Recensie van Een droom die ik heb - Nydia Ecury

Wereldpoëzie uit Aruba

Nydia Ecury
Een droom die ik heb
Uitgever: In de Knipscheer
2013
ISBN 9789062658428
€ 17,50
80 blz.

In mijn kast heb ik een plekje voor dichtbundels die ik regelmatig en graag inkijk. Niet alleen Kavafis, Roethke, Walcott, Tranströmer en Jellema, ook D.H. Lawrence, Peter Spaan, Gerrit Bakker, Nachoem Wijnberg en Juliën Holtrigter hebben daar hun plekje, naast vele anderen. Het is mijn plank van ‘Altijd Raak’. Daar komt ook de bundel Een droom die ik heb van Nydia Ecury te staan.
Het is niet de onderwerpkeuze waardoor ik zo’n goed gevoel krijg van haar poëzie, noch de taalacrobatiek; het is de echtheid ervan.

Echtheid; hoe subjectief is dat! Volgens een goede vriend van me is het allemaal een kwestie van smaak. Maar al houd ik niet van de poëzie van Lucebert, ik kan wel zien dat hij een van onze grote dichters is. Groter dan Richard Minne die ik graag lees. Rilke was een groot dichter, maar ik heb de pest aan hem. Geef mij T.S. Eliot maar. Enz. Het blijkt dus toch te gaan om het plezier waarmee je iemand, door wat dan ook beïnvloed, kunt lezen.
En ‘echt’ voelt poëzie die aan jouw leven raakt.

Wanneer ik zoek naar een mooie strofe van Ecury, dan is er niet een die er uitspringt. Dit is geen virtuoze poëzie, maar toch, kom er eens om:

(…)
Zo koud, je lichaam.
In mijn wens,
onvervuld, blijf je
warm en aanwezig,
zoals later misschien
ik zal zijn
in de wensen
van hen
die ik dacht
grenzeloos
te hebben liefgehad.

(uit: De cirkel)

Zulke volmaakte, eenvoudige poëzie, in die volgorde: volmaakte eenvoudige poëzie, waarom is die zo zeldzaam? Omdat zulke poëzie niet gemaakt wordt, maar geboren.
Nydia Ecury had haar hart op de tong, en de taal leefde in haar hart; anders kan ik het levende van haar gedichten niet verklaren. Behalve met nog iets: Liefde.
Wat mij het meeste raakt is de warmte waarmee elk gedicht geladen is. Ook het verdrietigste. Het zijn de gedichten van een vrouw die sterk genoeg was om haar zwakheid te kunnen blootgeven; dat gaat verder dan aanvaarden.

Zoet bekkie

Ik weet,
het is gelogen.

Ik weet,
het is een grap,

Maar mijn ogen
bleven glanzen
en ik proefde
sesamsnoepjes
in mijn mond,
toen jij het allang
vergeten was.

Tederheid,
zoet bekkie,
bijna had je me
ten val gebracht.

Dit is typisch een van de gedichtjes die mij zo’n goed gevoel geven. Je hoeft geen vrouw te zijn om je te realiseren hoe heerlijk het gevoel is dat een flirt je kan geven, en des te groter de voldoening wanneer je er niet voor gevallen bent; het gevoel blijft als de nasmaak van een lekker snoepje.

Het volgende gedichtje raakte mij ook op een andere manier. In de in alle opzichten interessante inleiding van Sidney Joubert las ik dat haar laatste jaren werden gekenmerkt door een steeds duidelijker optredende dementie, waardoor zij op het laatst niet meer kon communiceren met haar dierbaren.

Zoekpartij

Ik denk dat ik misschien
oud begin te worden.

Het hoeft niet in de krant,
maar spullen hier in huis
krijgen telkens voetjes.

En zoeken maar!

Ik vind ze wel terug,
na dagen,
her en der,
als ik ze allang
niet meer nodig heb.

Hoe komt het toch, dat er aan ingewikkelde taalconstructies, aan cryptische metaforen, of aan keurige traditionele dichtvormen, met andere woorden: aan het formele aspect van de poëzie, dikwijls meer waarde wordt gehecht dan aan de levende poëzie die zonder bijzondere ingrepen of fratsen kan?
Een kind kan de was doen, lijkt het, maar waarom is ze dan zo zeldzaam?

Ik vond zomaar
een vogel die
morsdood
op mijn veranda lag.

Poten als stokjes
wezen omhoog
alsof hij wilde rusten
tegen de wolken aan.

(uit: Pauze)

In al haar gedichten schrijft Ecury over zichzelf in verhouding tot haar wereld; zij geeft ons haar wereld, met inbegrip van zichzelf. Zij maakt zichzelf niet tot middelpunt, maar een onderdeel van het leven waar zij vat op probeert te krijgen. Zij doet dat met humor, wat ook alweer een teken is van een trefzeker gevoel voor verhoudingen. En opvallend helder.
Het wonderlijkste van haar poëzie vind ik dat je haar kunt blijven lezen; ze bevat blijkbaar dat mysterieuze aspect dat je keer op keer tot je wilt nemen, ook al ken je de gedichten van buiten. Het is, om Nijhoff te parafraseren, alsof je meer leest dan er staat.
23 gedichten?! Het is niet veel. Te weinig bijna. De bundel bestaat uit twee delen; het eerste deel bevat de Nederlandse vertalingen die Esther Jansma met medewerking van Ecury gemaakt heeft, en die de dichteres als zelfstandige gedichten beschouwde, het tweede deel bevat de Papiamentse originelen. Bij elkaar is het nog heel wat. Maar al was de bundel de helft dunner geweest, dan nog was hij de aanschaf waard.
Sommige strofen lijken geschreven om zich voorgoed in je dagelijks leven te nestelen:

(…)
O, gottegot!
Als ik kon ophouden met huilen
zou ik me te barsten lachen!

(uit: Ruïne)

***
Nydia Ecury (1926-2012), op Aruba ge­boren uit een donkere vader en een blanke moeder, ging op haar dertigste op Curaçao wonen, waar zij ook overleed. Aanvankelijk was zij actief in het onderwijs als leraar Engels en Papiaments en werkzaam bij het Departement van Onderwijs. Zij maakte naam aan het toneel als mede­oprichtster van de toneelgroep Thalia, als ac­trice en regisseuse en vooral als cabaretière met haar ‘one woman show’ Luna di papel (papieren maan).
Als dichter debuteerde zij in 1972 in het Papiaments. Al­leen haar vierde bundel kwam tweetalig uit in het Papiaments en het Engels. Haar zesde en laatste bundel dateert van 2003. Voor Een droom die ik heb, haar eerste bundel in het Nederlands, putte Ecury uit al haar eerder verschenen bundels.