Recensie van Menschen en Bergen - Lodewijk van Deyssel

Van Deyssels 'Menschen en bergen' in ere hersteld

Lodewijk van Deyssel
Menschen en Bergen
Uitgever: Huygens Instituut - KNAW
2009
ISBN n.v.t.
€ n.v.t.
blz.

Russell Edson, een Amerikaans dichter die vrijwel uitsluitend prozagedichten schrijft en daarmee een groot publiek bereikt, noemde zichzelf eens schertsend ‘little mister prose poem’. In zijn kielzog schrijven en publiceren honderden Amerikaanse dichters prozagedichten. De Franse literatuur bezit met Rimbaud het belangrijkste kopstuk van het genre. Maar wat heeft Nederland? Een prominent prozadichter in ieder geval niet. Maar als we dan toch iemand tot de Nederlandse ‘mr. Prose Poem’ willen benoemen, dan is Jan-Willem van der Weij een goede kandidaat. Al sinds zijn promotie-onderzoek naar de rol van het prozagedicht in de Nederlandse literatuur van het fin de siècle werpt deze literatuurwetenschapper zich op als beschermheer van het Nederlandse prozagedicht. In 2005 stelde hij al een bloemlezing samen van Nederlandse prozapoëzie – Menschen en bergen werd daar overigens niet in opgenomen, naar ik aanneem vanwege de lengte. Nu bezorgt hij, in samenwerking met het Huygens Instituut, een digitale onderzoekseditie van een van de intrigerendste prozagedichten uit de Nederlandse literatuur: Menschen en Bergen van Lodewijk van Deyssel.

Lodewijk van Deyssel (pseudoniem van Karel Johan Lodewijk Alberdingk Thijm) was de zoon van een uitgever en maakte, net als Kloos, Van Eeden en Gorter, deel uit van de beweging van Tachtig. Van Deyssel was echter geen dichter, maar prozaschrijver en essayist/criticus. Hij werd in het begin zeer beïnvloed door het naturalisme van Emile Zola. Later ging hij experimenteren met meer poëtische procédés voor het schrijven van zijn proza, met als doel de tekst als geheel intenser te maken. Menschen en bergen zou je het hoogtepunt van dit streven kunnen noemen. Veel van Van Deyssels werk kennen we uit de edities van de in 2006 overleden Harry G.M. Prick. Al in de jaren veertig van de vorige eeuw wees Van Deyssel Prick aan als zijn biograaf en bij zijn overlijden liet hij hem zijn hele archief na. Prick publiceerde het laatste deel van de biografie in 2003, drie jaar voor zijn dood.

De tekst van Menschen en bergen was al geruime tijd online beschikbaar in de DBNL. Maar daar waren alleen de tekstdelen te vinden die tussen 1889 en 1891 (de DBNL geeft 1892) gepubliceerd werden in De Nieuwe Gids. De nu online gezette editie van Menschen en bergen is een zogeheten ‘wetenschappelijke editie’. Dat betekent dat niet alleen alle bekende versies van de tekst (manuscript, drukproef, De Nieuwe Gids en latere versies die verschenen in de bundels Prozastukken en Verzamelde opstellen en in het Verzameld werk van 1922) zijn opgenomen, maar ook een vrij uitgebreide ontstaans- en drukgeschiedenis, een beschrijving van de ontvangst van het werk, een beschouwing van Van der Weij en een bibliografie van primaire en secundaire literatuur. Ik ben geen literatuurwetenschapper, maar op mij maakt het geheel een degelijke en complete indruk. Bovendien wordt de editie gepresenteerd in de door het Huygens-instituut ontwikkelde eLaborate-omgeving. Hoewel die voornamelijk ontwikkeld is om literatuurwetenschappers het (samen)werken te vergemakkelijken, staat hij ook garant voor een overzichtelijke, intuïtieve en plezierig lezende gebruikersinterface. Hoewel ik daarvan dan toch weer voornamelijk de (ook uitstekende) printfunctie gebruikt heb. Want een echte literatuurliefhebber leest toch nog steeds het liefst van echt papier.

Het prozagedicht – zelf ben ik, ondanks de poëtische stijl, geneigd het toch een verhaal te noemen – is een verslag van het verblijf van de schrijver in La Roche, een klein dorpje in de Belgische Ardennen. Hij was daar in 1885 een aantal maanden om bij te komen van zijn uitputtende bestaan in het literaire wereldje en had dan ook weinig zin om in die maanden een pen op papier te zetten. In de zomer van 1886 begon hij echter aan een roman onder de titel Bergen en menschen. Schetsen uit het dorpsleven. Het project bleef onvoltooid, maar zo af en toe werkte Van Deyssel er aan en verwerkte er zijn nieuwe ideeën over het schrijven van proza in. Zo ontstonden uiteindelijk de vier delen van de tekst zoals we hem nu kennen. Of eigenlijk: niet kennen. Want eerlijk zeggen: wie had er ooit van dit werk gehoord? Ik in ieder geval niet.
Het eerste deel beschrijft een deel van de reis, de aankomst in het hotel, de maaltijd met de andere gasten en hoe de hoofdpersoon zich terugtrekt op zijn kleine, donkere hotelkamertje. Er is geen sprake van iets dat op een intrige lijkt, het zijn puur observaties. Met de taal is geprobeerd om die observaties, hun kleuren bijvoorbeeld, maar vooral ook de emoties die ze losmaken bij de hoofdpersoon, in feite Van Deyssel zelf, zo intens mogelijk over te brengen. Citeren gaat ontzettend makkelijk uit een digitale editie dus ik geef u de eerste paragraaf:

Mul klefferig en lam-gekookt moê binnen de verflensende bruin-grijs-wemelende jasjen en broek, zat het roerloos levend mannenlijf over een afgekrabbeld zwart leêren kussen in het zwarte Binnen van den voortwaggelenden wagen, de voet-blokjes op het over het vloertje genestte geel-stralerige stroo, het stofferige, klammerige bleeke hoofd door een viesvaal raampje kijkend uit de witte flets-bruin-doorknikkerde oogovaaltjes, zoo als een stuk porceleinwerk door een glázenkast kijkt.

Wat meteen opvalt is dat Van Deyssel de hoofdpersoon hier aanduidt als een ding, een ‘roerloos levend mannenlijf’. In de hele tekst duidt de schrijver zijn hoofdpersoon verder aan met de kleur van de kleding die hij draagt. Eerst, in zijn reiskostuum, ‘den bruin-grijze’ en later, in zijn blauwe pak, ‘den blauwen’.
De cabine van de koets daarentegen, het ‘Binnen’, krijgt een hoofdletter en wordt zo enigszins gepersonifieerd. Van Deyssel lijkt zich ten doel gesteld te hebben de mensen en de dingen in dit prozagedicht dichter bij elkaar te brengen. Verderop in dit deel, als de hotelgasten aan tafel zitten, heet het: ‘De drie rompen stonden recht-op aan weêrskanten van de tafel.’ Rompen zijn het. Dingen zoals er zoveel dingen zijn. Het ritme van de tekst en deze voorstelling van het menselijk lichaam als een grauwe zak met botten die zich met tegenzin van de ene plek naar de andere laat slepen laat de lezer de uitputting van de hoofdpersoon intens meevoelen. Enigszins komisch wordt het als hij het contrast aanscherpt door het eten als handelende partij te presenteren:

Het waren gekookte eyeren, die gegeten werden, eerst staand op de borden in hun dopjes, als verkleinde nabootsingen van gedenksteenen met hun matte ovaalheid, daarna verbroosd met deukjes en knaauwtjes door het gerikketik der lepeltjes, daarna afgepeld en glimschijnend met hun blauwig-gladde wit en met slijmerig en dikkerig oranje en binnenwit, opgelebberd in de gebogen hoofden, waarvan de gelaatsvakken, voor-onder de roerloze ooren, slapen, schedels en achterhoofden, plotseling hevig waren gaan verroeren in den lampenschijn

Het tweede, veel kortere, deel beschrijft het ontwaken en het naar beneden gaan voor het ontbijt. Het derde en vierde deel, veel later geschreven, zijn heel anders van stijl. In deze delen produceerde Van Deyssel in zijn vernieuwingsdrang weliswaar weergaloze, maar ook moeilijk te volgen taal. Hij beschrijft hoe hij het meisje bekijkt dat hij in de ontbijtzaal aantreft en hoe hij vervolgens de baas met een blik laat weten dat hij zijn ontbijt wil gebruiken:

Zij keerde het oog-lach-glansend en mond-lach-spletig snoep-zoet zijig smal neig-hoofd af; onder de in gelatenheids gewoonte-gang gedweeë schouderdeining steeg de zedig-effen grijs omkleedde onderste meisjeshelft met de door elken tred fonfaayerige rok-eind-opslobberingen laag-, dik-hoog in den liggend-ovalen alom-blik van den schier-drentelenden blauwen, tegen de donkere trap-onzichtbaarheid, een schaduwtoren. Het hoofd van den blauwen draaide zacht rechts-om boven maag-wrevelig ontbijt-behunkeren, de baas-oogjes pikten een blik tegen het hoofd, de blik van den blauwen gleed daarin vast, de oogen zagen in de baasoogjes het plots-gast-merken, vriendelijkheidsbedoeling, -volvoering, als was in het glassig oogknikkertje het gedachte door klein vergrootglas te lezen.

Alweer gebeurt er vrijwel niets, het is het overbrengen van de ervaring, tot in het kleinste detail, dat telt. En gaandeweg wordt de tekst nog steeds poëtischer. De hoofdpersoon maakt na he ontbijt een korte wandeling en raakt in vervoering van de schoonheid van een bergriviertje. Dit gedeelte, met lyrische regels als

een flauw-hooge vreugde-verwondering van hee-wat-is-tat-hier-in-eens, een draalstaning, maar, meer, en goed-zoo, in een soezerigheid vol vage heiligheidsvoeling van groot-stand en op-stand in ruimte-veel dag-goud, in koel-zachte omme-warmte in hemelende vreugde, een tot-stand-koming

en deze slotregel:

Afgedragen door zachte onstoflijke winden, zeeg een zegen uit de goddelijke hoogte in de ziedende stilte om den gouden doode.

deed me erg denken aan ‘Een magistrale stralende zon’ van Johnny van Doorn.

In het vierde deel wandelt de hoofdpersoon verder, maar hij ziet de wereld nu anders. Ineens is alles licht geworden. En, wat belangrijker is, mensen zijn weer mensen geworden. ‘Den blauwen’ wordt nu gewoon ‘hij’ genoemd en ‘menschenstappen naderen van achteren aan, gaan voorbij onder hoog donker bewegende mensch-menschen’. En tenslotte is ‘De weg [..] bezet met hoogte van licht. Daarin is het komende. Daarin komt de blijheids-dagmenigte af, het breede vele liederende leven, van de hoogte gezegen, zingende meisjes en jongens van licht komen af.’

Al met al is het een prachtige tekst. Het taalgebruik is volstrekt uniek en zeer virtuoos (als je eenmaal gewend bent aan de archaïsche, maar vaak ook toen al vreemde spelling) en maakt van dit stuk een echt gedicht. Maar er zit ook verhaal in en tempo en het verloop van zwaarmoedigheid naar verlichting is zo uitgewerkt, dat je als lezer deze ontwikkeling echt meevoelt.

Maar waarom is Menschen en bergen wetenschappelijk zo belangrijk? Van Deyssel sloeg, zoals Van der Weij in zijn toelichting al vermeldt, na dit experiment zelf een andere artistieke richting in. Bovendien is de tekst zoals gezegd niet af. Maar daartegenover stelt Van der Weij het volgende:

De tekst is een van de meest sprekende voorbeelden van de ingrijpende vernieuwing van de literaire taal aan het einde van de negentiende eeuw. De originaliteit en consistentie waarmee Van Deyssel de taal van het literaire proza vernieuwde, heeft van Menschen en Bergen een wonder van taalvirtuositeit gemaakt. Vooral deze tekst was een voorbeeld voor veel prozaschrijvers na Van Deyssel, overigens een in hoge mate controversieel voorbeeld, dat zowel bewonderd als verguisd werd. Wie echter nu, in de eenentwintigste eeuw, onbevooroordeeld en zonder haast van de tekst kennisneemt, kan nog steeds, of misschien opnieuw, volop genieten van deze schilderende woordkunst.

Bovendien, voegt hij er aan toe, is Menschen en bergen een, voor Nederlandse begrippen, zeer vroeg prozagedicht en te zien als een vroeg voorbeeld van het sensitivisme, een uit het impressionisme voortgekomen stroming die onder meer de Verzen van Herman Gorter voortbracht.

Dat de tekst om al die redenen interessant is voor literatuuronderzoekers, dat wil ik van Van der Weij aannemen. Maar voor een gewone lezer met enige filologische interesse is er ook voldoende te ontdekken. En hoewel het hier natuurlijk om een stilistisch wat excentrieke tekst gaat, kunnen die ontdekkingen ons ook iets vertellen over het wordingsproces van een literair werk in het algemeen.

Een interessant aspect bijvoorbeeld van de ontstaansgeschiedenis van dit prozagedicht is de lange duur ervan. De eerste pagina’s schreef Van Deyssel in 1886 en ergens rond 1891 gaf hij het werk eraan op. Zonder de achtergrondinformatie die Van der Weij geeft, had het geheel dus, door de grote verschillen in stijl tussen het eerste en het laatste deel (zie bijvoorbeeld de citaten hierboven), een onevenwichtige indruk kunnen maken. Met de duiding van Van der Weij weten we dat we kijken naar de ontwikkeling van een schrijver.

Ook leuk om te zien zijn de verschillen tussen het eerste manuscript (van het eerste deel) en de uiteindelijk in De Nieuwe Gids gepubliceerde tekst. Bij vergelijking blijkt dat Van Deyssel is begonnen aan een vrij conventioneel verhaal en later de tekst verregaand heeft ‘gepoëtiseerd’. Zo heette de hoofdpersoon eerst gewoon ‘Frans’ en verviel de volgende paragraaf:

Na te veel gewerkt te hebben in een heete afzondering met zijn vers-papieren alleen, ging hij, nu pas de eerste lente-warmtetjens zijn vale wangen bezachtten, zijn zenuwen en hersens baden in de Belgische Ardennen. Uit het sis-gillend en hobbelend geraas van de spoorreis had de donkere trein hem in-eens op het eenzame perronnetje van Melreux uitgegooid en midden in de nieuwe oneindig wijde kalmte, in de zachtjes-aan voortvervelende malle-poste.

Voor een roman een logische inleiding, voor een prozagedicht te veel uitleg. Zo moet de redenering ongeveer geweest zijn. In de versie in de Verzamelde werken van 1922 voegde hij echter weer tussenkopjes in die de zaken weer wat verduidelijkten.

En dan is er nog de zogenaamde ‘poepscène’. De hoofdpersoon voelt zich in eerste instantie niet erg thuis in het hotel waar hij arriveert. Later ontspant hij zich wat (‘Met meer gemakkelijkheid door de leden en een zich-eenigszins-thuis-gevoel’), omdat hij de moed bijeenraapt om zijn kamer te verlaten en het toilet te bezoeken. Dat is geen onverdeeld genoegen:

Hij liet de kaars op de brilleplekjes schijnen en opschijnen langs de wandjes van de naauw rondsluitende kast. Er lagen druppels vóor het ronde ongesloten gat, waaruit een heftige stank opwalgde. In een hoekje waren stukjes krantenpapier half-in-éen-gefrommeld, met korsterige, bruine sproetenmassaas.

Maar hij zet door:

Het hoofd recht op geduwd, met harige krinkels in den nek boven den buigenden rug, waar het jasje dik samenplooide zakkend onder het opgeslagen hemd, drukkend van de keel tot de ingewanden, met stoomende kuchjes uit den open mond, prielde borrelend en pruttelend een klein stukje poep aan de billenspleet, terwijl dadelijk een felle pies-straal neêrspoot, kletterend tegen den kokerwand, lager afdruppelend met diepe tikjes. Het stukje poep viel neêr, bleef stil, en viel toen weêr, heel in de laagte, klikkend in water. Maar een langer week staafje worstte af uit de spleet en klompte neêr, zoo dat er druppels tegen de bil-ronding hekelend te-rugspatten. Na een afgeschuur der billen met een binnenzak-papiertje, hief het lijf zich, en de kleêren klommen en vielen er plat omheen.

Na veel wikken en wegen werd deze scène toch maar geschrapt. Niet onvoorstelbaar, in 1889. Des te leuker dat hij nu, 120 jaar later, alsnog tot onze beschikking is gekomen.