Recensie van Kees van Duinen. Tegen de ruit - Hans Werkman

De weg is lang, het leven kort

Hans Werkman
Kees van Duinen. Tegen de ruit
Uitgever: Tiem
2015
ISBN 9789079272594
€ 19,95
160 blz.

Literator Hans Werkman (1939), die vooral veel publiceerde over de dichter Willem de Mérode, verzorgde voor de mooie Prominentreeks van de Baarnse uitgever Tiem een deeltje over Kees van Duinen, een protestants-christelijke dichter wiens werk nauwelijks bekend geworden is, maar die het in ieder geval volgens Wim Hazeu – mederedacteur van de serie – verdiende uit de marge van de literatuur te worden gehaald. Lidy van Eijsselsteijn (‘Het is prachtwerk’), Reinold Kuipers (‘Het werk van een talent dat zich door het harnas van een strenge overtuiging vrijzong’) en C. Rijnsdorp (‘Een rijke, maar bijna verstilde muziek op de achtergrond, en buiten het grote waaien van de wereldwind’) lieten zich al veel eerder in positieve zin uit.

In een uitvoerige levensschets schildert Werkman Kees van Duinen (1907-1950) als een wat schuwe, gedeprimeerde, met zijn gezondheid tobbende man, wiens existentialistische gevoelens van angst, eenzaamheid en uitzichtloosheid in wankel evenwicht waren met zijn christelijke godsvertrouwen. De in de Groninger kunstwereld invloedrijke Wob Meijer noemde hem bij zijn dood ‘Een onbekende bij zijn leven, een vereenzaamde in zijn sterven, een vergetene voordat hij begraven was.’

Van Duinen had wegens ziekte zijn gymnasiumopleiding niet kunnen voltooien (later haalde hij door zelfstudie veel in, hij verdiepte zich onder andere in Rilke)) en kwam in zijn maatschappelijke carrière niet veel verder dan slecht betaalde kantoorbaantjes, die hij combineerde met evangelisatiewerk en activiteiten als lekenprediker. Maar na een publicatie van een gedicht in Opwaartsche Wegen werd hij lid van de Noordelijke Kunstkring en deed daar vrienden op die hem niet alleen in een ander milieu brachten, maar ook maatschappelijk steunden, want het gezin Van Duinen had het met zes kinderen moeilijk het hoofd boven water te houden.
In het biografische gedeelte is de beschrijving van het gereformeerde milieu het boeiendst, vooral die van de implicaties van de kerkscheuring in 1944, toen de synodalen en vrijgemaakten uiteengingen.

Van Duinen publiceerde tijdens zijn leven nauwelijks. Behalve onzekerheid over zijn eigen niveau kan ook een bepaald schuldgevoel een rol gespeeld hebben, omdat hij zich, schrijvend over zijn moeizame relatie met het leven, voor zijn geluksverlangen niet exclusief wendde tot het heil dat zijn kerk bood. Dat hij geen stichtelijk dichter was, dat zijn dichterschap niet aan God gewijd was, had voor hem wel zijn prijs. Wob Meijer, begiftigd met een onwankelbaar gelijk, formuleerde het zo: ‘Het wroeten in eigen ziel, het ronddwalen en tollen in het eigen ik, het ankerplaats zoeken in een andere bodem dan die van het gelovig aanvaarden van Gods beloften móet tot radeloosheid brengen.’

De gedichten van Kees van Duinen verschenen door bemoeienis van vooral Lidy van Eijsselsteijn na zijn dood in 1951 in de bundel De Trap. Hij haalde wel een tweede druk, maar bleef in feite vrijwel onopgemerkt.
Omdat Van Duinen de bundel niet zelf had samengesteld, voelde Werkman zich vrij als het ware een nieuwe bundel te maken. Hij deed dat eigenzinnig. Hij schrapte twee al te ouderwets retorische gedichten en voegde vijftien gedichten uit de nalatenschap toe (in totaal telt de bundel nu zestig gedichten), herzag spelling en interpunctie, koos voor een andere, nu chronologische volgorde, en verving zelfs de titel, omdat Tegen de ruit vanwege het daarmee uitgedrukte isolement kenmerkender voor de bundel is dan De Trap.

Tussen de nacht en mij is dit dun glas.
Weer gaat het nooit bezworen raadsel komen,
dat als een zwarte vloed daarbuiten wast
en aanruist in een breed, verzwelgend stromen.

[uit: ‘Verwachting’]

Zijn de gedichten de hernieuwde aandacht inderdaad waard? Van Duinen schreef traditionele poëzie, zeker in het begin in de traditie van Gossaert, meer nog die van Bloem, al is de retoriek erin regelmatig net iets te pathetisch:

O droomziek hart, wat heeft uw rust bevangen?
Vergeet – en ruk u uit die wrede klem!

Ach, aan een diepe droom is geen ontkomen,
Herinneringen werden levensgroot.
Het leven mag in jaren langs ons stromen,
er blijft een wond, die bloedt als avondrood.

[uit: ‘Voor Ido Keekstra’]

En somberheid wordt soms in sentimentaliteit gesmoord:

Wij kunnen nooit geheel gelukkig heten,
het is te klein, dit hart, dan dat ‘t bevat
vervulling van het wild verlangen, dat
zich aan de sterren schreiend poogt te meten.

[uit: ‘Het was een hete najaarsdag’]

Bijna alle vroege gedichten zijn opgebouwd met vijfvoetige jamben en gekruist rijm. Verstechnisch is er niets op aan te merken, maar onwillekeurig hoor je er een ‘dreun’ in. Waar hij metrisch afwijkt en ritmiek het overneemt, wordt het vers interessanter:

Boven de verrassing van het water
schouwt de ziel haar eigen spiegelbeeld.
Alle onrust tussen nu en later
is: het dorsten naar dit evenbeeld.

[uit: ‘Narcissus’]

Te veel gedichten hebben de toon (en de zwakte) van ‘Nacht’:

NACHT

Aan deze schaduw, op de wand getekend,
zie ik voor ‘t eerst wat of ikzelve ben:
een smalle schim, bijwijlen duister sprekend
in een gebaar dat ik niet meer herken,

een eenzaam man, diep en vermoeid genegen
naar het geheim dat zwijgend in mij ligt,
een silhouet, zwart en beangstend tegen
de muur, zonder een naam of aangezicht.

Als nu eens plotseling de kaars gaat doven,
is alles weg, dan ben ik er niet meer.
Hoe kan ik soms dan toch zo trots geloven
dat ik mij nog alom manifesteer?

Ik ben een schim, een ogenblik geworpen
door een onzeker kaarslicht aan de wand,
het duister zal mijn schaduwbeeld opslorpen
zodra de kandelaar valt uit de hand.

Het is ongetwijfeld een eerlijk gedicht, oprecht gemeend allemaal, maar met gezochte, clichématige beelden en met verschillende gebrekkige regels. Als Van Duinen zich van zijn zelfbeklag losmaakt en ook vrijer schrijft, klinkt hij ineens heel anders:

HET VENSTER

Spring driest door de beslagen ruit
wie zich nog wachtend hier bezint.
De wolken wapperen in de wind,
de hemel heeft de vlaggen uit.

[…]

De weg is lang, het leven kort
en als een water zwart en diep.
O, stem, die uit het duister riep,
vang wie zich naar U henenstort!

Gaandeweg krijg je sympathie voor Van Duinens pogingen zijn levenswaarheden zo te formuleren dat ze algemeen geldend konden zijn, juist in het besef dat hij de gedichten liever niet uit handen gaf. Vooral in die uit de laatste jaren staan strofen die treffen, omdat je er de wanhopige poging in voelt uitdrukking te geven aan een levensgevoel dat weinig strookte met zijn christelijke bedding, maar dat hij er toch mee in overeenstemming moest brengen:

Wij weten weinig af van zijn en worden,
wat kringloop is, wat eind, of wat begin.
Een hand strekt zich ten hemel, reeds verdorde
vingers schrijven er groot hun tekens in.

[uit: ‘Handen’]

 

Alles gaat langs, alles gaat langs ons heen.
We komen hoogstens op de weg iets tegen:
de wind, een vogel, God – dat tot op ‘t been
‘t gelaat striemt als de zweepslag van de regen.

[uit: ‘Het lijkt soms even…’]

Uitzichtloze somberheid streed bij hem met hoop en verwachting. Waar hij het ene moment kon schrijven ‘Niets is verloren wat niet kan herleven,/ zolang het hart voor dromen openstaat.’, kon hij tegen het eind van zijn leven een bitter gedicht schrijven, alsof – en dat is over meer schrijvers en dichters gezegd – een ziel in nood zich uitspreekt:

VERZAMEL WAT GIJ HEBT

Verzamel wat gij hebt en leg uw lege handen
in al hun schamelte en erbarmelijkheid ten toon.
Weeg welstand en bezit, besom uw scha en schande
en was in tranen u de blinde ogen schoon.

Noch daad, noch dierbaarst ding, bezitten noch verrichten
vult ooit de armoe op die ‘t hart tot weerzin krenkt.
Bestaan is: wreed gemis aan droom en vergezichten,
aan een doorlaaide kim waar de vervoering wenkt.

Er is geen andere keus dan in verbetenheden,
geen uitkomst dan waarin nooit een kwetsuur geneest:
een bloedig zelftorment in mummelende gebeden,
of een gebald verzet dat geen geboden vreest.

Verdraag uw doem gedwee en sla uw lege handen
in boete en berouw voor het gekerfd gelaat,
of grijp verwoed het mes van tussen uwe tanden
en stoot het tot aan ‘t heft in wie u ‘t naast bestaat.

Er zijn, met name in de tweede strofe, duidelijke echo’s van Bloem, maar van navolging is geen sprake, de uitdrukking, vooral van de turbulentie die in hem woedt, is authentiek. Alleen al op grond van dit gedicht verdient Kees van Duinen een dichterlijk voortleven.
Hans Werkman verdient dank dat hij dat mogelijk heeft gemaakt.