijke schoonheid van
grijs drukwerk en een grijze dag

 Deze tekst bevat nagenoeg een verhaal, al wordt het bijna uitsluitend verwoord door het opsommen van substantieven waarvan de onderlinge samenhang niet altijd duidelijk is. Duidelijkheid is niet een eerste vereiste, de lezer moet immers ook bereid zijn om nu en dan een inspanning te leveren. En toch is ook deze tekst met de mooie aanhef ‘hier fluit een distelvink tegen / grijze achtergrond…’ een gemiste kans. Het geschenkvers – de eerste versregel – blijft als het ware hangen. Dat gebeurt ook in andere gedichten. In de tekst onder het nummer 77 luidt het beginvers: ‘regenkleuren over mensenogen.’ Daarna volgen flarden van de werkelijkheid en de eigen droomwereld, soms met een raak beeld zoals ‘boomwortels als mannenhanden buigen om / het plasmascherm…’ Maar een gedicht is meer dan een verzameling van geslaagde versregels. Ik mis het bezielend verband, maar misschien wil Nikolaas Demoen mij en andere lezers precies bijbrengen dat er geen bezielende verbanden bestaan. In de bundel duikt ook meermaals het ongemotiveerde titelwoord op, zoals in ‘en je bent tamelijk ridderlijk zoekende’, ‘als het tamelijk tegenslaat’, ‘en een tamelijke stop’ en ‘tamelijk niemand gezien.’ Tamelijk is gemakkelijk te vervangen door nogal, behoorlijk, vrij, enigszins… De herhaling van steeds hetzelfde bijvoeglijk naamwoord of bijwoord heeft wellicht niets met woordarmoede te maken, maar zonder goede wil kan men de irriterende herhaling wel in die zin interpreteren.

Volgens Jan Greshoff heeft ‘een eerlijk man niets dan zijn gelaat.’ Die stelling spreekt me ook in poeticis sterk aan, en ik vind het jammer dat ik in de bundel tamelijk het gelaat van Nikolaas Demoen niet heb kunnen vinden, wat natuurlijk niet betekent dat Demoen het spel niet eerlijk zou hebben gespeeld. Maar een gedicht dat niet noodzakelijk is, en ik weet dat die term rekkelijk is, kan beter niet aan de openbaarheid prijs worden gegeven. Indien de teksten als ‘blikopener’ voor de visuele kunst van Nikolaas Demoen bedoeld zijn, dan had ik graag wat meer tekeningen gezien. Nu bestaat de bundel slechts uit losse droom- en denkbeelden en één tekening die niet wordt ‘beschreven’.