Recensie van Grafleggingen - Peter Drehmanns

Een opleving van poëzie

Peter Drehmanns
Grafleggingen
Uitgever: Marmer
2015
ISBN 9789460682681
€ 15,00
88 blz.

Sommige dichters maken het een lezer gemakkelijk. Peter Drehmanns, bijvoorbeeld, gebruikt in zijn bundel Grafleggingen de verschillende stadia van Christus’ teraardebestelling als uitgangspunt voor zijn gedichten. Niet al te letterlijk, maar als richtingborden. Geen geneuzel en gepuzzel hier, maar een glasheldere constructie: zes stadia en evenzoveel hoofdstukken.
Boeiend. Maar niet zo informatief wat de kwaliteit van deze teksten betreft. Een gedicht heeft de neiging zich binnen zijn eigen grenzen terug te trekken, zelfs al staat het in een reeks. En zelfs al heeft het banden met een ander gedicht dat een (bijna) gelijke titel draagt, zoals het volgende:

MOMENT SUPRÊME 1

Heden: de schaduwen opgedoekt, de brandhaarden
verstevigen hun greep, de gevoelige plaat is actief
de draaideuren verdwalen tussen de middag, het ministerie
van Noodsituaties vermoedt duurzame ontwrichting.

Het doorzettingsvermogen van de circulatiecellen wekt
intussen ontzag, het ruimtepuin wordt gerepatrieerd
het zwavelzuur daalt
op de rondrijdende auto’s en in de fabrieken
verdwijnen handen, raken gezichten

verbrand. In de mengtorens zoekt men longen
tussen de vulringen, witheet is de schepping.

Ik controleer mijn uitschotwond, maak vervolgens
mijn sperma verzendklaar.

Een goed voorbeeld van de stijl van Drehmanns. Beelden wisselen elkaar af, op het eerste gezicht enigszins onbegrijpelijk en onsamenhangend. ‘De schaduwen opgedoekt’ suggereert dat het middag is: de tijd dat de zon op zijn hoogtepunt staat. Het is dan ook op zijn warmst. Maar de seksuele connotatie van de titel wordt pas aan het eind van het gedicht bevestigd. Hoewel mensen natuurlijk ook ‘brandhaarden’ kunnen zijn, die hun greep tijdens ‘de daad’ kunnen verstevigen.
Intrigerend is de zinsnede ‘witheet is de schepping’. Inderdaad: in het begin moet de hitte van het heelal gigantisch geweest zijn. En ook tijdens een geslachtsgemeenschap kan de temperatuur aardig oplopen. In de context van het Bijbelse verhaal van het sterven van Jezus kan deze zinsnede echter een heel andere betekenis krijgen: een woede-uitbarsting van de schepping, een grote verontwaardiging omdat een rechtvaardige iets onrechtvaardigs is overkomen.
Let wel: dit zijn mijn associaties. Het is niet gezegd dat de dichter dat net zo heeft bedoeld. Maar dat is onvermijdelijk. Zodra gedichten zijn uitgegeven beginnen ze een eigen leven. In andere hoofden heerst nu eenmaal een ander klimaat.

 Is dit gedicht nu zelf ook een moment suprême? Ik weet het niet. Het mist iets. Ik vind het een aardige opsomming, een leuke verzameling beelden, die op een wat heterogene manier de aanloop tot een orgasme (of een soort creatiedrift) lijken te beschrijven. Maar daar zit meteen ook de zwakte: een aanloop, meer niet.

Wat verderop in de bundel vinden we het tweede gedicht dat waarschijnlijk niet geheel toevallig (bijna) dezelfde titel draagt:

MOMENT SUPRÊME 2

de zomer ter siësta gelegd
in koele hotelkamers
mijn meisje tot zilvergelatine verstild
tussen zuurvrije tussenbladen

de lenzen terug in het doosje
as dwarrelt achter de oogleden
de nacht ademt auto’s
uit en aan de overkant

is het pretpark uitgespeeld

Koelte tegenover hitte. Inhoudelijk staat dit gedicht diametraal tegenover het vorige. Ging het in het eerste om een lichamelijk hoogtepunt, hier is het hoogtepunt (voor zover het natuurlijk geen dieptepunt is en een en al ellendigheid) een puur geestelijke aangelegenheid. Het meisje is verstild tot een foto, is vergeestelijkt een afbeelding geworden die veilig kan worden opgeborgen ‘tussen zuurvrije tussenbladen’! Met het zwavelzuur uit de tweede strofe van het eerste gedicht onschadelijk gemaakt. Ach: afwezigheid bleek altijd al een grote aanwezige in goede poëzie.

Inderdaad: ik vind dit een beter gedicht dan het eerste. Met recht een moment suprême. De beelden zijn in hun alles overkoepelende berusting niet alleen veel samenhangender, maar ook veel natuurlijker. Het is een geheel dat uitloopt op twee sublieme slotregels.
Twee regels die de clou bevatten: ‘aan de overkant’ is niet alleen de overkant van een straat, het is ook de overkant van het gebeuren, van de zomer, van de pret en daarmee het einde van dat alles. Inhoudelijk niet bepaald opwekkend, maar de dichter lijkt zich in deze bundel ook niet op een opwekking of opstanding te focussen (de bundel eindigt ermee dat de graflegging voltooid is en de personen die daarbij een rol hebben gespeeld naar huis toe gaan). Of toch? Het kan in dit gedicht natuurlijk ook draaien om een ander soort van opstanding, één waarin gewoon goede poëzie tot leven komt… Welke dichter zou daar niet voor gaan?

***

Peter Drehmanns is schrijver en dichter. Hij publiceerde romans, een verhalenbundel en drie dichtbundels: Hedendaags reisadvies (2011), Onder nog onopgehelderde omstandigheden (2012) en Graafschade ( 2014). Hij werkte als literair criticus, eerst voor Vrij Nederland, later voor NRC Handelsblad.