Poëzie Kort, april 2016

Turing Foundation, Een toon die in de stilte zoemt. De 100 beste gedichten van de Turing gedichten wedstrijd 2015 –

door Lennert Ras

Een toon die in de stilte zoemt heeft een rijk palet. Omdat het een bloemlezing is, komen heel veel verschillende onderwerpen aan bod. Zo komt het vreemdelingenvraagstuk voorbij, en is er een soort apostolisch gedicht over een gorilla, de dood komt voorbij, soms iets over psychiatrie. Er is zelfs een enkel prozagedicht opgenomen, zoals van David Nolens en ook het gedicht van Milou Voskuilen doet prozaïsch aan. Een enkel gedicht is in de vorm van een dialoog opgeschreven. In hoeverre kun je dan nog spreken van een gedicht? Het zijn vooral veel vrije verzen. Er wordt wel eens van Turing gezegd, dat ze niet van vaste vormen houdt. Dat dat niet vernieuwend genoeg is. Het niveau is best hoog. Alhoewel je af en toe ook een wollige bombastische zin tegenkomt, waarvan je je afvraagt, wat die nu weer doet in een verzameling van 100 beste gedichten. Het zijn gedichten met een geheim, of een aparte draai op het eind, gedichten met een dissonant erin. Zoals in het winnende gedicht dat eindigt met de prachtige uitsmijter dat lopen in het Russisch twee werkwoordsvormen heeft, afhankelijk of men een bestemming heeft of niet. Of het gedicht ‘Appeltaart op zee’, dat inderdaad over appeltaart gaat, maar ook eindigt in een heel andere richting. Hemingway komt voorbij met zijn kortste verhaal: ‘for sale: baby shoes never worn’, dat gelogen zou zijn en eindigt met een mooie uitspraak dat de kunst van het liegen bestaat in het ontwijken van details. Al met al een lezenswaardige bundel. Volgens mij heeft de jury haar werk goed gedaan.

***

Een toon die in de stilte zoemt. De 100 beste gedichten van de Turing gedichten wedstrijd 2015. Samenstelling Turing Foundation (2016). Van Gennep, 128 blz. € 14,95

Charles Ducal en Roel Richelieu van Londersele, Het gezeefde gedicht

door Hans Puper

Het gezeefde gedicht is een bloemlezing uit de gedichten die verschenen op de gelijknamige site: www.hetgezeefdegedicht.be. In de inleiding van de bloemlezing zeggen de samenstellers dat deze site ‘een vrij unieke plek [is] in het huidige literaire veld’. Het is hun bedoeling ‘een alternatief te bieden voor enerzijds de geslonken ruimte voor nieuw talent in literaire tijdschriften en anderzijds poëziewebsites die debutanten opnemen zonder kwalitatieve literaire eisen.’ Zij willen ‘beginnende dichters in de zeef leggen en dan schudden.’

Het overgrote deel van de gedichten kun je karakteriseren als ‘rechttoe-rechtaan’, zowel wat de vorm als de inhoud betreft. Een aantal gedichten is daardoor oninteressant. Dat geldt niet voor Gerard Scharn (1946): hij laat voldoende over aan de lezer. Bovendien werkt zijn taalplezier aanstekelijk.

ijstijden

is een vrouw bang als ze met
haar man op reis is en de honden
weigeren de slee te trekken?

Inuit hebben mooie namen
ik denk aan Navarana Mequpaluk
die twee kinderen baarde
Mequsaq Avataq en Pipaluk Jette
voor zij aan de spaanse griep bezweek

nooit proefde zij de smaak
van jonge sla komkommer of radijs

Van de jonge dichters vielen Dorien de Vylder (1988) en Aloys Vonckx (1992) als eerste door mijn zeef. De Vylder heeft weinig woorden nodig om een situatie te schetsen: ‘Lakens had je niet, / wel mooie woorden en een deken / bevlekt met gemorste minnaressen.’

Vonckx is al redelijk bekend. Hij publiceerde in verschillende tijdschriften en won de Poëzieprijs Melopee Laarne 2015 met zijn gedicht ‘Kamer 832’. In 2014 gaf hij een interview aan Meander, waarin hij in soms vermakelijke bewoordingen zijn poëtica en de positie van de dichter uitlegde. https://meandermagazine.net/wp/2014/07/een-dichter-is-een-heilige-parasiet/ , Hij was toen nog ex-student Kunstwetenschappen in Leuven. Inmiddels lijkt hij zich een nieuwe identiteit aangemeten te hebben. In de aantekeningen achterin de bloemlezing valt te lezen dat hij theologie studeerde in Leiden. En dan volgt een humoristische zinnetje: ‘Heeft geen ambitie’. Het komt wel goed met die jongen.
In de twee gedichten die in de bundel zijn opgenomen doet Vonckx zich kennen als een verre nazaat van de illustere Piet Paaltjens, eveneens student theologie te Leiden en voor het laatst gezien aan de voet van ‘den onmetelijken oceaan’ – de Waddenzee. Het gedicht ‘Vuurwerk’:

we hebben ons best gedaan
alles staat zoals het staat op p. 35
de orchidee past perfect in zijn pot
geluk heeft genoeg aan een vorm

parels barsten in de glazen
in onze ogen krijgt leegte een blik
en onder onze drogen tongen
planten kakkerlakken zich voort.

we tellen af, dat is hier mode
we overladen elkaar met kussen
en als wij onze wensen afsteken
ruikt het heelal naar plastiek

Ik verwacht dat Vonckx niet lang bij Paaltjens zal verwijlen; daar is hij te levendig voor.

Het is jammer dat uitgeverij P nauwelijks informatie over de mooi uitgegeven bundel verstrekt. Achter het ISBN-nummer kom je alleen als je de bundel in handen hebt, de prijs is niet te vinden en bij de bekende webshops vind je hem niet terug.

 ***

Het gezeefde gedicht. Samenstelling Charles Ducal en Richelieu van Londersele (2016). Uitgeverij P, 149 blz.

Kees Godefrooij, Afscheid. 99 gedichten over afscheid nemen voor bijna niets

door Hans Puper

Afscheid is de negende bloemlezing in de serie ‘dichters voor bijna niets’. Hij is laagdrempelig: veel dichters die nog niet eerder hadden gepubliceerd – niet bij een uitgeverij, tenminste – krijgen hier een kans.

Schrijven over afscheid blijkt voor velen een valkuil. Het is een zwaarbeladen onderwerp dat kan leiden tot particuliere gevoelsexpressies in heftige bewoordingen – dat is geen spotternij van mijn kant, het is volkomen begrijpelijk. Alleen: het komt niet over, vooral als er ook metaforen in een gedicht voorkomen die mank gaan, grammaticale afwijkingen niet functioneel zijn, er sprake is van dik aangezet rijm et cetera.
Hoe breng je gevoelens over? Hier speelt bekende paradox van de pianist die zijn publiek tot tranen toe wil ontroeren en zijn stuk heel weloverwogen moet spelen om dat voor elkaar te krijgen. Hij moet alert zijn; als hij ook zelf ontroerd is, lukt dat niet. Datzelfde geldt voor een dichter. De aanleiding kan zwaar zijn, verdrietig, ontroerend, maar hij moet iets vormgeven in taal. Die is weerbarstig en vraagt om een heldere, kritische aandacht; is het niet tijdens het schrijven, dan toch achteraf.
Het is mooi om deze gedichten te vergelijken met die van dichters met meer ervaring, zoals Antoinette Sisto, Alja Spaan, Mattie Goedegebuur en Ton Huizer. De onderwerpen verschillen niet, maar het verschil zit hem in de behandeling daarvan. En dat is grotendeels een kwestie van vorm: die ondersteunt de inhoud en omgekeerd.
Ook een dichter als Hiltsje Jongsma is interessant, omdat je haar Friese gedichten kunt vergelijken met haar eigen vertalingen. Hoe doet zij dat? Welke keuzes heeft zij gemaakt?

Niet alles is even zwaar – of lijkt niet zwaar. ‘Tante T’ van Mattie Goedegebuur is grappig, maar kijk eens naar de tegenstelling tussen de eenzame tante en de druk twitterende ‘ik’:

zeker 1x per jaar
was ik haar lieveling
#koudetanteTruusthee

bezocht ik haar
ze zat met mokkataart
#verwachtingsvolopgedirkt

tante is weduwe
eenzaam kinderloos
#kruiswoordpuzzeldagen

haar slechtziende blik
herkende mijn stem
#gezelschapsblijdschap

ook vroeg ze me
drie keer hetzelfde
#zestigjaargeleden

Wat moet je als lezer nu met ‘haar slechtziende blik / herkende mijn stem’? En waarom staat dit gedicht in een bloemlezing over afscheid? Het is aan u.

 Afscheid. 99 gedichten over afscheid nemen voor bijna niets. Samenstelling Kees Godefrooij (2016). Uitgeverij Spleen, 125 blz. € 8,-. Te bestellen bij boekhandel Perdu Amsterdam.

Anton Ent, Hoe het licht valt

door Lennert Ras

Als je de achterflap van de bundel leest met het stukje over het werk van Ent door Jaap Goedegebuure (en Tom van Deel schreef een kort voorstukje, ook niet de minste), dan heeft de bundel tamelijk veel pretenties. Het werk zou op en neer pendelen tussen hartstochtelijk beleden obsessie en de neiging tot berusting en verstilling. De hartstochtelijk beleden obsessie herken ik niet zo in de bundel. Berusting en verstilling wel.

In het gedicht ‘Vakmanschap’ wordt de taal geschuurd, geschaafd en gezaagd zonder waarom .. en dat vind ik een aantal keer terug in de bundel. De eerste gedichten vind ik te rustig .. Het gedicht ‘Aan het strand’ dat dan volgt is wel sterk. Met een goede uitsmijter: de vuist van oma voor ze verdronk. Ook het einde van het gedicht ‘Rammelende hazen’: ‘angst was het, ook wel liefde genoemd’, is sterk. Maar bij ‘Uitvaagsel’, een einde als ‘op weg naar het licht’ .. vind ik dan weer niet zo sterk. En ook het einde van ‘Uitgang’ is hol.

Bij het gedicht ‘Eenkennig’ is het dan wel weer grappig, dat het laatste woord er niet uit komt door haar gehijg. Maar een vreemde draai als in ‘Gekweld’: ‘Ze was verbijsterd toen ze Spinoza las,’ of ‘en rits mijn windjack open’ in ‘Wandeling in het bos’. Ik kan er niks mee en vind die gedichten een beetje wegkwijnen.

Goedegebuure noemt Ents poezie ook Achterbergiaans. Inderdaad is in het gedicht ‘Zeven brieven aan dove M’ wel iets Achterbergiaans te herkennen en ook de laatste zin in ‘Verlangend’ (‘kan hij mijn hoofd afhakken?’) kun je misschien zo betitelen. Goedegebuure verwijst ook naar Luceberts ‘Ik draai een kleine revolutie af.’ Misschien is in de zin ‘marineblauwe mannen zien’ in het gedicht ‘Villa Bethel’ iets te herkennen van dit fameuze Lucebert gedicht, maar goed.

De oorlogsgedichten ‘Baby Bibi’ en Anekdote zijn weer wel heel sterk. De poëtica van Ent is volgens Van Deel het onzichtbare zichtbaar maken. Dit herken ik niet zo. In het gedicht ‘HR’ opent de vrouw haar benen wijd en weigert de ik te komen .. is dat nu zo het onzichtbare zichtbaar maken? Het zou kunnen natuurlijk ..

Al met al vergelijk ik de bundel met een flakkerend vlammetje. Soms licht het erg sterk op, dan weer is het zo goed als uitgedoofd.

***

Anton Ent (2016). Hoe het licht valt. Uitgeverij Kleine Uil, 64 blz. € 15,-

Recensie van Bewoond door iets groters - Charles Ducal

Het authentieke spreken van een maatschappelijk betrokken dichter

Charles Ducal
Bewoond door iets groters
Uitgever: Atlas Contact / Poëziecentrum
2015
ISBN 9789025446482
€ 24,99
126 blz.

In 2014 werd Charles Ducal de eerste Belgische Dichter des Vaderlands sinds de Franstalige Vlaming Emile Verhaeren (1855-1916). In een land waar met heel veel overdrijving surrealistische waarheden worden verkondigd en messenslijperij nooit veraf is, is het eens wat anders dan bekladde naamborden waarop de naam van een stad of dorp in meer dan één landstaal is vermeld. In dit land met drie landstalen was de aanstelling van Charles Ducal een merkwaardig moment van verlichting. Op 29 januari 2014 aanvaardde de dichter de opdracht, en hij relativeerde meteen zelf te grote verwachtingen: ‘Ontzettend veel mensen schrijven poëzie, ontzettend weinig mensen lezen ze.’ (p. 9) De secretaris van een willekeurig literair tijdschrift zal die stelling zonder aarzelen bevestigen. Ducal vroeg zich af of poëzie niet op sterven na dood is. De paradox dat er veel gedichten worden geschreven die niet worden gelezen, zou er volgens de dichter kunnen op wijzen dat ‘poëzie verre van dood of uit de tijd is.’ (p. 10)

De gedichten die tegelijkertijd in de kranten De Morgen, L’Avenir en Grenz-Echo zijn verschenen, de lezing van 29 januari 2014 en een terugblik werden gebundeld onder de titel Bewoond door iets groters, gevolgd door de titel in het Frans en het Duits. Samen met de bundel krijgt de geïnteresseerde lezer een cd (gedichten op muziek en een aantal in de drie talen voorgelezen gedichten) en een dvd (een film over Charles Ducal). De dichter benadrukte zelf dat hij ‘in een klimaat waarin bekrompen nationalisme het ene landsdeel tegen het andere uitspeelt’ zijn ‘functie in het teken [wil] stellen van de solidariteit’ tussen alle inwoners van België. (p. 10)

Het loont de moeite om de inleiding en de terugblik te lezen vóór de gedichten. Het audiovisueel materiaal bewaart men best tot na de lezing. Samen met de gedichten tonen de cd en de dvd de zinloosheid aan van een doorgedreven staatshervorming die de kunstmatige sociaal-culturele tegenstellingen bevestigt en bestendigt.

Maar laat ons samen de gedichten onder de loep nemen.

Het eerste gedicht, ‘Woord tegen woord’, volgt onmiddellijk na de inleidende beschouwing, en het vat goed de marginale positie samen die gedichten in onze hypercommunicatieve samenleving innemen. Het sprekende spreken van dichters is, in vergelijking met het herhalende spreken van opiniemakers, heel kwetsbaar: ‘Van alle woorden zijn de onze de zwakste,’ schrijft Charles Ducal, en: ‘Niemand verhoort ze, niemand verkracht ze.’ (p. 11) Het stille, bijna onopgemerkte spreken, staat tegenover de schreeuwerige woorden in kranten en weekbladen: ‘Andere woorden bewegen armen en benen, / vullen schedels, ontsteken de keel.’ Dichters spreken tot individuele lezers die ze uit hun stilzwijgen willen wekken door gebruik te maken van esthetische technieken.

In het eerste kwatrijn, waarvan ik alleen de eerste twee versregels heb geciteerd, vallen het eindrijm en de assonantie op. Dat zijn middelen die aan het sprekende spreken een andere dimensie geven en die de lezer uit zijn vastgeroest leespatroon verdrijven. Een gedicht moet gelezen en innerlijk beluisterd worden, het moet de oordeelskracht vergroten en het zelfstandige spreken ondersteunen. Het verschilt fundamenteel van de onophoudelijke woordenstroom die ons denken verdooft. Ook de massamedia zijn drugs, maar wie maalt daar om? ‘Het andere woord rijmt niet, het bewijst zonder meer / dat de werkelijkheid strookt met uw krant. / Het drukt op uw ogen, de startknop van uw tv, / en licht op. Het maakt ons duister en bang.’ (p. 11) Ook legale drugs maken uiteindelijk bang. Poëzie mag dan al een marginaal verschijnsel zijn, wie niet bang is om te lezen – en dat is niet gelijk aan woorden zwelgen – kan in gesprek treden met een dichter(es) en zo inzicht verwerven en nieuwe wegen ontdekken.

De verkrachting van het denken en het authentieke spreken, de hamerslag van de journalist… het komt allemaal aan de oppervlakte in het gedicht ‘Soldaat 1914’: ‘De hamer van de taal heeft zijn schedel gekraakt / en alle kamers ingenomen. Het is nog zijn hoofd, / maar [het] wordt nu bewoond door iets groters.’ (p. 24)

De titel van de bundel werd ontleend aan de derde versregel van het eerste terzet. Het grotere is nog te vaak een leugen, en niet eens om bestwil. Ik denk aan wat Louis Paul Boon ooit heeft geschreven. Zijn vaderland was zijn huis, samen met zijn vrouw en zijn kind, en wat steenkool om de kachel te vullen. Als er dan toch een vaderland moet zijn, is het dan niet beter voor dat vaderland te leven dan ervoor te sterven?

Charles Ducal heeft niet alleen in de taal geïnvesteerd, hij heeft ook zijn maatschappelijk huiswerk gemaakt. Ik citeer de eerste twee kwatrijnen van ‘Lied van de arbeid’. Het taalgebruik doet me denken aan Bijbelteksten en de vroege gedichten van Ben Cami (1920-2004), maar Ducal staat dichter bij de bevrijdingstheologie dan bij oude Bijbelteksten:

Nooit droeg de boom zo veel vruchten,
maar de tijden zijn hard, zegt de heer.
Hij neemt twee ladders weg, de plukkers
die blijven plukken meer.

Nooit vulden zich rijker zolders en kelders,
maar het deel van de plukkers neemt af.
Al plukken zij langer en sneller,
voor de heer is hun arbeid een last. (p. 18)

Ook hier valt weer de assonantie op. Voorts is er de bijzonder geslaagde vertaling van sociaaleconomische problemen in beelden die iedereen herkent. De plukkers zijn uiteraard een pars pro toto waarmee de dichter de arbeider van de eenentwintigste eeuw aanduidt. In die zin sluit het taalgebruik wel aan bij o.a. de Bijbelse wijngaard. En wat vooral voor de plukkers nog erger is dan het wegnemen van ladders, is de kapitaalsvlucht. Wanneer het plukken goedkoper is in verre, nieuwe boomgaarden, dan gaat de heer daar op zoek naar winst, en ‘zonder boom is een plukker een hand / in het ijle die niet meer beweegt.’ En toppunt van cynisme: wanneer in die hand in het ijle ‘dagelijks een aalmoes valt’ – lees werkloosheidsvergoeding – dan stoort ook dat de heer die zijn winst heeft opgedreven, want ‘een aalmoes maakt lui’. Het gedicht wordt afgerond met een sociaalfilosofische overweging: ‘Zo de arbeidsmarkt verdween / was er werk voor iedereen.’ Dat op de economische en maatschappelijke inzichten van Marx gebaseerde besluit slaat nagels met koppen. Arbeid is uit zijn menselijke context gerukt en koopwaar op een markt waar handen en heren met ongelijke middelen tegenover elkaar staan.

Ook in het gedicht ‘Koopkracht’ (p. 33), geschreven naar aanleiding van de ‘Werelddag tegen armoede’ (17 oktober 2014), wordt aan een Bijbels verhaal ( Exodus 32:1-35) gerefereerd. In het gedicht van Ducal is het God die ‘vloeibaar goud’ wordt, en ‘wie het kan wordt vloeibaar als God zelf / … / Wie het niet kan wordt onbestaand’. Ook ‘As in de mond’ herinnert aan Bijbelverhalen: ‘Ja, jij, Israël, // bent nu eenmaal beter. Het staat geschreven in Het Boek’. (p. 27) Ducal is geen negationist, maar een kritische observator die beide ogen gebruikt. Hij laat niet toe dat geleden onrecht vandaag nieuw onrecht aan de vragende blik wil onttrekken. Wat in bezette gebieden gebeurt, is qua gruwel en omvang niet te vergelijken met wat de namen Treblinka en Dachau oproepen, maar: ‘wie onder je bossen, je wegen, je steden / het oude dorp nog hoort schreeuwen, / krijgt as in de mond.’ (p. 27) Mag onrecht met onrecht worden vergolden? Is vergelding überhaupt aanvaardbaar?

Ook in gedichten als ‘Bevrijding 1945’ (p. 42), ‘Vluchtelingen’ (p. 45-46), ‘Oude vrouw’ (p. 54), ‘Rekruten 1914’ (p. 62) en ‘Papavers’ (p.70) ontmoet men een maatschappelijk betrokken dichter. Naast de betrokkenheid valt steeds weer de grote taalbeheersing van de dichter op, zoals blijkt uit het eerste kwatrijn van ‘Papavers’: ‘De generaal ploegt het land om / met granaten en zaait dan zijn soldaten uit, / die in de lente zullen bloeien als papavers / als de koningin verschijnt op het balkon.’ De bittere uitkomst, de gebaren van de koningin en de ontroering van de generaal – na de oorlog –, zijn niet eens een doekje voor het bloeden.

Bewoond door iets groters doet me, wat de betrokkenheid betreft, aan Lente in Vorst (1976) van Stefaan van den Bremt en aan gedichten van Ludo Abicht (in de jaren ’60-70’) denken, maar de bundel van Charles Ducal getuigt zelf van iets groters: de wil om te spreken over wat ondergesproken wordt of onbespreekbaar is. Zijn taalgevoel en zijn verwoording voorkomen dat zijn spreken in slagzinnen ontaardt.

Literatuursociologisch behoort de bundel tot de categorie ‘werken geschreven in opdracht’, maar bij het lezen van de gedichten valt dat niet op. De gedichten zijn inderdaad bewoond door iets groters, ze zijn het werk van een geboren waarnemer die bovendien zijn waarnemingen op een toegankelijke wijze kan verwoorden.

***

Charles Ducal (1952) is het pseudoniem van Frans Dumortier. Hij studeerde Germaanse filologie en was tijdens zijn studietijd betrokken bij de Marxistisch-Leninistische Beweging. Hij was gedurende 37 jaar leraar Nederlands in het Sint-Albertuscollege (Heverlee) en debuteerde in 1987 met de bundel Het huwelijk. Zoals in Bewoond door iets groters bevat ook de debuutbundel referenties aan Bijbelse teksten. Ducal werd meermaals onderscheiden, o.a. met de Prijs van de Vlaamse Provincies, de Guido Gezelleprijs, de Herman de Conickprijs en de Karel van de Woestijneprijs.

 

Recensie van De buitendeur - Charles Ducal

Ook ik was er zo een

Charles Ducal
De buitendeur
Uitgever: Atlas Contact / Houtekiet
2014
ISBN 19789025442910
€ 21,95
96 blz.

Charles Ducal (in 1952 als F.P.J. Dumortier geboren in Huldenberg bij Leuven) debuteerde in 1987 bij De Arbeiderspers met de bundel Het huwelijk en schreef daarna nog vijf bundels waarvan Toegedekt met een liedje in 2009 de laatste was. In 2012 werden ze bijeengebracht in Alsof ik er haast ben. Verzamelde gedichten 1987-2012
Snel na het uitkomen van de VG, maar toch alweer vijf jaar na de laatste bundel, verscheen onlangs de forse nieuwe bundel De buitendeur. In de tussentijd schreef hij in 2010 nog het Gedichtendag-essay Alle poëzie dateert van vandaag en werd hij dit jaar de Belgische Dichter des Vaderlands.  

De buitendeur telt 63 gedichten die zijn ondergebracht in acht afdelingen met een verschillende thematische invalshoek. De eerste drie handelen over het gezin waaruit de dichtende ik afkomstig is, het boerenmilieu, zijn kindertijd, de verhouding tot de ouders tot en met hun dood. Dan volgen twee afdelingen waarin de dichter reflecteert op het huidige eigen bestaan, met name op zijn dichterschap, en de laatste drie afdelingen tonen zijn maatschappelijk betrokken, geëngageerde kant.
Voor al die afdelingen geldt dat Ducal vrij en open wil zijn, niets verborgen wil houden; hij wil opening van zaken geven, tot het meest persoonlijke aan toe, en dan mogen er geen deuren gesloten blijven, want ‘een deur is maar een deur/ voor wie ze openen wil. Houdt men ze dicht// stopt op die plaats de wereld.’, zoals hij in het min of meer programmatische titelgedicht schrijft.

Tegenover Frank Pollet (Poëziekrant 38/2, maart 2014) verklaarde Ducal: ‘Wie mij wil leren kennen moet mijn gedichten lezen. Ik heb mijzelf open en bloot onder de pen gelegd, zonder gêne of schaamte. (…) Het persoonlijke dat eraan kleefde is verdwenen op het moment dat het een gedicht geworden is.’
Dat mag voor hemzelf gelden, maar het kan niet anders of de lezer vertaalt die gedichten juist terug naar de persoon van de dichter, waardoor ze, hoe indringend ze soms ook zijn, toch ook iets beperkts krijgen. In ieder geval: ‘Out of the quarrel with ourselves we make poetry‘, had hij W.B. Yeats kunnen nazeggen.

‘Met zeven aan tafel’ is de eerste afdeling, ‘waarbinnen alles gehoorzaamde aan het oog/ dat van vuur was, van koolsteen en sintels/ en ons bijeenhield in vrees en geloof.’ Het een beeld voor de als schrikwekkend ervaren vaderfiguur (‘Vader is groot’), waarvoor de moeder (‘Moeder is klein’) niet onderdoet: ‘Moeder en vader zijn even sterk./ Zij raken elkaar niet aan. Als hij spreekt/ is haar oog net zo hard als zijn stem./ Ik kan mij meten aan haar of aan hem.// De afstand is even hoog.’
Ook broers en zusters vormen een bedreiging, het door Ducal geschetste kind is alleen en volstrekt op zichzelf teruggeworpen:

Geheim

Gauw, heel gauw komt het uur van onthulling,
als wat hij verborgen heeft wordt ontdekt.
Het brandt in zijn vingers, het geheim
dat als een formule aan het kind trekt.

Het is hem te sterk, de vervulling
van een verlangen dat in het donker ontstaat
als koorts in zijn lichaam, dat week wordt,
vijandig, waarin hij vergaat,

zo hemels, zo honds. En altijd in angst
te worden betrapt door een broer, een zus
op de loer, wachtend op een kans
om hem van zijn ik te beroven

dat beter is dan het hunne,
omdat het op school, in de kerk
zo verschijnt. Om hem in de ogen van allen
aan te wijzen: schuldig, zwak en onrein.

In de tweede afdeling, ‘Te laag voor het licht’, typeert Ducal wat algemener hoe ‘het kind’, zoals het weer afstandelijk genoemd wordt, het dus weinig idyllische landleven ervaren heeft. Het was, zeker in terugblik, bijna een vergiftigd bestaan vol doem en dreiging, en hij tekent het met een haast negentiende-eeuwse naturalistische pen. ‘De deuren staan van vocht gespannen./ Op zolder is een touw gehangen.’ schildert meteen in het eerste gedicht de liefdeloze sfeer: ‘Het brood wordt met koude hand aangesneden./ In iedere borstholte ligt het gewicht// van het niet gedeelde, versteende woord.’
Het gedicht ‘Ongewenst’ beneemt je vervolgens even de adem. Het beschrijft beklemmend de geboorte en hoe vervolgens moeder en kind elkaar naar het leven stonden: ‘Iedere nacht staat het op/ en neemt uit zijn hoofd het geweer.// De haan spant zich op.’ Het is een spanning die vraagt om ontlading, maar de laatste regel luidt: ‘Waarna uit het kind zich een ander ontpopt.’ Het kind weet zich te bevrijden, transformeert in degene die hij geworden is. Het slotgedicht van de afdeling sluit hierop aan. Waar heemkunde meestal leidt tot een soort vriendelijke nostalgie, beschrijft het gedicht met die titel alleen maar de drang om te vertrekken, ‘weg van de bodem, weg van het bloed.’

De derde afdeling, ‘Geen moeder, geen vader’ begint met twee gedichten over de dood van de moeder. Uit ‘Uitgeworpen’ blijkt dat de relatie met de kinderen kennelijk toch anders lag dan eerdere gedichten suggereerden. ‘Iedere ochtend wierp zij ons uit,/ een korf die haar prijsduiven loste.’ En een paar regels verder: ‘Verheven boven de talloos miljoenen/ in kunst, ambacht of wetenschap,/ reden wij uit als haar kampioenen//’. Ze zal veeleisend zijn geweest deze moeder, niet warm en liefdevol, maar toch zeker wel trots op haar kinderen die ze lang weigerde los te laten, pas ‘net voor zij wegging’, vlak voor ‘op een dag haar lijk de wereld in gleed.’
In de zes andere gedichten staan de aftakeling en dood van de vader centraal. Ze vormen het hoogtepunt van de bundel, te beginnen met de korte cyclus ‘Alzheimer’. Zelden werd ontluistering adequater verwoord, en dat zet zich voort in de wijze waarop het sterven van de verwekker beschreven wordt. De kinderen zijn er, doen met wassen en zorgen hun plicht tot het laatst:

wij

Dit lichaam dat van hem overblijft
is wat ons rest om van te houden.
Zeven vliegen om een doodwillig lijf.

Soms slaat hij ze weg, uit hoogmoed en woede.
Wij keren terug. Hij is ons eindelijk zo nabij
dat aan zijn onmacht wij ons collectief kunnen voeden.

Als hij dood is zullen wij rouwen,
zodat iedereen ziet
hoeveel wij van hem hebben gehouden.

Ik alleen niet.

Het zijn direct aansprekende gedichten, vol ingehouden emotie, waarvan de kracht de confronterende directheid is. Aardse poëzie, basaal, in een heel directe verbeelding. Wie iets anders – niet noodzakelijk ‘meer’- van poëzie verwacht, zou met Benno Barnard kunnen spreken (Poëziekrant 38/2, maart 2014) van ‘het soort poëzie waar ook ongeschoolde lezers plezier aan kunnen beleven’. Het zal denigrerend bedoeld zijn, maar Ducal mag het wat mij betreft opvatten als een compliment.
Met een selectie uit de volgende afdelingen erbij, zou dit een ijzersterke bundel geweest zijn, op het niveau van zijn eerdere werk. Maar er volgen nog vijf complete afdelingen en het is naar mijn smaak niet zo dat die de bundel alleen maar sterker maken.

De vierde afdeling (‘Een rusteloze naald’) opent met het gedicht ‘Nieuwe meesters’: ‘Nieuwe meesters zijn mij in de vingers gekropen./ Hun regels tikken verwijt in mijn hoofd.’ Je zou er de critici met hun massieve gelijk in kunnen lezen, maar Ducal bedoelt hier eerder dat hij zich in een nieuwe maatschappelijke orde dient te voegen, o.a. verantwoordelijk te houden voor de afbraak van boerderij en dorp. Hij heeft echter een refugium, ‘het zingende/ braambos’ waar niemand doorkomt, de wijkplaats die poëzie is. In de gedichten die volgen gaat hij op wat die poëzie voor hem inhoudt, nogal nadrukkelijk in. Na twee gedichten ‘In de klas’, de laatste met het mooie beeld van ‘een meisje van zestien,/ onzuivere lyriek, een lustobject.’, volgt het sterke ‘Hadewijch’, met een mooie evocatie van de overgave, het orgastische ‘orewoet’.

Via ‘De buitendeur’, dat als ‘neutrale’ afdeling voornamelijk reflectie op het eigen bestaan biedt – als leraar, als dichter, gewoon als levend mens op zoek naar zingeving – komen we bij de afdelingen waarin Ducal duidelijk blijk geeft van zijn politiek-maatschappelijk opvattingen. Ik zou niet durven beweren dat een sterk sociaal engagement het schrijven van goede poëzie altijd in de weg staat, maar als poëzie middel wordt in plaats van doel, loert er wel het gevaar eerder pamfletten te schrijven dan gedichten. Ducal balanceert soms op de grens, zoals in ‘Het gedicht is een burger’ uit ‘Onbruikbare levens’, waarin hij verklaart van het woord ‘klassenstrijd’ te houden, of ‘Exemplaar’, dat over iemand uit ‘de onderlaag’ gaat.
Wat Ducal behoedt voor al te grote uitglijders, is zijn zelfkennis. In ‘Hagenprediker’ schrijft hij:

Ook ik was er zo een, zo’n prediker,

die met megafoon zijn groot geloof
op je geweten schoot, zo’n schedelbreker
met een ingebeelde hamer, die zich
uit brokken Marx een aftreksel
van spuug en hoogmoed had gekookt.

Dat hij zijn oude linkse idealen (Ducal had in zijn jonge en misschien ook minder jonge jaren maoïstische sympathieën) niet helemáál verloochent, blijkt uit het slot: ‘Er staat een slogan op de buitenmuur/ die nooit meer kan gewist,/ alleen verraden.’

De zevende afdeling is min of meer een politiek manifest over de Palestijnse kwestie. Centraal staat ‘al-Nakba’, de catastrofe van de Palestijnse exodus van 1948, waardoor Najd de Israëlische plaats Sderot werd, waar de dichter rondloopt en vaststelt dat de poëzie geen schuld heeft aan woorden ‘die worden gespannen als prikkeldraad.’
Hoewel ‘Een bril’ een halfslachtige poging doet te zeggen dat de waarheid ‘ook hier in het midden’ ligt, is Ducals sympathie volstrekt duidelijk. In ‘Laat ons praten’ haalt hij keihard uit naar Israël. ‘Na Auschwitz’ heet de afdeling en in de twee gedichten met die titel durft hij de stelling aan dat door de wijze waarop de kolonisten zich als bezetters tegenover de Palestijnen gedragen, zij de ware ontkenners zijn van de Holocaust.

De slotafdeling, de cyclus ‘Een schitterend land’, werd geschreven naar aanleiding van vijftig jaar Congolose onafhankelijkheid. Er is weinig feestvreugde te ontdekken in een land waar het recht van de sterkste automatisch over lijken gaat, maar ‘Schuldvraag’ stelt:

men kan de bijl niet verwijten dat ze de schedel
de han niet dat ze de bijl
men verwijt de oorlog niet dat er geen vrede

[…]

men neemt de scherven het snijden niet kwalijk
de vaas gooit zichzelf niet kapot

Charles Ducal schreef met De buitendeur een rijke, weerbare bundel. Misschien iets te overladen, misschien ook iets te heterogeen, maar geschreven met de volle inzet van zijn persoonlijkheid.

Recensie van Alsof ik er haast ben. Verzamelde gedichten 1987-2012 - Charles Ducal

doe het maar…

Charles Ducal
Alsof ik er haast ben. Verzamelde gedichten 1987-2012
Uitgever: Atlas
2012
ISBN 9789045020792
€ 39,95
416 blz.

2012 lijkt het jaar van de Vlaamse dichters te worden. Eerst kreeg Leonard Nolens ter gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag en veertigjarige schrijverschap van Querido een prachtige bundeling van zijn poëzie in Manieren van leven. Gedichten 1975-2011 en daarna bleef uitgeverij Atlas voor Charles Ducal niet achter. Begin april werd hij zestig, vijfentwintig jaar geleden publiceerde hij zijn eerste bundel en dat was reden genoeg om deze andere zuidelijke grootheid eveneens een verzamelde gedichtenuitgave te gunnen.

Alsof ik er haast ben bevat de zes bundels die Ducal sinds 1987 schreef, 273 gedichten in totaal. Met een gemiddelde van minder dan één gedicht per maand betoont hij zich dus geen veelschrijver. De urgentie die al sinds zijn debuut Het huwelijk uit zijn pregnante poëzie spreekt, verzet zich daar ook tegen. Ieder gedicht heeft bij hem het karakter van een overwinning op de werkelijkheid en die zeges rijg je niet moeiteloos aaneen.

Ducals favoriete versvorm is die van drie keer vier regels, in117 gedichten past hij die toe. Negentig gedichten eindigen met een losse slotregel, 23 beginnen ermee; het kan wijzen op een sterke behoefte te isoleren, af te zonderen, te benadrukken. Dat het overheersende metrum de dactylus is, een versvoet die van nature een stellend karakter heeft, zal hiermee samenhangen..
In de latere bundels neemt het aantal versvormen sterk toe. In inkt gewassen bijvoorbeeld telt vijftig gedichten en 38 keer hebben die een andere vorm; Ducal varieert lengte en strofebouw dan naar believen en maakt daarbij de vorm ondergeschikt aan de inhoud.
Veel gedichten kennen geheel of gedeeltelijk eindrijm, maar dwangmatig is het gebruik ervan niet en volrijm wordt moeiteloos door halfrijm vervangen.

Het huwelijk was indertijd een overrompelende bundel. En nog. Niet voor niets draagt hij de titel van Elsschots bekendste gedicht, want niet alleen is het huwelijksleven als zodanig een belangrijk thema in de bundel, ook de toonzetting is vaak Elsschottiaans, zowel vanwege die zo kenmerkende mengeling van ironie, cynisme, bekommernis en humor, als door de naturalistische inbedding en de duidelijke drang tot verisme. Ieder gedicht is op zoek naar een waarheid over de condition humaine die met volle overtuiging persoonlijk én algemeen geldig wordt gemaakt.
Dit gedicht zet de toon, ook voor wat betreft de vaak in bijbelse (maar nadrukkelijk niet-gelovige) context waarin Ducal veel gedichten plaatst:

Eden

De haag in bloei houdt om de tuin de wacht.
Ik loop de wildernis in met hark en schoffel.
Zij hangt het wasgoed op. Haar naakte oksels,
holten van herinnering aan de nacht,

de vruchteloze zondeval, de beet die altijd mag.
Zij droogt mijn ondergoed, ik voel geen schaamte.
Wij leven in een staat die God beamen moet,
verdrijving kan alleen door tegenslag.

Want goed en kwaad zijn tot elkander teruggebracht.
De zonde wordt als witgoed uitgehangen.
De draden buigen als vermoeide slangen
door. Zij zingt. Ik werk mijn bedje af.

Wat naast de realistische setting opvalt, is hoe het ikpersonage iemand is die op afstand staat, toeschouwer is, zich gescheiden weet van zijn omgeving, van de ander en van zichzelf, en vanuit die positie met grote betrokkenheid heel precies, analytisch waarneemt. Hij ziet de betekenisvolle details, overziet daarbij ook het geheel en komt daarbij tot essentiële inzichten, die hij indringend en met haast spreekwoordelijke zeggingskracht verwoordt.
Het is het overheersende beeld in heel veel van Ducals gedichten, ongeacht de rol die de ik speelt. In Het huwelijk is dat in de eerste plaats die van echtgenoot:

Misverstand

De duivel waakt in elke man
en houdt de moordplannen verborgen.
Blind, verdoofd van kleiner zorgen
slaapt de vrouw. Het komt ervan…

Hij buigt zich naar de weke hals
en denkt: nu even ongenadig wezen.
Vingers om de nek. Hij weet het zeker.
Maar het volgende gebaar is alweer vals.

Hij streelt en bijt de kaken op mekaar.
De aarzeling brengt de vrouw tot leven.
In de rug voelt zij de donkere adem beven
en zij fluistert: doe het maar…

Het is dezelfde dubbelheid als bij Elsschot, alleen nog scherper en hopelozer. Ook hoe de plaats van de ik als gezinslid is, wordt schrijnend beschreven. ‘Het gezin’ is een meedogenloos gedicht, waarin de mythe van het eenvoudige burgerlijke gezinsgeluk tot op het bot wordt gefileerd:

Het gezin

Vader, moeder, hun eenvoudig leven.
Vingers om het mes, de smakeloze plicht.
Zijn kaken malen vreedzaam. Kouwe kip.
Haar lichaam heeft niets mee te delen

tenzij: dat zij met elkaar een tafel delen
zonder brekend glas en zonder gif.
Het kind scheurt een toevallig moordbericht
uit oude kranten, inkt in sombere vegen

als een teken op zijn wang.
Want alles kan in een eenvoudig leven:
vader, moeder, mes geslepen,
en een kind uit zelfbedwang.

Niet alleen het kind is getekend, de tot elkaar veroordeelde vader en moeder zijn dat ook. Zo gaat het de hele bundel door. De gedichten wedijveren met elkaar in indringendheid, ze zijn als etsplaten zo scherp, ze hebben iets onherroepelijks, zeker in de onderliggende, verleidelijke suggestie dat dit alles autobiografisch zou zijn. Want nog twee andere rollen zijn de ik op het lijf geschreven. ‘de boekentas met Vondels Lucifer’ waarvan in ‘Dageraad’ sprake is, wijst uiteraard op een bestaan als leraar Nederlands (het beroep van Ducal), en daarnaast is hij de man van het woord, de dichter, die ervaart dat woorden de werkelijkheid kunnen maken: ‘Tot alles bereid is het woord.’ (Wat trouwens direct de gedachte ontzenuwt, dat het lyrisch ik een op een samenvalt met de persoon van de dichter; het is in alle zogenaamde ‘eerlijkheid’ in de eerste plaats een literair spel, dat Ducal hier zichzelf met de lezer laat spelen.)

De rollen komen samen in ‘Misverstand 3’, dat is opgebouwd rond de regels ‘Mijn vrouw is getrouwd met een dichter,’ ‘Hij schrijft. Verder zijn er geen plichten.’ en ‘In gemeenschap wordt niets ondernomen.’ Alle connotaties van ‘gemeenschap’ spelen mee en benadrukken de onvruchtbaarheid van dit bestaan. ‘Poëzie is een daad van ontkenning’ luidt dan ook de slotregel van de bundel en daarmee roept Ducal de bekende regels van Remco Campert in herinnering: ‘Poëzie is een daad/ van bevestiging. Ik bevestig/ dat ik leef, dat ik niet alleen leef.’ Juist het feit dat hij in de volle ambiguïteit daarvan niet alleen leeft, doet Ducals ikfiguur aan zichzelf lijden.

Alleen al deze ijzersterke debuutbundel rechtvaardigt de aanschaf van deze verzamelde gedichten. Maar wat volgt is minstens zo goed. De diverse rollen worden uitgediept en uitgebreid. In het aan de vader opgedragen De hertog en ik is de ik in opnieuw regelmatig bijbels getoonzette gedichten kind en zoon, geplaatst in een bedreigende buitenwereld, ontheemd en ook aan zichzelf vreemd. Soms is het alsof de hoofdpersoon van deze gedichten de trekken heeft meegekregen van Sartres Roquentin of van Camus’ Meursault. In ieder geval is er duidelijk sprake van een innerlijke tweestrijd: wie te zijn in welke werkelijkheid, de reële of de verbeelde. Dat deze poëzie ten diepste misschien een narcistisch spel is – compleet met Droste-effect! -, zou kunnen blijken uit ‘Uit het oog’. Het is het slotgedicht van de bundel.

Uit het oog

Hij liep. Iemand schreef dat hij liep.
Toen hij het water bereikte om er zich
voor de laatste keer te bewonderen
was het, terwijl hij viel en zonk,
toch een troost dat hij ook werd bewonderd
door iemand die schreef dat hij viel en verdronk.

Stiekem kroop hij aan de overkant uit het water,
zijn kleren waren gelukkig nog droog.
Door niemand gevolgd
liep hij zich snel uit het oog.

In de bundel Moedertaal, opgedragen aan de moeder, is de ik nadrukkelijk het boerenkind. De bundel bevat veel aardse gedichten, vaak in een broeierige atmosfeer. Het is een conflictueuze bundel, waarin seksualiteit botst met geloof, de dialectische moedertaal met het ABN en de dichter met zijn vergeefs naar zingeving zoekende zelf. ‘Wij leven.// Daarna gaan wij dood.’, besluit hij ‘Herfstdag’. Vandaar dan ook: ‘Het is een vergissing niet vrolijk te leven./ Ik denk dat God niet bestaat.’ (slotregels ‘Hierna’.)

Naar de aarde neemt het landschap van zijn jeugd als uitgangspunt. De dichter past de vruchtbaarheid van veld en akkers toe op zijn persoonlijke ontwikkeling, met name het ontluikende dichterschap, dat verder het belangrijkste thema van de bundel wordt. Bijkomende motieven zijn de zich opdringende seksualiteit, het leraarschap, de beleving van de eigen persoon (‘Er is/ in de wereld geen andere pijn/ en geen andere honger dan ik.’) en alweer het huwelijk, dat uiteindelijk de genezende bestemming blijkt te zijn.

In inkt gewassen problematiseert het dichterschap en getuigt van een haast obsessionele fascinatie voor seksualiteit. Hoewel veel gedichten nog steeds heel direct zijn, lijkt over het geheel genomen de spontaniteit iets minder geworden, is er soms zelfs even sprake van een zekere redeneerdrift, zoals in ‘Een ander’:

Een ander

De wereld die mijn wereld niet is
vult ieder raam van het huis.
Daglicht wist de weerspiegeling uit.
Een pen die de mijne niet is

houdt het vergezicht laag bij de grond.
Inzichten schrijven de horizon,
brandende steden waar ik niet kom.
Is het mogelijk dat men een ander wordt

door zich op te bergen als een paspoort
dat niet langer geldt? De spiegel
te mijden alsof men zich schaamt
voor zichzelf? Het gedicht te fouilleren

als een verdacht element?

Sterker dan in de andere bundels is er ook een maatschappelijke component, toont de dichter zich geëngageerd en maatschappelijk betrokken, al leveren daarbij moedeloze afkeer van deze wereld en de hoop op verandering strijd met elkaar.

Ducals voorlopig laatste bundel is Toegedekt met een liedje. Eros (met name de afdeling ‘School der pornografie’) en Thanatos domineren, maar ook de taal en de poëzie staan weer centraal. Opvallend is het gevecht dat de dichter moet leveren tegen zijn eigen ambivalentie, hoe hij zijn best moet doen om van ‘dit geschrijf’, van ‘deze dwang/ zich op te stapelen voor na de dood’ de zin te blijven zien. Maar al is het gedicht gemaakt ‘van dode dagen,/ van drankzucht, maagzuur, een vuile tafel/ waarop een leven, ad nauseam.’, het bevat iets zuivers. In ‘Aan deze kant’, het voorlaatste gedicht van de bundel, zegt hij: ‘[…] wij maken geen sporen.// Alleen wat gestuif, heel licht, als van poëzie.’

Alsof ik er haast ben is heel wat meer dan licht gestuif. Het is een bundeling die Ducal de enige plaats in het poëzielandschap geeft die hem recht doet: vooraan, waar hij met kop en schouders uitsteekt boven al die de laatste jaren omhooggeschreven mindere goden.

***
Charles Ducal (F.P.J. Dumortier, Huldenberg bij Leuven, 1952) studeerde Germaanse filologie aan de KU Leuven en werkt als leraar Nederlands in het voortgezet onderwijs. Hij debuteerde in 1987 bij De Arbeiderspers met Het huwelijk.
Na Twist Met Ons (Den Gulden Engel, 1987), een gezamenlijke bundel met met Spinoy, Dewulf en Van Bastelaere, verschenen bij Atlas De hertog en ik (1989), Moedertaal (1994), Naar de aarde (1998), In inkt gewassen (2006) en Toegedekt met een liedje (2009).
Bundels van Ducal werden diverse keren bekroond; hij ontving o.a. de Prijs van De Vlaamse Gids, de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de Prijs van de Vlaamse Provincies, de vijfjaarlijkse Guido Gezelleprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, de Herman de Coninckprijs en de driejaarlijkse Karel Van de Woestijneprijs.
Zijn verhalenbundel De meesterknecht is van 1992. In 2010 schreef hij het Gedichtendag-essay Alle poëzie dateert van vandaag, een pleidooi voor de leesbevordering van poëzie.

Recensie van Toegedekt met een liedje - Charles Ducal

Het onzegbare zegbaar maken

Charles Ducal
Toegedekt met een liedje
Uitgever: Atlas
2009
ISBN 9789045015088
€ 16,50
84 blz.

In het epilooggedicht van Ducals debuutbundel Het huwelijk, die even cynische als gevoelige ontleding van een echtverbintenis, ging de dichter zelf in op de te verwachten receptie van zijn gedichten: ‘Vindt je vrouw dit leuk? vroeg de vriend/ aan wie hij zijn verzen liet lezen./ Hij zocht een excuus. Het was er niet./ Er stond wat er stond. Met reden.’ Geen sprake van dat iets dat van belang is ooit in poëzie kon worden toegedekt, en van die niets ontziende drang naar openheid maakte Ducal in In inkt gewassen zelfs zijn poëtica: ‘Er is geen poëzie in een te helder leven./ Op het behang is altijd een plek/ die wacht op het vocht. Een vuile bek/ zoekt in de laden naar onzegbaarheden.// Alles wat toonbaar is moet overschreven,/ ieder gedicht gewassen in inkt/ die blind van de moerassen zingt,/ waarvan men ziende niets kan weten.’ Het verborgene moet zichtbaar worden, maar in het zichtbare gaat het juist om het verborgene en zo toon je altijd iets anders dan je ziet en laat zien.

In Toegedekt met een liedje, Ducals nieuwste bundel, is het niet anders: er is een dichter aan het woord die in grote vrijmoedigheid een bijna maximale openheid betracht in zijn zelfbeschouwing en reflectie op de wereld, die daarbij het doen van allerlei apodictische uitspraken niet schuwt, maar tegelijkertijd zeer behoedzaam en terughoudend is en letterlijk toedekt. Het leidt tot poëzie die even vanzelfsprekend als dwingend is en in de behandeling van de ‘grote’ onderwerpen liefde, seksualiteit, de dood en de poëzie zelf volstrekt overtuigend.

De bundel kent een zeer zorgvuldige opbouw. Hij opent met het vooraf geplaatste gedicht ‘Forchta in bivonga’ (een verwijzing naar een fragment uit de 10de eeuwse Wachtendonkse psalmen: Vrees en beving kwamen over mij en duisternis bedekte mij), en sluit af met het Envoi ‘Liedje voor Johan’ (de bundel kreeg als opdracht mee In memoriam Johan Vannuffelen amicus certus in re incerta). Daartussen staan drie delen waarvan de eerste en de derde drie onderafdelingen kennen (alle met aparte titels) van zes, acht en negen gedichten en de titelloze middelste zeven gedichten telt. Het hart van deze afdeling, die als motto heeft Mijn koninkrijk is niet van deze wereld (Johannes 18:36), is derhalve ook het hart van de bundel als geheel. Het stelt met ‘Waarom zou je?’ de vraag naar de zin van het schrijven:

Waarom zou je?

Waarom zou je het trachten op te roepen
in woorden die nog niet bestaan?
Wil je iets in beweging brengen,
iets wat in je opkomen moet
als kokende melk?

Waarom zou je jezelf tot verbijstering brengen
als het kan opgepikt uit de stroom
die je dagelijks overspoelt?
Moet het onzegbaar worden?
Het is zegbaar, mens,
het is doodgewoon.

Waarom wil je het per se als iets groots?
Anderen hebben het onder de arm
terwijl ze de straat oversteken.
Het is makkelijk te lezen,
het heeft staatsie noch galm.
Het maakt onverschillig,

dat is al

Het onzegbare zegbaar maken, de banale werkelijkheid van het menselijk bestaan doorgronden en verbeelden, ziehier wat Ducal zich haast contre coeur (Warum betrübst du dich, mein Herz?) ten doel stelt. En wie niet onverschillig wil zijn, moet zingen, zich laten meeslepen door de taal, wat dan ook het dominante motief in de bundel is, want opvallend vaak (ruim zestig keer) is er in de gedichten sprake van ‘woord’, ‘woorden’, ‘poëzie’, ‘zingen’, ‘liedje’, ‘taal’, ‘gedicht’, ‘schrijven’, etc.
Het eerste en laatste gedicht hebben daarbij de bundel als het ware in een houdgreep. ‘Forchta in bivonga’ stelt: ‘Ik weet dat ik mezelf moet schrappen/ om plaats te maken voor de poëzie’, maar ook dat men alleen in eigen leven kan leren ‘het woord te scheiden van het vlees/ op zo’n manier dat het kan overleven,/ […] als een hand geopend naar de hemel,// in beving en in vrees.’ In ‘Liedje voor Johan’, het slot, loopt het lied door diens ‘dode hersens’, ‘zijn verlaten hoofd,/ het eindelijk lege taalgebied’ tot de dode uiteindelijk ‘als levend’ in de stoel van de dichter zit.
Ducal speelt zo een superieur spel met Johannes 1:1-14: In het begin was het Woord, en het Woord is vlees geworden. Maar dat woorden woorden blijven, hoe je ze ook wendt of keert, daarvan is hij zich zeer wel bewust. ‘Wij maken geen sporen’, schrijft hij in het gedicht dat aan het Envoi voorafgaat, ‘Alleen wat gestuif, heel licht, als van poëzie.’

Het eerste deel (motto: O Rose, thou art sick!, William Blake) opent met de afdeling ‘Niet uit de rib’, gedichten die de spanning verwoorden tussen het beeld van de vrouw als zuivere inspiratiebron en de ‘gewone’ vrouw die zich in het dagelijks leven laat liefhebben. Hij moet in haar afdalen, want zij is zijn instrument, ‘windvlaag door mijn woordenschat’ maar ook ‘een eetbare vrouw’, voor wie geldt ‘Niet mooier dan vlees/ dat geen woord wenst te worden’. Of het nu de beeldhouwer is die zijn ideale vrouw aan de steen probeert te ontworstelen, of de dichter die haar in zijn taal wil oproepen, ‘De werkelijkheid is haar ontrouw./ Daarom bestaat zij niet// dan in benadering, een streven naar,/ gehoorzaam aan plastiek en poëzie.’
In de tweede afdeling, ‘Onder dit spreken’, wordt duidelijk gemaakt hoe pijnlijk het scheppingsproces van het schrijven is; gedichten komen niet dan door een pijnlijke tangverlossing tot leven en het te hanteren instrumentarium – het Vlaams – is gebrekkig (‘ik stik in mijn eigen, mijn enige taal’). Maar het is wel het antwoord op die eerder gestelde vraag ‘Waarom zou je?’:

Voor na de dood

Als het gedicht u bekoort, bedenk dan
dat het gemaakt is van dode dagen,
van drankzucht, maagzuur, een vuile tafel
waarop een leven, ad nauseam.

En dat het zingt is niet meer dan wat klank
die bedekt, zoals men een laken legt
over een lijk, het wekt nieuwsgierigheid
alsof toch iets bloot kon gelegd,

iets zuivers, voorbij het zweet en de stank
dat zin geeft aan dit geschrijf, deze dwang
zich op te stapelen voor na de dood.

Zolang er leven is, is er hoop.

Het tot walgens toe moeten leven reduceert de vrouw obsessioneel tot louter lichaam (‘biedt zij haar kut en haar borsten’), dat de geest van de man honds herleid ‘tot tam geslagen vlees’, ‘nooit hoger dan het kruis diep in haar rok.’ Vandaar dat de derde afdeling, ‘School der pornografie’, geheel gewijd is aan platte seks, met name zoals die op internet te vinden is. Het is daar ‘het eenzaamste land’, maar ‘Wie erin stapt is van zichzelf ook verlaten’ en hoeft zelf niets meer te verzinnen, wordt in zeker opzicht zelfs verlost. Het lijkt een voorwaarde te zijn voor het dichterschap, ‘om leeg te zijn als het uur komt.’ Voor het zover is, is er het hypocriete ik, dat kijkt ‘omdat het zich wil spiegelen aan het grote// lef zich van de taal te onderscheiden/ als een god in ‘t diepste van zijn vlees.’ Vanuit deze confronterende gedichten, die porno wel als onderwerp hebben, maar zelf allerminst pornografisch zijn, stapt de dichter uiteindelijk uit zijn schijnwereld en constateert: ‘En ach// de werkelijk bestaande vrouwen,/ zij stappen van de spiegel in het huis/ en van het huis weer in de spiegel/ en vinden nergens rust’.

In deel twee van de bundel wordt de schone façade die poëzie in feite is geconfronteerd met de harde, concrete realiteit. Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. (Johannes 18:36) luidt het motto en daaraan kan een cynische betekenis bepaald niet ontzegd worden, want ‘Zolang poëzie het gezicht bedekt/ kan men zijn opvoeding prijzen./ Eenmaal op straat trekt men wit weg.’ Deze gedichten tonen hoezeer Ducal zich niet alleen geëngageerd weet, maar hoe hij daarin ook volstrekt illusieloos is, ook wat betreft de mogelijkheid het conflict dat in hemzelf woedt, op te lossen. Deelhebben aan de wereld betekent hoe dan ook schuldig zijn. ‘Schulddoorzongen’ eindigt dit deel met het beschaamd klinkende ‘Maar de dichter gaat vrijuit.’

In deel drie (motto: Ik moet verliezen maar ik kan nog winnen, Hans Andreus) gaan de eerste gedichten opnieuw over het schrijven van poëzie. Wat het materiaal van de dichter is, wat het betekent dichter te zijn (‘Een trein rijdt de muur in,/ de schrijver stapt uit/ voor de deur van zijn lot.’), dat het niet alleen onmogelijk is aan dat lot te ontsnappen, maar ook onwenselijk, omdat dit mogelijk ‘je enig bestaan’ is.
De volgende afdeling heeft dan weer een erotische invalshoek, maar niet los van de gewone dagelijkse werkelijkheid, waarin een vrijpartij kan worden opgeschrikt door baldadige kinderen. De echtgenote die de rol van liefste speelt, is een soort katalysator voor de verbeelding van de verschillende droombeelden waarvan eerder sprake was. Die échte vrouw is ‘onleesbaar// in de vorm van een gedicht’, maar is wel degene die hem, hoe dan ook, maakt tot wie hij is:

Jij

Vroeger zat ik naakt aan tafel, leeggezogen
door de wil te scheppen uit het niets,
schiep vrouw en lief, maar zonder mededogen,
twee stenen op mijn grondgebied

waaraan ik rusteloos mijzelf kon slijpen,
een vader en een moeder, grootgebracht
uit eigen taal, vier ogen om mij klein te kijken
als bewijs dat ik de sterkste was.

Nu zit ik leeg aan tafel, volgestoken
met de ik die jij hebt meegebracht.
En alles wat ik ben wordt uitgesproken.
En alles wat ik niet ben wordt geschrapt.

De bundel eindigt met de afdeling ‘Zoveel as’, gedichten over dood en vergankelijkheid, te beginnen met ‘Denn alles Fleisch’, te lezen dus onder de luide tonen van Brahms’ Ein deutsches Requiem. De dichter denkt terug aan de meisjes die vroeger zo makkelijk kwamen (en gingen) ‘en dan is men negenenvijftig.// Alle regels lauw geworden,/ op de weg naar mij fietst niemand meer./ De wind steekt op. Of het zal stormen./ En alle gras zo dor, zo dorstig,// opgezweept.’
Er staan indrukwekkende gedichten in deze afdeling, zoals ‘Het dochtertje van J.’ dat wel moet handelen over de begrafenis van de vriend aan wie de bundel is opgedragen en dat beschrijft hoe rouw ons altijd raakt, maar ook dat het leven zich daar niets van aantrekt: ‘[…] Er is geen lijden/ buiten ons. Het is van ons,// van ons alleen.
God is dood bij Ducal en er is geen troost van religie of welke metafysica dan ook. Wetenschap biedt aan het einde van de weg evenmin enig soelaas, want ‘wetenschap bekijkt de dingen nooit zo fijn/ als poëzie, die steunt op ruimere archieven’.

Goede poëzie zorgt ervoor je door het onkenbare bewoond te weten, en omdat deze gedichten erin slagen dat te bewerkstelligen, heeft Ducal met Toegedekt met een liedje niet alleen een monument voor zijn amicus certus opgericht, maar vooral ook, in re incerta, voor zichzelf.

Nog twee opmerkingen tot slot. De neerlandicus die Ducal ook is, laat zich op diverse plaatsen in de bundel kennen. Er zijn duidelijke verwijzingen naar ‘Hebban olla vogala nestas ha­gunnan’, de ballade Van twee conincskinderen, een Chanson de geste, Hadewych, Kloos, Gezelle, Achterberg, de Vries, Andreus, Elburg, en Lucebert.
Er is verder een enorme variëteit aan versvormen, liefst 33 keer is er een andere opbouw. Waar wel van eenzelfde vorm sprake is, is een indeling van drie kwatrijnen of drie kwatrijnen met een aparte slotregel favoriet; beide komen negen keer voor. Ducal heeft trouwens wel een sterke voorkeur voor de losse laatste regel; in 33 gedichten staat er een, en daarbij staat zeven keer ook de voorlaatste regel apart. Het is een vorm van emfase die het stellige karakter van deze poëzie nog eens extra benadrukt.

*****
Charles Ducal (Leuven, 1952) publiceerde de roman De meesterknecht (1992) en de poëziebundels Twist Met Ons (1987, samen met Erik Spinoy, Bernard Dewulf en Dirk Van Bastelaere), Het huwelijk (1987), De hertog en ik (1989, Prijs van de Vlaamse Gids en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs), Moedertaal (1994, Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies), Naar de aarde (1998) en In inkt gewassen (2006). Voor deze laatste kreeg hij in 2007 de Herman de Coninckprijs.
Charles Ducal is het pseudoniem van F.P.J. (Frans) Dumortier, leraar Nederlands te Haasrode.