Recensie van My funny Valentine - Roger de Neef

De dood laat zich niet misleiden

Roger de Neef
My funny Valentine
Uitgever: Poëziecentrum
2015
ISBN 9789070968953
€ 34,90
94 blz.

My funny Valentine is meer dan een dichtbundel, het is ook een zeer verzorgde kunstuitgave met aquarellen van Michael Bastow (1943). Om de aquarellen tot hun recht te laten komen, werd een ongewoon formaat gekozen:  32 cm  x 22,5 cm.
Roger de Neef (1941) schreef, zoals Willy Roggeman (1934) en Roland Jooris (1936), aanvankelijk experimentele gedichten. Er zijn nog andere overeenkomsten: deze drie auteurs hebben ook essays geschreven en ze hebben altijd veel interesse gehad voor visuele kunst. Zoals Roggeman is De Neef ook een jazzfanaat, een affiniteit die samen gaat met een experimentele invulling van het kunstenaarschap. In 1964 publiceerde De Neef enkele Franstalige gedichten in het tijdschrift Edda en rond die tijd werkte hij ook mee aan het tijdschrift Nul. Zijn eerste bundel, Winterrunen (1967), verscheen bij Manteau, de belangrijkste Vlaamse literaire uitgever in de jaren 1950-1980. Daarna volgden o.a. Lichaam mijn landing (1970), De halsband van de duif (1993), De kou van liefde (1999) en Luchthaven voor vogels (2010). De Neef ontving o.a. de Arkprijs van het Vrije Woord (1978) en de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie (1996). De nieuwe bundel bevat twee reeksen van tien liefdesgedichten die in het Frans en het Engels zijn vertaald, waardoor het kunstboek ook voor anderstalige lezers toegankelijk is. Sommige vertalingen blijven te dicht bij de originele tekst. Ze ontsluiten de wereld van De Neef, maar ze zijn idiomatisch niet altijd even fijn afgestemd op het taaleigen van de vreemde lezer.

De schilder, Michael Bastow, heeft o.a. werk van Hugo Claus geïllustreerd – Sans merci (2000) -, en hij stelde meermaals in België tentoon. In 1991 exposeerde hij in galerie Veranneman (Kruishoutem) en in 2014 in De Zwarte Panter (Antwerpen). Op het achterplat lees ik dat Gauguin, Cézanne, Klimt en Kokoschka nooit ver weg zijn in het werk van Bastow. Mijn eigen beeldengalerij – vergelijkbare schilderijen waaraan ik spontaan denk – roept onmiddellijk een verwantschap met het werk van Egon Schiele (1890-1918) op. Een aantal aquarellen van Bastow toont, zoals het werk van Schiele, breekbare mensen. Op het achterplat worden Bastows aquarellen als volgt getypeerd: ‘ze zijn een beeldende, exuberante ode aan de naakte, sensuele vrouw. Bastow pakt haar als het ware bij de vulva.’ Schiele ging hem op dat vlak voor, in een periode dat gedetailleerd naakt minder vanzelfsprekend was. Dit doet niets af aan de schoonheid van de aquarellen, die een onderdeel zijn van een ‘Bermuda-driehoek’, gevormd door de dichter, de beeldende kunstenaar en Constance, het model. Niet alle aquarellen zijn even geslaagd. Soms kan ik de kleur niet met liefde associëren (14, 17, 32-33).

Op datzelfde achterplat luidt het commentaar van Marc Ruyters: ‘Samen trekken zij de lezer-kijker letterlijk en figuurlijk in het bad.’ Die stelling wil ik toch nuanceren. Het gedicht op bladzijde 41 kan ik, nadat ik het meermaals heb gelezen, niet aan de schitterende aquarel op bladzijde 40 koppelen. Het gedicht vertoont trouwens nog steeds – vijftig jaar na De Neefs debuut – experimentele trekken. Dezelfde vaststelling geldt voor het gedicht op bladzijde 37 en het naakt op de voorgaande pagina. De illustraties – maar dat is een begrip dat niet echt past – zijn het werk van een temperamentvol schilder. Er is wel sprake van een spiegeleffect tussen de aquarel op bladzijde 29 en de volgende versregels: ‘Ik mijn lief omschrijf / Je kontje als een zon / Met het sap van de perzik / En vlezige pruim’ (28). In deze bundel vallen, zoals terecht door Yves T’Sjoen wordt onderstreept, ‘sterk lichamelijke beelden en de muzikale kracht van het woord’ op, en daardoor ligt My funny Valentine in het verlengde van de sterk lichamelijke gekleurde poëzie die in de jaren 1950-1960 werd geschreven. Anders gezegd, Bastow en De Neef trekken elk op hun manier de lezer-kijker aan. Het figuurlijke bad dat Ruyters signaleert, heb ik niet ontdekt. Ik veronderstel dat Constance eerder op een matras lag toen ze poseerde.

De bundel wordt ingeleid met een citaat uit het werk van Dylan Thomas (1914-1953). De twee versregels bevatten vragen die antithetische gewaarwordingen verwoorden. Thomas vroeg zich o.a. af of in een kus een distel huisde. Liefde die aan een ongewenste woekerplant ruimte gaf? Maar de mond en de kus in de verzen van Dylan Thomas kunnen ook een symbolisch karakter hebben dat niet beantwoord aan mijn interpretatie van de en mond en de kus als metafoor. Een tweede inleidende tekst is My funny Valentine van Lorenz Hart. Die song was een onderdeel van de musical Babes in Arms die Hart samen met Richard Rodgers (1937) heeft geschreven. My funny Valentine was populair bij jazzartiesten en werd vertolkt door o.a. Duke Elington, Ella Fitzgerald, Shirley Bassey en Miles Davis. In die tekst is de lichamelijkheid een opvallend gegeven, maar er worden geen metaforen gebruikt. De tekst is speelser dan die van Dylan Thomas, en dat geldt ook voor de gedichten van De Neef. Het citaat – een heel gedicht – herinnert aan De Neefs belangstelling voor jazz en de woorden zijn net concreet genoeg om aan te sluiten bij de beelden waarmee de dichter zijn liefde probeert te omschrijven. Ook in de volgende strofe komt de band met muziek aan bod: ‘Je hebt vuistjes en borstjes van klei / Tien geverfde vingers / Genoeg zenuwdraden op muziekpapier.’ (16) De donkere, sombere naaktfiguur sluit wel aan bij de versregels ‘Nachten weerkaatsen elkaar / In een klaarte die daar niet om heeft gevraagd / Maar jij bent andersom…’ (16) Andersom kan naar de sombere kleur verwijzen.

De lengte van de gedichten varieert continu, en dat geldt ook voor de versregels. In het titelgedicht is de eerste versregel: ‘Vandaag is het feest’. Het is een heel gewone, sobere vaststelling. Tijdens dat feest wordt er gedanst, en de dichter en zijn muze worden te kijk gezet ‘tussen zondagsbloemen geluiden en geschenken.’ Dat is meteen de langste versregel van het gedicht, dat eindigt met de eigenaardige woorden: ‘De zon boven de doodstrijd van geuren.’ (11) Verwijst De Neef naar feromonen – een biologisch signaal – en naar de onvermijdelijke nederlaag van de dansers die niet zullen samenvloeien en geen deel zullen hebben aan de ‘afstanden / Tussen woorden en dingen / [die] Als vleugels naadloos aan elkaar’ worden geschreven? De eenvoud van de verwoording is bedrieglijk. De liefde gaat gepaard met rituelen en gevechten en eindigt voor tegenspelers met een ‘doodstrijd’. De glimlach van de ‘winnaar’ lokt de traan van de verliezer uit. De dichter gebruikt geen leestekens. De lezer moet zelf de zinnen van de tussenzinnen scheiden en op zoek gaan naar de klemtonen.

In My funny Valentine laat de dichter zich mee zuigen door herinneringen aan de (lichamelijke) liefde, maar de bundel valt niet op door vitaliteit. De dood is niet veraf en de dichter weet dat. Hij schrijft wel ‘Geen wens gebed gebod / Alleen die spreuk van lijf tot lijf / Blijf bij mij.’ (43) De laatste woorden wijzen eerder op angst of onrust. De onmogelijke vervulling van die gesmoorde kreet sluit goed aan bij de volgende verbeelding: ‘Dat wij keer op keer // Elkaar beminden verspilden / En genazen met het roezig / Stukje dood op die dappere / Plek van pluis.’ (39) De geliefden genazen elkaar met een ‘roezig stukje dood’, of anders gezegd: de dreigende dood voorkwam tijdelijk verval. Omdat het weldra te laat zal zijn – ‘Wanneer ik later als geletterd skelet / De geschiedenis van onze lichamen schrijf’ – beminden en ‘verspilden’ de geliefden elkaar. Het antithetische is altijd opvallend aanwezig, handelen, strelen, zijn… gaan gepaard met ‘die spier van dood / Die ons wakker houdt.’ (38) Niet de liefde houdt de geliefden wakker, wel de dood die op een dag de liefde zal wurgen.

Om af te ronden citeer ik een vrij representatief gedicht dat bovendien verwijst naar visuele kunst:

De gesloten eenvoud van een vijver
De eenvoud van twee vijvers
Met dezelfde ogen
Ik draag je voor

Je onvolkomenheden herhaal ik
Je haperingen boots ik na
Ik kus jouw adem en adem

In de halslijn van een bloem
Ongereed om te beminnen
Overschilder ik geëtste strelingen
En leg je samen als had ik beenderen

Opgeraapt gewassen gewiegd verloren gelegd
Liefse
Ik handteken jou onder de regenboog. (35)

Zoals in andere gedichten vallen hier assonantie en alliteratie op, en dat zijn de meest in het oog springende kenmerken, die zoals Yves T’Sjoen heeft geschreven ‘muzikale kracht’ aan de verwoording verlenen. Om de muzikaliteit en de ‘inhoud’ te vatten, is het raadzaam traag te lezen, en eventueel te herlezen. Eenvoud is misleidend, en men loopt dan ook het risico aan de soms nauwelijks verwoorde schaduwzijde van de liefde voorbij te gaan.

Recensie van Som van tijd - Roger de Neef

De natuur van een dichter

Roger de Neef
Som van tijd
Uitgever: Poëziecentrum
2014
ISBN 9789056550752
€ 19,95
96 blz.

Ik was nog maar net begonnen aan de dichtbundel Som van tijd toen ik mij realiseerde dat Roger de Neef het voor elkaar had: Ik had naar buiten gekeken, de herfstige berk voor het huis, en ik was vertrokken voor ik er erg in had. Geen idee waarheen, geen idee waar ik was. Even zat ik niet achter mijn bureau, was ik niet bezig met het schrijven van deze recensie. Ik was mijzelf vergeten. Een vorm van betovering, waaraan de poëzie van De Neef mij onderwierp.

Terwijl ik doodga en zing
En blind ben van jou
Liefste ik hou van je

Verdwijn ik
Als een vleugje tijd
Op vleugels van licht.

schrijft de Neef in ‘Parfum d’amour’.
Ik ben nogal een letterneuker; bij welke poëzie dan ook, altijd vraag ik mij af wat ik precies zit te lezen. Er is maar één iets dat sterker is dan mijn behoefte aan rationele onderbouwing: de innerlijke stroom van een gedicht. Dat is net zoiets vreemds als de zekerheid die je kunt hebben over twee mensen die je voor het eerst ziet, dat zij bij elkaar horen; de woorden vormen een dusdanige gevoelsmatige eenheid, dat je ook zelf het gevoel kunt krijgen, dankzij de ervaring van zo’n gedicht, even, voor een moment, een eenheid te zijn.
Eerlijk gezegd is dat de ervaring waarop ik hoop wanneer ik een bundel begin te lezen. Dat betekent niet dat de ratio zou zijn uitgeschakeld. Wanneer ik een gedichtje lees als

Roos

Kijk
Een roos
Is een bloem
Met een rood hoofd.

dan heb ik automatisch de reactie dat zulks slechts geldt voor rode rozen. Weg betovering. Er zullen genoeg lezers zijn die het niets uitmaakt of daar nou ‘een’ staat of ‘die’. Ik ben daar toevallig en wellicht helaas, erg gevoelig voor. Het gewicht van de woorden is in een gedicht zoveel groter dan in proza.

Bij De Neef blijft er ook voor een rationalist als ik genoeg te genieten over:

Kindertekening

Mijn ogen zijn gemaakt
Van zon en van maan
Mijn wimpers
Van vleugels van dons
Mijn oren van afstand
Mijn mond van valleien
Mijn ledematen zijn
Van donder en donker
Van akkers hout en rivieren
Zijn alle andere delen
Die ik amper ken
Maar op gelijke voet leven met elkaar

Hoeveel persoonlijker kan een gedicht zijn? Het gedicht als een kindertekening; de onbevangenheid waarmee de Neef zijn eenheid met de natuur signaleert. Hij bestaat uit een gezicht, (niet een hoofd!) en uit ledematen, de rest kent hij amper, maar weet hij op voet van gelijkheid: een ideale samenleving waar hij zich niet mee bezig houdt. Het is de natuur die zijn aandacht heeft met haar ruimte en haar nabijheid, haar kwetsbaarheid, tederheid en met haar dreiging. Dit is een gedicht dat de mens toont als een complete wereld; het gezicht als dat deel van jezelf dat je uit de spiegel aankijkt, en dat je aan de buitenwereld toont, de ledematen die je de mogelijkheid tot handelen bieden, en heel veel onbekend gebied. Akker en hout zijn de enige elementen die met cultuur te maken hebben. De rivier is zowel natuur als cultuurgebied. Meer natuur- dan cultuurmens. Zo omschrijft De Neef zich. ‘Oren van afstand’; is dat niet heel mooi?
‘Ledematen van donder en donker’. Hier is geen dichter aan het pronken, geen valse bescheidenheid ook, maar een eerlijke dichter die ons laat delen in zijn liefde voor zijn wereld. Er zijn wereldoorlogen geweest, maar bomen leven als voor die tijd. Relaties zijn begonnen, verbroken, maar rozen bloeien of zij nog nooit voor de liefde model hebben gestaan.

Stilte

Hier heerst stilte
Als een reus

Stilte vanuit wortels
Van bomen die de stilte
Meedelen aan hun takken
Waarop vogels

Onder het geluid van licht
Groen en zilver

Hier
Een boom zijn
Van top tot teen
Gemaakt van stilte

Een bijna mystieke ervaring die trefzeker vorm gekregen heeft. De Neef is een dichter die dingen bloot legt, heel simpel. Het gedicht als een doosje dat hij ons voorhoudt; niets nieuws, maar zo mooi gekadreerd, dat het je bijblijft
Toch is de poëzie van De Neef niet solipsistisch.

In de reeks ‘De eeuw van de schreeuw’, een titel die refereert aan het beroemde schilderij van Edvard Munch, waagt De Neef zich aan de Grote Oorlog, de concentratiekampen, en aan Guernica. Waagstukken, ja. De onvoorstelbaarheid van het leed dat de mens zijn medemens aandoet, maakt het bijna onmogelijk om buiten de clichés te treden van gruwel en wreedheid waarmee via kunst geprobeerd is om ons bewust te maken van het lijden dat de slachtoffers is aangedaan.

Transport

Alsof zij elkaar
Uit het oog
Hadden verloren
Werden zij
Naar een plaats gebracht
Met haast werden zij
Samengebracht
Op een plek die zij niet kenden

Alsof zij elkaar
Al eeuwen uit het oog
Hadden verloren
Werden zij plots met dwang
Samengebracht
Op een plek die zij niet kenden
(..)

Wat er verder komt, verzandt toch in de clichés van de crematoria. Ik ken ze, en hoewel ik de verschrikking besef, raken ze mij niet, omdat ik geen persoonlijke band heb met overlevenden of slachtoffers. Wat er nu in de Oekraïne gebeurt raakt mij veel meer, omdat ik daar vrienden heb. Maar een een oudere vriend van mij, als communist in een concentratiekamp beland, en zo gemarteld dat hij nooit meer heeft kunnen werken, heb ik zo hartverscheurend zien huilen dat ik nog vol schiet wanneer ik aan hem denk. En dat slaat om in haat. Onmachtige haat voor de beulen. Ik moet vaak aan Bertolt Brecht denken, die dichtte:

(…)
Ook de haat tegen de laagheid
Vervormt het gezicht
Ook de toorn over onrecht
Maakt de stem hees. Ach wij
Die de grond effenen wilden voor vriendelijkheid
Konden zelf niet vriendelijk zijn
(..)

(An die Nachgeborenen)

Zo bij jezelf blijven, bij je persoonlijke ervaringen, verlost je, als dichter, van je goede, tot mislukken gedoemde bedoelingen.

Het was een aangename verrassing om in deze reeks het gedicht ‘Mood Indigo’ te lezen, dat De Neef in 1995 geschreven heeft en dat is verschenen in de bundel Empty bed blues. Hoe valt dit hier op zijn plaats:

Mood indigo

Ik geef je de kleur
Van geboorte en droefheid

Niet het blauw in je hoofd
Maar het bevroren blauw van de vlam
Het blauw van het uur blauw
‘s Ochtends net voor de ochtend

Het blauw van vlak voor
En dat van na de zomer
Ondergedoken in rivieren het blauw
Van overal onderweg naar je bloed

Liefste ik geef je de kleur
Van geboorte en afscheid

Het bittere blauw dat leeft
In het hart van het blauw
En uitbreekt als koorts.

Dit gedicht ontroert. Wat een fantastische dichter is die De Neef! Ze zijn behoorlijk zeldzaam, de dichters die niet slechts verzen bouwen, maar werkelijk vanuit hun hart (kunnen) schrijven. Hoe hondsmoeilijk, op het onmogelijke af, het mij ook lijkt om de gruwelen van die ‘eeuw van de schreeuw’ door of mee te laten klinken in de poëzie. De Neef krijgt het voor elkaar:

De triomf van de dood

ook hier staan huizen
Als rotte kiezen
In het kaakbeen van een landschap

Kogelgaten in de ingewanden
Van muren waar vogels
Waken over het bot van uw bestaan

Plaatsen die veranderen van naam
Niet van slachtoffers
Som van doden

Meer en meer
Lijken ze op elkaar
Aan weerszijden van het leven

In dit verhaal van stofwisseling
En oorzaken keren wij terug naar de schreeuw
Naar de dag van eeuwen

Zij of wij kunnen nergens naartoe
Zelfs tussen twee stroken lucht kan niemand
Nog de afdruk van een vluchtweg vinden.

Een schilderij van Pieter Brueghel was aanleiding, maar is dit niet een gedicht van alle tijden? Wie ziet niet de Syrisch- Koerdische vluchtelingen van nu voor zich, de duizenden aan de grens van Turkije? Hun gezichten getekend door angst, geweld en ontberingen.
Ze zijn er tezelfdertijd; de natuur waarin we kunnen opgaan, die ons bevrijden kan van onze cultuur, en de barbaren van onze cultuur die voor de poort staan.

Som van tijd

Voorbij en buiten de tijd
Nog schrijf ik achteruit
Op zoek naar de hand
Die als knoop onvindbaar blijft

Niet als ‘de’ onvindbare knoop, maar als knoop; vervlechting. De vraag hoe alles met elkaar verweven is. Som van tijd is geen poëzie die je als geëngageerd zou kunnen omschrijven, maar is dat voor mij als ervaring wel. De Neef betrok mij op verschillende manieren bij mijn wereld, en wat die ons te bieden heeft. Wat mij het meest heeft geraakt is het besef van schoonheid, ondanks alle ellende. Alleen als je van die wereld houdt, kun je er zo over schrijven.

***
Roger de Neef (1941) is auteur van enkele kunstmonografieën en een vijftiental dichtbundels. In 1978 werd hij onderscheiden met de Arkprijs van het Vrije Woord en in 1986 met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie.