Recensie van rond is moeilijk - Harry van Doveren

Zoekwoorden in waterverf

Harry van Doveren
rond is moeilijk
Uitgever: Opwenteling
2017
ISBN 9789063381639
€ 14,50
64 blz.

reis, maak me een ander

rond is moeilijk waar ik begin
valt verse sneeuw op oude sneeuw
tussen de lijntjes van een lineaal
doodt een idioot de tijd en plukt
de appels van vreemdelingen

Met het titelgedicht uit de bundel rond is moeilijk van Harry van Doveren wordt veel en tegelijkertijd weinig gezegd over de verdere inhoud van deze bundel. Het gedicht is van alle gedichten een van de meest compacte, zowel qua lengte als breedte, maar wat de breed uitwaaierende associaties betreft wel sterk gelijkend op de andere. De spelfout (correct is ‘liniaal’) stoort mij. De taal wil ik volgen en ervaren en bij ‘valt verse sneeuw op oude sneeuw’, ‘lijntjes – tijd’ en ‘doodt een idioot’ lukt mij dat door de aangename klankherhaling en het ritme, maar de reisbeschrijving die me van rond over moeilijk, sneeuw, lijntjes en tijd naar appels van vreemdelingen moet voeren volg ik niet.

Op zich hoeft dat geen probleem te zijn. Evenmin als muziek hoeft een gedicht een verhaal te vertellen. Wanneer de suggestie van taal sterker is dan de veronderstelde betekenissen, kan de lezer een gedicht door zijn ervaring het zijne maken. In de meeste gedichten heeft Van Doveren echter erg veel ruimte nodig om zijn taal over uit te smeren, waardoor ze flets worden.
De dichter mijmert en mompelt, alsof hij schroom voelt om zijn taal eens krachtig in de mond te roeren.

Mogelijk hinkt de dichter op twee gedachten. Zowel de tekeningen van Asaka Imamura als de bijna tot waterverf verdunde taal doen mij sterk denken aan de Japanse traditionele poëzie, haiku, senryu en tanka, die met de taal van Van Doveren gemeen hebben dat ze hun beelden in zachte, liefst bijna onzichtbare tinten schilderen. Waar de Japanse traditie zich met opzet in de omvang zeer streng begrenst, kiest Van Doveren ervoor om zijn gedichten zich te laten uitstrekken over twee, soms drie pagina’s. De associaties die hem van begin tot eind voeren, lijken vrijwel ongebreideld. Ik vrees dat dat niet werkt. Een gedicht dat lijkt te gaan over bijna alles, gaat uiteindelijk over bijna niets en daardoor blijft het je ook niet bij.
Af en toe moest ik ook denken aan de vroegere teksten van Spinvis, waarbij de muziek en de stem nodig zijn om de taal een blijvende indruk te laten maken op de toehoorder. Een lezer komt dan tekort.

Veel van de gedichten in deze bundel lijken te zijn geschreven vanuit het perspectief van een kind: het gaat over moeder (p. 8) ‘moeder voedt mij / moeder wast mij’, over vader (p. 8) ‘vader bouwt twijfelaars / ik ken hem van mijn naam’, over ‘ik, keizer’ en zijn drie vrienden en ‘zij van vier’, over een clown, een paard en een circus. De dichter kiest er daarbij voor om de beleving van het kind te vermengen met observaties en overwegingen vanuit de volwassenheid, wat een risico met zich meebrengt: de lezer ervaart niet het kind, maar de volwassene die zich als kind voordoet. Daarmee dreigt de poëzie als een pose te worden ervaren.

De meeste gedichten in deze bundel houden mij niet vast. Meestal omdat er te weinig verborgen (maar met de belofte vindbaar te zijn) blijft om naar terug te keren. Een aantal keren omdat een vondst ((p. 8) ‘ze meet met metaal’ of (p. 59) ‘de afgebroken punt / van een komma’ ) te weinig gewicht in de schaal legt om het hele gedicht te dragen.
Er is echter één gedicht dat ik een aantal keren heb herlezen en dat ondanks dat zijn geheim niet prijsgeeft en zijn aantrekkingskracht niet verliest.

uit een jonge wolk

uit een jonge wolk valt een jonge zee
een oude zee komt uit een verdwenen wolk

uit een jonge wind groeien jonge golven
oude golven zijn van een verdwenen wind

de zee en de maan hebben dezelfde moeder
de zee en de maan zijn van tweeën één

van vis en vlees uit één schelp
ze slapen samen

de zee bezweert de maan met jonge opvattingen
jonge opvattingen zijn jonge golven van jonge wind

de maan beweegt de zee met oude opvattingen
oude vissen in oude zeeën

***
Harry van Doveren (Haaren, 1953) schrijft gedichten en essays en is beeldend kunstenaar.
Hij publiceerde in Bzzlletin en in De Groene Amsterdammer over Robert Musil en Paul Valéry. In de jaren tachtig gaf hij het satirisch periodiek De Haan Kraait Kippen uit, en schreef hij voor het tijdschrift Over Leven. Met het Zeepblind Collectief publiceerde hij het experimentele boek Nagelvaste Kalktriller (2015). In dat zelfde jaar verscheen ook De Gelezen Stad, een reeks van (mini) essays over de Japanse stad Kyoto in samenwerking met Angeline van Doveren.
Na Rumoer van de nacht (2013) is Rond is moeilijk (2017) zijn tweede bundel.

Recensie van Ik ben een punt - Kreek Daey Ouwens e.a.

Het tikken van de tijd

Kreek Daey Ouwens e.a.
Ik ben een punt
Uitgever: Opwenteling
2016
ISBN 9789063381592
€ 19,50
88 blz.

Meteen bij het eerste doorbladeren van de bundel rijzen er vragen;
van wie is wat, welke zijn de vertaalde gedichten en wie vertaalde ze; onder het een noch onder het ander staat de naam Kreek Daey Ouwens of Harry van Doveren en ook de uitgever verschaft hierover op de voorlaatste bladzijde geen helderheid, integendeel, hij roept nog meer vragen op, o.a. waarom behalve Kreek ook Kees Daey Ouwens Jr. met een gedicht (plus de daarbij behorende illustratie?) in de bundel is opgenomen. Kennelijk vinden dichters en uitgever een en ander niet van belang, een zienswijze die ik zal proberen te respecteren; met het noemen van namen zal ik terughoudend zijn.

Dit project , met steun van het Goethe Instituut en het Vlaams Fonds voor de letteren en de Provincie Oost-Vlaanderen tot stand gekomen, bevredigde ondanks voornoemde verbazing mijn nieuwsgierigheid naar de poëzie van Arp en de reflecties daarop in taal en beeld.

Vanaf de omslag tot aan het eind van de bundel tikt over de onderste regel de klok, d.w.z. het gedicht SECONDEWIJZER van Arp, wat het thema van de bundel, de vergankelijkheid, op originele wijze versterkt: ‘dat ik als ik / een en twee is / dat ik als ik / drie en vier is / dat ik als ik / hoeveel wijst zij / dat ik als ik / tikt en takt zij / dat ik als ik / vijf en zes is / dat ik als ik / zeven en acht is / dat ik als ik / als zij staat zij / dat ik als ik / als zij gaat zij / dat ik als ik / negen en tien is /dat ik als ik / elf en twaalf is.
Men dient dit gedicht eigenlijk niet zozeer te lezen als wel te beluisteren en dat kan op You Tube ( sec wijzer ).

De ritmische reflectie in MAANZAND

[ …]
Het maanlicht
Vertrilt de waterspiegel,
Glittert over kiezel,
Glittert tussen riet,
Slipt en sijpelt
Onder ruisende takjes,
IJlt over weiden
Op een lange zilverteen,
Op tien lange zilvertenen,
En verzilvert zelfs het goud.
Daar schrikt de woekeraar van op,
Die op slag
Uitzinnig lacht tot hij barst.
[ …]

De beeldhouwer, schilder en dichter Hans Arp, ook als Jean Arp bekend, was een van de drijvende krachten achter Dada, een culturele beweging, die hij als volgt karakteriseerde: ’Dada ist für den Ohne-Sinn der Kunst, was nicht Unsinn bedeutet’. In 1915 leerde hij zijn latere echtgenote, de kunstenares Sophie kennen. Zij werkte nauw met hem samen en stierf in 1941 in Zürich aan een koolmonoxidevergiftiging.
Arp schreef hierna zijn Elegien Für Sophie, treurgedichten waar in deze bundel ruim aandacht aan wordt besteed.
Het oorspronkelijke gedicht (in het Duits) staat niet in de bundel, maar het lijkt me onvoorstelbaar dat het zo melodramatisch is als hier de interpretatie of de vertaling ervan.

Sophie
[…]

Alle bloemen bloeien
bloeien voor jou.
Alle harten gloeien,
gloeien voor jou

Nu ben je heengegaan.
Wat zal ik hier nog gaan en staan.
Ik heb maar een verlangen.
Ik wil je weerzien.
[…]
Sinds jij gestorven bent,
dank ik elke voorbijgaande dag.
Elke voorbijgaande dag
Brengt mij dichter bij jou.
[…]

Het volgende gedicht over Sophie is nog slapper; ik zal het u besparen.

Maar enkele pagina’s verder de volgende ontroerende regels over, naar ik aanneem, dezelfde Sophie:

Op witte dagen slijp je gips.
                Iets als sneeuw valt op haar hand.

Op natte dagen lijm je papier.
                Je tong likt haar adem weg.

Op droge dagen preeg je letters.
                Je typemachine waarschuwt voor namaak:
                Wij kunnen haar niet zien.

Elke winter mis je haar ansichtkaart
elke zomer meer dan sneeuw.

Waar de dichters zich laten leiden door het dromerige van Arp en zijn absurdistische belevingswereld is deze bundel levendig en boeiend, waar zij zich houden aan gevestigd realistisch taalgebruik spanningsloos vlak; gelukkig overheerst de eerstgenoemde insteek.

Nog een paar surreële strofen:

[…]
Het schiet mij te binnen dat mijn grootmoeder de losse haren uit haar kam opspaarde in een glazen bakje.

Op een dag droeg ze een zacht nest op haar hoofd.

Stiller dan dat een punt.
[…]

Ik herinner mij dat mijn grootmoeder op een
meisje leek wanneer ze liedjes zong bij het
schillen van de lucht
[…]

Last but not least: de (krijt)tekeningen en collagetechnieken van Ineke van Doorn, die voor ‘het beeld’ in de bundel zorg droeg zijn spannend en suggestief, en passen uitstekend bij de poëzie, al overwoekeren zij de in (te) klein formaat uitgegeven bundel enigszins.