Recensie van Je kunt bellen - Maarten Doorman

Doormans zevende

Maarten Doorman
Je kunt bellen
Uitgever: Prometheus
2013
ISBN 9789044622331
€ 15,00
64 blz.

Na een stilte van acht jaar verscheen onlangs de zevende dichtbundel van filosoof en criticus Maarten Doorman (1957). De wereld waarin wij nu leven, is altijd nadrukkelijk aanwezig in Doormans poëzie, die daardoor meteen al bij eerste lezing een vertrouwde indruk maakt. Al eerder gebruikte Maarten Doorman woorden uit de moderne techniek in een titel, nl. Afstandsbediening van katoen (1995), en in het openingsgedicht van Je kunt bellen is ’t ook meteen raak: een zoemende ijskast, een hotelkamer-tv en een mobiele telefoon met ongelezen berichten helpen mee in het verbeelden van een gevoel van eenzaamheid. Dat de dichter weet dat er inmiddels veertien berichten in zijn telefoon staan, allemaal ongelezen, versterkt dat gevoel. Techniek is niet altijd een zegen voor een mensenleven.

Drie gedichten verder, in ‘Brief uit Istanboel’, blijkt Maarten Doorman zelf op een hotelkamer te zitten, vanwaar hij achter een ‘altmodische pc’ een persoonlijke mail verstuurt, die kennelijk als de spreekwoordelijke brief in een fles moet fungeren, gelet op het bijgesloten ‘Fles.doc (136 KB)’. Er spreekt verlatenheid uit dit gedicht, maar tegelijkertijd kun je er als lezer ook om lachen — een mooi stukje tragikomedie laat Doorman hier zien.

Doorman is in zijn melancholie doorgaans sterker dan in zijn humor. Waar iets begint te schrijnen, zoals in het afsluitende vers ‘Het landschap denkt ons’, is Doormans poëzie het meest naturel en het meest overtuigend.

HET LANDSCHAP DENKT ONS

Alles ligt klaar voor de wandelaar
De beek langs de weg, het seinhuis
het te smalle trottoir als gedachten
die je ontmoet en dan de jouwe
noemt, ook zonder kaart liggen ze daar
en wie de deur uitgaat ziet ze haast
voor ze ons omhelzen en wij denken
dat wij het doen terwijl de bomen minzaam
zwaaien. En wij doen het soms
maar meestal denkt het landschap ons
en daar ga je

Ook ‘Salome belt’ en ‘Noli me tangere’ (zie citaat verderop) springen er wat dat betreft uit.

’t Gedicht dat de bundeltitel opleverde, te vinden op bladzijde 12, heet kortweg ‘Telefoon’. In het vers ervoor gaat het over sterven (‘Niet iedereen uit die kano’s / leeft nog’) en dan is de iemand uit ‘Telefoon’ hoogstwaarschijnlijk een overleden iemand die bot gezegd niet meer meedoet aan het leven. In Doormans woorden:

Iemand is een verre stem
in een doos niet meer, een sterke hand
niet meer of een te strak gestrikte
schoen, een doorgestikt overhemd, iemand is
een niet verwijderde gemiste oproep
nog misschien, een ingeslikt signaal
dat trilt van een bericht, iemand is
zo te zien zo uit je telefoon,
je kunt bellen wat je wilt
of me nog meer vertellen

Het slot van dit centrale gedicht is ambivalent: een cynische dooddoener of toch nog een klein beetje troost d.m.v. poëzie en herinneringen.

‘Telefoon’ heeft een parallel in ‘Al lijkt het nergens op’, dat helemaal achterin de bundel staat: ‘Iedereen kan mij bellen alleen / wanneer ik mijzelf bel ben ik / voortdurend in gesprek.’ En verder lijkt dit gedicht het jongere broertje van ‘Naar de kuil’ uit Afstandsbediening van katoen, waarin alles ‘afloopt’ met de precisie van een digitale klok (weer zo’n apparaat uit het moderne leven). Ervaringen die je vijftig jaar geleden niet kon hebben, omdat al die geavanceerde apparaten toen nog niet bestonden, daar dicht Maarten Doorman vaak over. Hij laat in zijn nuchtere poëzie zien hoe de aanwezigheid van allerlei elektronica en ict-toepassingen ons leven jaar op jaar verandert. In die zin kun je deze poëzie ook geëngageerd noemen, al klinkt die term voor Doormans gedichten misschien net iets te zwaar.

Sublieme verzen tref je bij Maarten Doorman niet aan, maar elke bundel van hem is uitgebalanceerd en coherent. In dat opzicht zou je Doorman kunnen vergelijken met Theo Verhaar, eveneens een dichter uit de filosofische hoek die het alledaagse en het metafysische op een nette manier in z’n poëzie wist te combineren. Of met René Huigen, al staat Huigens taal doorgaans wel een stuk verder af van die van de straat, het hotel of de haven.

Als filosoof beschikt Maarten Doorman over een scala aan abstracte expressiemiddelen, maar gelukkig blijft hij in zijn gedichten concreet en lekker tastbaar. Zoals in een titelloos gedicht uit Kloppend heden (2000): ‘Een beetje met syncopen zingen / op het toetsenbord, geen / control alt delete / nu het beter wordt / luister hoe van binnen / de ventilator bromt’. Of in het gedicht ‘Noli me tangere’ (Raak mij niet aan; Joh. 20:17) uit zijn nieuwste bundel Je kunt bellen:

NOLI ME TANGERE

In de telefoon van de ander
is de ander er steeds, een ander
valt makkelijk van je touchscreen
te vegen, raak mij
niet aan.
In de handen van de ander
vind je jezelf niet terug
en op een dag haal je opgelucht
adem, ontsnoerd, handsfree
in de armen van een ander.
Voor Nederlands toets 3.

Waarom boven dit gedicht een citaat uit het Johannes-evangelie staat, blijft overigens vaag. De link met een verrezen Jezus die niet aangeraakt of vastgehouden wil worden, is mij in ieder geval een raadsel. Of is hier toch diep onder de oppervlakte sprake van een vorm van geseculariseerde religie? Bij Doorman verwacht je dat niet.

Voor de derde keer op rij was Tessa van der Waals verantwoordelijk voor de boekverzorging en zij maakte er opnieuw iets moois van, met deze keer een opvallend oranjerood omslag dat qua vorm lijkt op een smartphone. En het lettertype — dat viel mij ook op — is in Je kunt bellen een stuk beter leesbaar dan in de twee voorafgaande bundels. Een stevige, schreefloze letter die doet denken aan bundels van no-nonsensedichters als Buddingh’ en Vaandrager. Deze nieuwe Doorman kan dat goed hebben volgens mij.

***

Maarten Doorman (1957) is vooral bekend als filosoof die regelmatig deelneemt aan het publieke debat. Hij is sinds 2004 bijzonder hoogleraar Journalistieke kritiek van kunst en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam, een leerstoel bekostigd door Stichting de Volkskrant. Daarnaast doceert Doorman cultuurfilosofie aan de Universiteit Maastricht.

Vóór Je kunt bellen publiceerde Doorman met soms grote tussenpozen zes andere dichtbundels: Weg, wegen (1985), Het gelijk van de vismarkt (1988), De daken op (1991), Afstandsbediening van katoen (1995), Kloppend heden (2000) en Blindegangster (2005).