Recensie van Bijgeluiden - Henk Ester

Een dichter treedt niet op

Henk Ester
Bijgeluiden
Uitgever: De Arbeiderspers
2013
ISBN 9789029587600
€ 19,95
112 blz.

Bijgeluiden van Henk Ester (1952) is een forse bundel met bijna honderd gedichten, strak geordend in zeventien groepjes van vijf en twee groepjes van drie. De meeste afdelingen hebben een werkwoord als titel. Het suggereert een sterke eenheid, maar mij viel vooral een tweedeling op in de poëzie. Bijgeluiden is twee bundels in een: een goede bundel en een matige bundel.

De bundel heeft ten dele een nogal cerebraal karakter. Daar moet je tegen kunnen – en zelfs dan kan het vermoeiend zijn om de ene na de andere ode aan de poëzie te lezen. Na Gerrit Kouwenaar, Herman de Coninck en Remco Campert, meesters in dergelijke odes, is het nauwelijks meer mogelijk een goed gedicht over poëzie te schrijven.
Het begint al in het eerste gedicht:

Een dichter treedt niet op, zet de dingen niet naar zijn hand en
verklaart niets. Hij kijkt, luistert, staat aan de kant, in de berm,
midden op de weg, aan zee, op een berg of in het centrum
van een stad. Hij luistert en kijkt, …

Het is dat ik zo graag op zoek wil naar de kern van het gedicht, anders was ik uiterlijk na ‘kijkt’ gestopt met lezen. Ester benoemt allerhande dingen letterlijk, dingen die een dichter zoal wel en niet doet, maar het zijn ten eerste benoemingen en ten tweede zijn ze te algemeen. Een dichter die kijkt en luistert, dank je de koekoek. Een dichter staat aan de kant, op minstens vijf plaatsen – dergelijke opsommingen in een gedicht voegen niets toe en komen over als zwakke uitleg van iets dat maar geen poëzie wil worden – en dan luistert en kijkt hij nog maar een keer.
Een regel daaronder staat de zin: ‘Het water stroomt, hoorbaar, door de oudste bocht van de stad’. Dáár kan misschien iets interessants beginnen! Maar vervolgens komen we niet meer te weten dan dat een dichter zwerft. Twee pagina’s verderop staat:

Een zwerver is de weg niet kwijt, leeft niet in een
parallel universum of zwart gat. Hij neemt afstand,
meer afstand, bundelt zijn aandacht en luistert.

Alweer een herhaling van wat enkel in het eerste gedicht al te vaak is benoemd.

Gelukkig bevat Bijgeluiden heel veel meer dan alleen deze cerebrale poëzie-poëzie. Muziek, kunst en natuur spelen een nadrukkelijke rol. Natuur keert in de poëzie van de laatste jaren geregeld terug, muziek lijkt echter een bijna uitgestorven onderwerp voor hedendaagse dichters. Er komen enkele bekende en minder bekende componisten langs: Bach, Liszt, De Leeuw, Ustvolskaya. Maar ook haalt Ester Armando aan, Friedrich en Baudelaire. Ook hier soms een cerebrale observatie, maar ook mooie zinnen als: ‘Noten glippen onnavolgbaar door een raam naar binnen.’

Ester is in veel gedichten allerminst poëtisch. Hij schrijft daarin met een essentieel andere poëtica dan de tijdsgeest lijkt voor te schrijven en dat is even wennen. Heeft hij eenmaal de typische dichterspose aangenomen waarvan de contouren in de cerebrale gedichten opduiken, dan blijkt hij in zijn observaties een dichter zoals de meeste andere dichters. Maar tekstueel is de poëzie vaak een vrij letterlijke uiteenzetting van gedachtes, alsof Ester niet een gedicht schreef maar het theoretische voorwerk van een gedicht. Nadat de zoekende, prozaïsche stijl is gewend, kun je mee langs zijn gedachtepatronen en de (voorlopige) resultaten van zijn zoektocht.
Ester lijkt daarin de essentie van het kunstenaarschap te willen duiden. Lijkt, want alsof dat streven niet breed genoeg is: Bijgeluiden zoekt naar de schoonheid van het leven. De natuur is een directe weergave van die schoonheid (in heel wat gedichten sjokken we dan ook goedgeluimd door een landschap). Kunst en muziek zijn menselijke projecties die het dichtst bij de schoonheid van het leven komen. ‘Repetities zijn boeiender dan uitvoeringen, bijgeluiden krijgen een kans’: het proces van het maken is belangrijker dan het eindresultaat. Het gedicht vervolgt:

fluisterende musici, zuchtende dirigenten, passerend verkeer.
Muzikale lijnen worden bruusk afgebroken. Herhaald. Nog een
keer herhaald. Tevreden gelach. Een uitbarsting van geluk.
Muziek struikelt de wereld in. Het is niet anders.

Die bijgeluiden, dat is dus de essentie van kunst. De bundeltitel keert meerdere malen terug in de gedichten, ook – en met diezelfde betekenis – in gedichten die over de natuur gaan.
Veel van die natuurgedichten zijn strakker geformuleerd, bondiger en poëtischer dan de gedichten die zoekend schrijven over muziek en kunst. Hier verlaat Ester die benoemende, zoekende houding en wordt hij een dichter zoals we ons een dichter voorstellen. Ik citeer een van die gedichten in z’n geheel:

de zon heeft het gras verbrand
zonder een vinger uit te steken
het jonge groen had geen schijn van kans

maar morgen is het licht
morgen, als ik uitkijk
over de toppen van de zee

morgen, als ik voorbij
het zwarte pad het duin
over het schuim door, het water

morgen is het licht
morgen, als het stille water
een enkel toelaat op de zee

Betekenis en semantiek gaan deels verloren, de beelden spreken voor zich en hebben geen context meer. Het gedicht neigt naar poésie pure. Het gebruik van herhaling, dat in de cerebrale poëzie juist hinderlijk was, werkt hier ijzersterk.
Ook in de natuurgedichten duiken veel mooie zinnen op: ‘Touwen catamarans nodigen schippers uit ten dans / om samen het applaus van de golven te ondergaan.’, elders: ‘een helle molen luidt / het winnen van de wind’, ‘opkijken / van vers uitgesneden landschap’, weer elders: ‘lopen // verbeeldt het vlees te benen’.
Met de natuur als onderwerp maakt Ester interessantere poëzie. Kunst en muziek duiken ook hier op, maar niet als onderwerp van gedachtes. De rol ervan is in deze gedichten een stuk spannender, Ester gebruikt ze nu als een ervaring.

Wie heeft het blauw gedacht – zo
dat zij die kijken het niet weten
en nog slechts rekenen op muziek?

Uit deze gedichten spreekt een hoopvolle en optimistische kijk op de toekomst. Zelfs dof en levenloos zand prikkelt de fantasie:

het zou water kunnen zijn
een dans van vlakke duinen
van voren in een land,
een akker om in te lezen

Hier is muziek de motor achter de tekst (alliteratie, assonantie) en een expliciete ervaring (dans). En de combinatie van natuur en kunst (in dit geval lezen) in de laatste regel is een geweldige vondst.

Henk Ester lijkt in Bijgeluiden twee dichtbundels tot één te hebben gesmeed: een matige, wisselvallige bundel waarin het cerebrale overheerst, waarin quasi-filosofische ideeën staan over muziek en kunst en waarin de poëzie zoekend en goeddeels beschrijvend is – en een betere bundel met een nadruk op natuur, met een intensere, meer poëtische beleving, met een grotere urgentie en een spannendere benadering van kunst en muziek.