Recensie van Niemandslandnacht - Annemarie Estor

Een dichtbundel 2.0

Annemarie Estor
Niemandslandnacht
Uitgever: Wereldbibliotheek
2018
ISBN 9789028427471
€ 19,99
80 blz.

De wereld nadert haar perfectie. Tenminste, als je op de goede plek woont. En hoe leefbaar is ‘perfectie’ eigenlijk? De nieuwe bundel van Annemarie Estor staat in de traditie van toekomstbeelden als 1984 van George Orwell en De Cirkel van Dave Eggers. Sinds ik in Dichters van het nieuwe millennium haar gedicht ‘Vuurdoorn me’ heb gelezen, beschouw ik Annemarie Estor als een dichter van de buitencategorie. Ook haar nieuwe bundel Niemandslandnacht is moeilijk in één categorie onder te brengen. Het is geen gedichtenbundel in de gebruikelijke zin des woords, eerder een novelle in gedichten. De uitgever zette het in de markt als ‘crime poem’, wat niet alleen vloeken in de kerk van de Nederlandstalige poëzie is, maar ook niet echt klopt. Niemandslandnacht is geen whodunnit, maar een spannende vertelling in 32 gedichten. De vrijheid die de poëzie biedt, benut de dichter met sterk uiteenlopende vormen, beeldend en soms experimenteel taalgebruik en met de kunst van het weglaten. Dit komt de spanning en sfeertekening zeer ten goede. Toch vrees ik, dat dit crime poem de verkoopcijfers van literaire thrillers waarmee de markt overspoeld wordt bij lange na niet zal halen. Zelfs niet door de inzet van een trailer op YouTube. Ik raad u aan deze eerst te bekijken voor u verder leest.

De citaten uit dit filmpje komen uit de gedichten 5 ‘Sensoren’ en 11 ‘Ondertussen in het niemandsland’. De twee minst poëtische bijdragen uit deze bundel, alsof robots aan het woord zijn. En misschien is dat wel zo. Het gebruikte niet-proportionele lettertype doet denken aan een programmeercode. Niemandslandnacht speelt zich af op de grens van Orb en Grout. Orb is de perfecte maatschappij, Grout een soort archaïsche krottenbuurt waar de bewoners in primitieve armoede leven, maar zonder de dwang die de moderne machinerie de mens oplegt. In het derde gedicht worden beide steden c.q. rijken als volgt voorgesteld:

(…)

Bij de ingekuilde prei staat een petroleumlamp te branden.
Hij bewierookt bonenstaken.
Niemand vraagt zich af
wie die lamp daar heeft gezet
en voorgoed is weggeslopen.

Welkom in Grout, vagebond.

Ze ziet gezinnen achter lappen wonen,
hoort oma’s klagen en moeders bidden boven de schillen.
Bestaan is het kabaal dat zich verstaanbaar maakt
tussen gestoorde radiozenders
en het ratelen van aftandse wasmachines.

Kijk, de magere schim in zijn kleed.
Hij klopt met vlakke handen op de muur,
sleept oud papier onder kramen vandaan.
Zijn kornuiten en hij, ze steken het aan
en hurken bij het vuile vuur.
Soms turen ze wantrouwig
in de richting van de muur.

Orb ligt in het landschap
als een lichtende kroon,
een roemrijke koepel,
mythisch rijk.

Men zegt
dat de mensen er glanzen.
Dat de duiven er worden geruimd
en de wind er wordt geweerd.
Dat er garanties bestaan.
Dat het oog er wordt gecontroleerd.
Dat vaartuigen er guirlandes trekken
door de atmosfeer.
Dat nanodeeltjes goud
er als gondels door bloedbanen varen.

(…)

p.12-13

Hoofdpersoon van het verhaal is een zekere Pili, die, begeleid door haar lerares Valeria, na een bewustzijnsverruimende avond op zoek gaat naar haar afkomst. “’Valeria, hoezo heb ik een moeder? / Niemand heeft een moeder.’ // ‘Welkom, Pili, in de rokerij van je verleden. / De avond is nog niet voorbij,’ / antwoordt zij.” (p.23) Pili stapt in de zijspan van Valeria’s motor: ‘Het wegdek rammelt aan mijn botten. / Buiten Orb is de atmosfeer / karboonduister, bruinkoolsmerig. / Ik deemster door mijn longfossiel. / Het duurt angstjaren, grijze haren, / voor mijn ogen iets van vorm ontwaren. // (…) Verpakt in haar motorbril lijkt mijn docente / als een wesp swift en straf / af te koersen op haar doel.’ (p.24) Het taalgebruik is zeer gevarieerd, de teksten bestaan uit beschrijvingen, dialogen, spreektaal, dialect, neologismen. Tot haar grote verrassing blijkt Pili ook nog een broer te hebben, ergens in een krot in Grout: ‘Steem heb mama kapot lief / Roza steem mama niet goed maakt / van lang tot de einde van de nu! / Nee niet kwalik niet kwalik. / En na tien jaar ik jou al socht, / maar ik was klein hè!’ (p.26, 27) Meer nog dan door beschrijvingen wordt deze Vito door zijn taalgebruik neergezet. De hallucinatoire zoektocht gaat verder: ‘Onder een spaghettiviaduct / nabij controleposten, in een pocket smog, / ligt een tentenkamp, bedolven / onder uitlaatgassen, frackingdampen / en een continue regen van consumptieresten.’ (p.30)

Tot zover de verhaallijn. Teveel voorkennis doet afbreuk aan de leeservaring, dus ik houd me in. Wel kan ik verklappen, dat het plot buitengewoon complex en verrassend is, en dat pas na tweede lezing veel zaken op hun plaats vielen. Het openingsgedicht bijvoorbeeld is zonder de kennis van het hele verhaal niet te begrijpen, maar zet wel direct de toon voor een spannende, absurdistische vertelling. De donkere voorkant van de bundel en het filmpje op YouTube geven de sfeer van Grout goed weer. Het leven in Orb daarentegen is schitterend, maar ook zeer kunstmatig en steriel. Het deed mij sterk denken aan de overgereguleerde campus uit De cirkel, of de allesomvattende staat in Brave new world. Komt ook genetische manipulatie aan de orde? Wie is Todopoderoso, en kunnen we zijn naam vertalen als omnipotens, almachtige? Als al het stof van de verwikkelingen neergedaald is, volgt een raadselachtig einde:

Dona nobis

Geef een staaltje engelbrui
Kweek een taaie ruigpootbruid
Scharrelaar met mensenhaar
Schikgodin met mensendril

Dona nobis motorbril

(p.77)

‘Dona nobis’ lijkt een verwijzing naar ‘Dona nobis pacem’, de laatste woorden uit het Agnus Dei, veelal het laatste gedeelte uit de getoonzette katholieke Mis. Met binnenrijm (geef/kweek, staaltje/taaie), alliteratie (scharrelaar/schikgodin) en eindrijm (engelbrui/ruigpootbruid; mensendril/motorbril) is deze 32e en laatste tekst uit Niemandslandnacht qua klankgebruik één van de rijkste uit de hele bundel, passend bij een nadrukkelijk slotakkoord. Het heeft iets van een toverspreuk, mogelijk van Todopoderoso. De laatste drie woorden laten een flauwe indruk achter. Niemandslandnacht had beter verdiend. Het is bij nader inzien niet zozeer een bundel gedichten waar een verhaallijn in zit, maar eerder een novelle in gedichten. De afzonderlijke gedichten staan niet echt op zichzelf, maar vormen met elkaar een spannend, cultuurkritisch, absurdistisch, onheilspellend (onderstrepen wat gewenst wordt) verhaal, dat uitnodigt tot zorgvuldige lezing en herlezing.

 

Signalementen 2017 / 1

Samuel Vriezen, Netwerk in eclips

Netwerk in eclips gaat over poëzie in het digitale tijdperk. Leidraad vormen de bewerkte posts op Vriezen vindt … , de weblog die hij bijhield van 2006 tot 2013. Op het voorplat staat onder de titel de typering ‘essay’, maar dat is misleidend. Mijn eerste associatie was die met het ‘pak van Sjaalman’ uit de Max Havelaar: in zijn boek wisselt Vriezen poëzie af met essays en ‘passages’ over de meest uiteenlopende onderwerpen, zoals geëngageerde poëzie, eigenschappen van blogs, netwerkpoëtica’s en de lezer, waardevolle muziek en literatuur die ‘unboring boring’ zijn, honderd zinnen over Arjen Duinker en Jeroen Mettes, Thoreau en burgerlijke ongehoorzaamheid en de interpretatie van de laatste, lege post van Jeroen Mettes.
De teksten zijn gegroepeerd rond vier kernen: de werking van taal en poëtische vorm, ‘netwerkpoëtica’s’ en de implicaties daarvan, het ontstaan van subjectiviteit en ‘artistieke projecten die botsen met de (politieke) werkelijkheid en veelal stuklopen.’ Je hoeft het boek niet per se lineair te lezen: net als op internet maak je je keuzes op grond van het moment, je stemming, interesse et cetera.
Het is een aantrekkelijk boek, niet in de laatste plaats omdat de auteur regelmatig discussie uitlokt. Zo schrijft hij op p. 99: ‘Poëzie ontstaat niet uit reeds klaarliggende gedachten die dan verwoord worden of uit onderwerpen die behandeld worden in een bijzondere stijl.’ Hier generaliseert Vriezen. In een noot bij een betoog waarin hij zich afvraagt of er gevaarlijke poëzie bestaat, zoals weleens wordt verkondigd, schrijft hij: “Mohammed Bouyeri droeg het gedicht ‘In bloed gedoopt’ op zijn lijf, in de hoop door politiekogels doorzeefd te zullen worden na Theo van Gogh te hebben vermoord. Het bevat regels als ‘Tegen de vijand heb ik ook wat te zeggen / Je zal zeker het loodje leggen.’ Dat is wel degelijk poëzie.” Het lijkt me een schoolvoorbeeld van poëzie die wel op deze manier is ontstaan.

***
Samuel Vriezen (2016). Netwerk in eclips. Wereldbibliotheek, 349 blz. € 29,99

 

Frans Kuipers, Geen ander antwoord

Aan de nieuwe bundel Geen ander antwoord van Frans Kuipers gaat een citaat van Borges vooraf, waarin hij stelt dat poëzie ontstaat in de omgang van het gedicht met de lezer. Dat is natuurlijk zo, maar als je die probeert in te palmen, kan het mislopen. De valkuil van Kuipers is zijn behaagzucht: ‘[Ik] zei de gek zal u zeggen waar het om gaat: / een paar regels recht voor zijn raap, / het duister in dichterlaaie te zetten.’ Ik zei de gek. In dichterlaaie. Hij laat hier zijn ambities zien, maar doet dat op bescheiden, goedmoedige wijze: hij is maar een gewone jongen. Een gevoelige dromer is hij ook: ‘Het hart is de luchtkasteelpomp van mijn lied’. En grappig: ‘Nooit wordt Kuifje ouder. / Niets brandt in het donker gouder/ dan eerstelieven lang geleden / hoezeer ook dikke tantes heden.’
Tot slot toont hij met enige zelfspot een deemoed die het in spirituele kringen ongetwijfeld goed doet: ‘Ik ben maar een eenvoudige, door de wringer van de zee gehaalde, / veelmaals verdwaalde dienaar van de Glimlachende zonder Gezicht.’

De bundel zou beter zijn geweest zonder deze behaagzucht.

***
Frans Kuipers (2016). Geen ander antwoord. Atlas Contact, 64 blz. € 21,99

 

Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (samenstelling), Aan de andere oever van het verlangen

Aan de andere oever van het verlangen is een uitgave van PEN Vlaanderen. De ondertitel luidt: ‘Arabische auteurs verleiden Vlaamse auteurs’ en dat is precies wat er gebeurt. De bundel bestaat uit paren van verhalen en gedichten. Ieder paar begint met een Arabische auteur en wordt gevolgd door een Vlaamse. De titels maken nieuwsgierig: Alhadi Agabaldour (Soedan, 1971) schreef het gedicht ‘De gekke papegaai’, Delphine Lecompte volgt met ‘De profetische teckel en de analfabetische jongenshoer’. In die nieuwsgierigheid word je niet teleurgesteld. Soms zijn de paren thematisch aan elkaar verbonden, soms ook inhoudelijk. Een voorbeeld van dat laatste zijn de gedichten van Adnan Adil (Irak, 1971) en Annemarie Estor. Op Adils lange gedicht ‘Een lichaam bemest met de verwachting van Larissa en het ei van Gilgamesj’, reageert zij met een eveneens lang gedicht dat ongeveer dezelfde vorm heeft: ‘Een lichaam verlangend naar een luik en naar de hersenen van Heidegger’. (In de inhoudsopgave staat gek genoeg een variant op deze titel). Adil – of beter: zijn lyrisch ik – heeft een gedicht voorgelezen, waarin een passage voorkomt die door het ‘ik’ van Estor wordt geciteerd: ‘De aarde heeft een luik openstaan / Daar kijk ik door naar de echtheid.’ Hij snapt niet dat zij daar bang van wordt, hij beseft niet dat zij die passage verbindt met zijn ogen die ‘glanzen als ruwe olie’, die ‘de galblaas van de nacht’ hebben geroken, ‘de bodem’ hebben gezien, die ‘ooit [zaten] ondergedompeld in de inktpot van de lasteraar.’ Maar die ogen ‘zijn vrolijk tegelijk.’ Hebben pijn en vreugde een geheime relatie met elkaar?

Een aanrader, deze bundel.

***
Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (2016). Aan de andere oever van het verlangen. Uitgeverij P, 86 blz. € 16,50.
De opbrengst van dit boek gaat naar twee projecten van PEN Vlaanderen.

 

Mark Meekers / Marcel Rademakers, Alleen in een lied kan ik wonen

In de periode 1955 tot ongeveer 1970 schreef Mark Meekers – het alias van Marcel Rademakers – een indrukwekkende hoeveelheid ‘poëtische chansons’ die hij zelf uitvoerde. De muziek was leidend bij het schrijven van de teksten en dat is een wezenlijk onderscheid met poëzie, die veelal bedoeld is om te worden gelezen. Dat neemt niet weg dat er een wisselwerking plaatsvond tussen Meekers’ chansons en zijn gedichten; hij zal zich ongetwijfeld kunnen vinden Gerbrandy’s uitspraak ‘Poëzie is om te horen, ook als je haar stil leest’. Meekers schreef zelf een inleiding en onder zijn eigen naam, die hij als beeldend kunstenaar gebruikt, illustreerde hij het voorplat – sober en mooi. Een CD is meegeleverd, zodat de lezer die Meekers als zanger niet kent een goede indruk krijgt.
De chansons uit de tweede helft van de zestiger jaren vormen een herkenbaar tijdsbeeld: het is de tijd van de protestsongs van Bob Dylan, Boudewijn de Groot en anderen. In Vlaanderen was de macht van het episcopaat voor de meerderheid van de bevolking nog overheersend. Jongeren van de generatie ’68 verzetten zich daartegen en Meekers was een van hen, maar niet per se vanuit een anti-religieuze houding.
In zo’n omvangrijk oeuvre vind je natuurlijk veel meer dan protestsongs. Meekers bezingt het platteland op een weemoedige manier en toont zich daarmee verwant aan chansonniers als Jacques Brel en Ede Staal. Ook de stad is een bron van inspiratie, met name Antwerpen: ‘Ach, mijn stad, mijn stad, Sinjorenstad, / Havenstad, wonderstad’.

Het is lang geleden dat Meekers zijn laatste chansons schreef. Misschien komt het er opnieuw van als Antwerpen hem de functie van stadstroubadour aanbiedt.

***
Mark Meekers / Marcel Rademakers (2016). Alleen in een lied kan ik wonen. Concept, 160 blz. € 20,00

 

Germain Droogenbroodt, De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo

De efemere bloem van de tijd is een Nederlands-Spaanse bundel; de Spaanse versie schreef Droogenbroodt in samenwerking met de auteur Rafael Carcélen García. De bundel maakt al nieuwsgierig voor je hem hebt opengeslagen, want op het achterplat staat een intrigerend citaat van dichter en uitgever Thachom Poyil Rajeevan, mogelijk uit een brief aan Droogenbroodt: ‘Uw gedichten bevatten een serene diepte en kennis, een zeldzame kwaliteit in de hedendaagse internationale poëzie. Alleen Tagore benadert de manier waarover u over het woord mediteert.’ Tagore, de winnaar van de Nobelprijs 1913!
De Spaanse dichter, die ook het voorwoord schreef, acht Droogenbroodt eveneens hoog. Hij vindt hem een dichter van dezelfde hoogte als Celan, van wie hij niet alleen de overvloedige diepzinnigheid, vernieuwende lyrische stijl en stilte ‘perfect [heeft] geassimileerd, maar ook verrijkt heeft met het legaat van de taoïstische, hindoeïstische en boeddhistische tradities die hij in zijn werk doet samenvloeien.’
Die loftuitingen zijn vooralsnog wat overdreven. Strofen als de volgende komen bij Celan en Tagore niet voor: ‘Zoals de dag naar het morgenrood hunkert / zo hunkert ook het witte blad / naar het woord.’ De dag hunkert dus naar het begin van de dag. Vreemd. Of zou de voorgaande dag al naar de volgende hunkeren? Dat zou kunnen. Maar het woordje ‘ook’ maakt de strofe onzinnig. Vergelijk hem met een zin als: ‘Zoals hij hunkert naar het morgenrood, zo hunkert ook zij naar frisse lucht.’
Desondanks kan de bundel aantrekkelijk zijn voor mensen die houden van Oosters aandoende poëzie. Een van zijn ‘Reflecties’: ‘Het water dat zichzelf niet laven kan / berust er zich in / water te zijn.’

***
Germain Droogenbroodt (2016). De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo. Point-Editions & Boekenplan, 167 blz. € 15,90

 

Ron Elshout, In het voorbijgaan

In de nieuwe bundel van Ron Elshout staat een reeks van zeven gedichten over de schrijver Georges Perec. Het derde heeft als titel: ‘Al het andere’:

‘Het is de ervaring gevat
op het niveau van de omgeving
waarin het lichaam zich beweegt,

de handelingen die het doet,
heel de alledaagsheid die samen-
hangt met de kleren die je
draagt, het voedsel dat je eet,
de reizen die je maakt, hoe
je je tijd besteedt en hoe je
de ruimte verkent.

Al het andere blijft ongezegd –‘

Dit gedicht had geschreven kunnen worden als een karakteristiek van Elshouts werkwijze in deze bundel: hij schetst een zelfportret, in de eerste plaats door het beschrijven van personen – veelal vrouwen en meisjes – die hem lief zijn of waren. Daarnaast dicht hij over kleine wederwaardigheden uit het dagelijks leven, over musici, schrijvers en dichters die hij bewondert en, via natuurobservaties, zijn ‘winterse geest’.
De poëzie overstijgt het autobiografische. Het eerste gedicht, ‘Een opdracht aan mijn vrouw’, eindigt met de veelbetekenende regels: ‘Maar deze opdracht is voor andere ogen: / dit zijn eigen woorden aan jou in ’t openbaar.’ Hier spreekt een dichter die weet wat hij wil: hij maakt het persoonlijke herkenbaar voor de lezer en hij doet dat in ‘eigen woorden’ op een vormvaste, soepele manier die klassiek aandoet.
Enkele van die liefdevolle portretten doen wat vlak aan. ‘Angeliek’, een reeks van vier gedichten, heeft teveel ‘ik vin je zoo lief en zoo licht’- formuleringen om me te boeien. Een voorbeeld: ‘De slanke lelieblanke aanschouwt, / mijmert, weifelt, schudt haar hoofd, / / waarna ik haar met licht omgeef / dat nabij haar elpenbenen zwanenhals // breekt in de glinstering van haar / oorbel. ( … )’.
Maar die gedichten zijn in de minderheid. In het voorbijgaan is een aantrekkelijke bundel.

***
Ron Elshout (2016). In het voorbijgaan. Uitgeverij Liverse, Bordeauxreeks 37, 90 blz. € 15,95

Recensie van Dit is geen theater meer - Annemarie Estor

De zuivere honger om het vuil

Annemarie Estor
Dit is geen theater meer
Uitgever: Wereldbibliotheek
2015
ISBN 9789028426139
€ 19,95
64 blz.


Dit is geen theater meer
luidt de titel van de nieuwe dichtbundel van Annemarie Estor. Voor mij klinkt dat als de uitroep: Dit is niet leuk meer! Het was mijn eerste associatie toen ik de bundel in handen had. Een associatie die mede werd veroorzaakt door de afbeelding op de omslag: op bijna gelijke afstand van elkaar zie je drie figuren bovenop een rotswand staan. Wie stellen zij voor? Wat doen ze daar? Op wat voor orde duidt die symmetrie?

Je kent het vast wel: je bent net wakker, hebt een vreemde droom gehad, die je net verteld hebt aan je nog half slapende partner, als die, popelend, ook begint een net beleefde droom te vertellen. Zo enthousiast! 
Beleefd, om de haverklap geeuwend, luister je, reageert van tijd tot tijd met een opmerking, een vraag – Maar wat is het vervelend om andermans droom aan te horen! Het is bijna net zo vervelend als het verslag van een film die je niet gezien hebt, en die je na het verslag niet meer wilt zien ook. De emotionele impact van iets wat je meemaakt, dat je ondergaan hebt, is ontzettend moeilijk over te brengen. 
Niet voor Annemarie Estor. De dichtbundel Dit is geen theater meer heb ik ademloos uitgelezen. En direct nog een keer. Ik heb vrij veel surrealistische poëzie gelezen, ook Nederlandstalige, maar zelden was ik daarvan zo onder de indruk als van het werk van Estor. Niet in de laatste plaats, omdat haar poëzie zo goed geschreven is. 
Het eerste gedicht van de titelreeks gaat zo:

Niemand is thuis, alleen zwaarlijvige planten
en een gladde bewonderaar.

Ik sta met cognac voor het raam.
Zelfs dit hemdje drukt mij de keel dicht.

In de nachtval staan de villa’s van de buren
overeind als decors in het theater.

Als tanden in een muil.

Ik zou door ze heen willen kijken
naar wat zich elders voltrekt, in een andere tijd.

Dan, in het donkerpaars, verschuiven de panelen,
en schijnen twintig manen vol in mijn gezicht.

Of het dromen zijn die zij beschrijft, of dat zij die als uitgangspunt neemt, of dat het haar levendige verbeelding is, doet feitelijk niet ter zake. Heel sterk is het gevoel dat zij mee geeft, dat de werkelijkheid gevormd wordt door haar denken, al heeft dat blijkbaar de touwtjes niet volledig in handen: de villa’s van de buren worden decor, maar zij onthullen, als de panelen verschuiven geen andere werkelijkheid in een andere tijd, maar twintig manen. Mijn associatie was met toneellichten, maar Estors werkelijkheid is een andere, nogal verontrustende. Donkerpaars, roept dat geen reminiscenties op met religie of zelfs met rouw? Niets is wat het lijkt. We zijn ons houvast kwijt.

Estor roept met haar vervreemdende beelden wel een werkelijkheid op die gelinkt lijkt aan de harde werkelijkheid van de wereld waarin wij nu leven, en die voor mij ook op de door haar geschilderde omslag prijkt: misschien toont zij slechts toeristen die vanaf de rand van een rots naar de zee kijken, maar ik zie IS-strijders voor mij die net een aantal ongelovigen hebben vermoord. Het rituele ervan, de symmetrie, als werd er gehoorzaamd aan een hogere macht, onpersoonlijk bijna. De daders onherkenbaar, uniform: een kenmerk van elke vorm van fascisme…

En ook wij, lezers zoeken naar een vorm van orde, een handvat; vertalen elke regel, of proberen hem zo te vertalen, in een poging om ons, al is het maar een klein beetje, thuis te voelen. Alsof het theater is.
In een theater kunnen de verschrikkelijkste dingen over je worden uitgestort, je kunt volledig in de ban raken van wat zich voor je ogen afspeelt, je kunt vergeten dat je naar een toneel zit te kijken, je kunt tot tranen toe geroerd raken, wat je ziet kan samenvloeien met wat je eerder zelf beleefd hebt, de diepste wanhoop kan even wakker geroepen worden; maar goddank laat je het opgelucht in het theater achter. Als schoongewassen ga je weer naar huis, opgefrist, verkwikt, bevrijd. Catharsis.

‘Dit is geen theater meer’, schrijft Annemarie Estor. En ze houdt ons koel, beheerst in haar nachtmerries vast, alsof we er aan gewend zijn , alsof zij ons een wereld voorhoudt waarmee wij, net als zij, in het reine moeten zien te komen:

Kamers zonder ramen

Ik zit geknield in een kamer zonder ramen
en ruik hoe regens vreten aan de muur.

Een bui dringt door het dak,
druipt langs de wand.

Na jaren hoor ik een mens,
pantoffels sloffen op het zeil.
Jassen strijken langs kozijnen.
‘Ach, zijt ge hier?’

De oude houdt een vlam voor mijn gezicht.
In de stroompjes langs de muren schittert vuur.
Midden in een woestenij van rimpels
twinkelen twee ogen, oud als Ethiopië.

‘Ge weet het toch?’ vraagt hij,
‘Ge kon vertrekken, nu, en alle dagen.’

Maar de muren zijn gemaakt van wil,
het is de mijne.

Zij schrijft met de natuurlijkheid waarmee een droom zich voltrekt, maar ik vermoed dat ze eigenlijk openhartige zelfportretten schrijft. 
Geknield in een ruimte zonder ramen, tussen muren gemaakt van wil. Ze kan/kon vertrekken, maar ging niet, en waarom zou ze? In haar ervaring is zoveel schoonheid… ‘Want het schone is niets/ dan het nog net door ons te verdragen/ begin der verschrikking’, schreef Rilke in de eerste elegie van Duino.

In ‘Het dunste vlies 3’ schrijft Estor:

Het verlangen tilde ons op
tot ver boven de straatstenen.

Voeten van het dek gelaten,
geketend bij de vleugels en de nek.

Wij kenden het goed. Het was bij machte
alles te verbreken. Alles te verstieren
wat verzameld was.

En elk woord werd een leugen, elke belofte.
De letters, de zinnen werden slaven
van het verraderlijke verlangen
dat zich telkens vermomde.

Soms verlangden wij het lam te zijn
geofferd in het hemelstralen,
dan werden wij de pooier
aan de ingang van de martelkamer.

Wisten wij maar wat zou blijven:
De wens om zuiverder te worden,
of de honger om het vuil.

Wisten wij maar wat de doorslag gaf.

De stenen bleven ondoorzichtig
tot de doodslag kwam.

Een gedicht als dit is een kleine wonderkamer. Er is zoveel in uitgestald dat er telkens wel iets is dat verrast. Dat komt mede doordat Estor heel goed weet hoe taal werkt: je leest in eerste instantie de clichés die doorgaans worden gebruikt, en dan pas wat zij met de woorden, de zinnetjes heeft gedaan, en opent daarmee reeksen van associaties. Voeten van het dek gelaten, staat er, maar we blijven aan de grond gebonden: we kunnen niet vliegen en we komen niet weg van de muur. Waarom de honger óm het vuil? Het ene moment offeren we ons op, en het volgende trekken wij profijt van het lijden van anderen. Hemelstralen, martelkamer; rijmen ze niet in de verte op elkaar? Verstieren ken ik slechts als versjteren, maar roept bij mij direct een andere associatie op. Terecht? Vreemd?

Wat ik persoonlijk het belangrijkste kenmerk vind van deze poëzie, is dat ze je geest in beweging brengt. Ze zet je aan het werk, trekt je naar binnen. Of je wilt of niet. 
Maar is dat niet het doel van elke vorm van kunst? Dat ze je een spiegel voorhoudt? Wat voor zin heeft het wanneer dat niet het geval is? Er zijn gemakkelijker vormen van vermaak, die beter in staat zijn om je te amuseren. Poëzie, die belachelijke vorm van literatuur, vraagt inspanning, maar kan rijker zijn dan proza dat je vooral leest om het verhaal. Poëzie biedt je ook beelden, klanken, ritme, dynamiek; alles om iets op te roepen dat wel de naam ‘ziel’ heeft gekregen, dat ondefinieerbaar levende waarvan de herkenning als voedsel werkt voor je innerlijk. Het lijkt belachelijk dat we ons om kunst, om poëzie bekommeren, maar toch bieden ze ons iets waar goddank nogal wat mensen werkelijk naar hongeren. Het diepst menselijke waarin iedereen zich zou moeten kunnen herkennen, het intiemste theater, waarvan Annemarie Estor zegt: Dit is geen theater meer.

***
Van Annemarie Estor (1973) verschenen eerder Vuurdoorn me (Herman de Coninckprijs voor het beste debuut 2011), De oksels van de bok (Herman de Coninckprijs voor de beste dichtbundel 2013) en Het boek Hauser (2013), een beeldverhaal dat ze schreef samen met Lies Van Gasse.

Recensie van Het boek Hauser - Annemarie Estor & Lies van Gasse

Een fascinerende mislukking

Annemarie Estor & Lies van Gasse
Het boek Hauser
Uitgever: Wereldbibliotheek
2013
ISBN 9789028425422
€ 24,90
144 blz.

Wat moeten die een plezier hebben gehad, dacht ik toen ik las hoe Het boek Hauser tot stand was gekomen. De titel had mij verbaasd: ‘Het boek’. Ook voor een blinde zou duidelijk zijn dat het een boek was. Het boek bleek onderdeel te zijn van een veel groter ‘multimediaal epos dat gestalte kreeg als een open laboratorium op het web’ en dat van 2009 tot 2013 heeft gelopen. Annemarie Estor en Lies van Gasse stuurden elkaar elke week een prentbriefkaart met een strofe en vroegen gastauteurs om een bijdrage aan hun beeldgedicht, dat geïnspireerd is door de geschiedenis van Kaspar Hauser, de jongen die op 26 mei 1828 in de straten van Neurenberg opdook.

Hij kon nauwelijks lopen of spreken. Hij herhaalde steeds de zinnetjes: ‘Ik wil zoals mijn vader zijn. Ik wil een ruiter zijn, zoals mijn vader was.’ Schrijven kon hij alleen zijn naam. Hij had een brief bij zich van de arbeider onder wiens voogdij hij was geplaatst in 1812. Ook had hij een verzoek bij zich aan de kapitein van de cavalerie in Neurenberg, om hem in dienst te nemen als soldaat. Een ander briefje vermeldde zijn geboortedatum (30 april 1812) en de verklaring dat de vader van Kasper overleden en cavalerieofficier geweest zou zijn. Hij werd een bezienswaardigheid en door de stad geadopteerd. Hij leerde lezen en schrijven, en kon uiteindelijk zijn verhaal doen. Hij had geleefd in een cel van ongeveer 2×2, met een strobed en een houten hobbelpaard, en leefde op water en brood. De man die hem zijn naam had leren schrijven, was altijd gemaskerd geweest. Op 17 okt. 1829 overleefde hij ternauwernood een moordaanslag. Dat versterkte de speculaties over zijn koninklijke afkomst. Kasper werd bij een baron ondergebracht, die hem een baan aanbood als klerk bij het gerecht. Een Britse lord die probeerde om Kasper voor zich te winnen, beweerde dat hij niet van adel was, maar Hongaars. Op 14 dec. 1833 werd Kasper naar de Schlossgarten van Ansbach gelokt en daar neergestoken. De moordenaar had een enveloppe achter gelaten waarin hij zichzelf als MLO voorstelde. Later werd door o.a. de Britse lord beweerd dat Kasper zelfmoord had gepleegd.

Annemarie Estor en Lies van Gasse zijn vrij omgegaan met het materiaal, hebben er personages aan toegevoegd en er, op een manier die ik alleen maar kan omschrijven als expressionistisch, een dichtwerk van gemaakt:

Diep in de bodem hervind ik de windsels die we herinnering
noemen en wroet ik mijn leven terug tot die deur, en net als een
mol blindeer ik het zicht. Maar klauw ik mijn handen onder die
drempel, begint het te flitsen. Een felwitte ster in de grond,

ik zie hoe de aarde verkleurt tot gedaantes. Rondom haar schaduw
scharen zich dokters en zusters en draden. Het slaken van zuchten
volgt op open ogen. Het zuchten verstomt en de dokters
brommen elkaar haast onhoorbaar toe. Ze stoppen. Ik val weer.

(blz. 35)

Dit na een ontmoeting met Joris en de draak.

Archaïsche taal; archaïsche beelden, en dat in een prachtige hedendaagse verpakking. Want wat voor mij het boek boeiend maakt is niet het langdradige, verwarrende, nauwelijks beeldende verhaal waarvoor de kunstenaressen vooral hun fantasie hebben gevolgd én die van hun gastauteurs, maar de beelden die zij geschapen hebben, en die prachtig zijn vastgelegd. Hier en daar is de verf die zij gebruikten met strijklicht gefotografeerd, zodat het lijkt of je naar reliëfs kijkt, en de kleuren zijn fantastisch! De vrouwen zijn bepaald veelzijdig; het is indrukwekkend om te zien hoeveel technieken zij hebben gebruikt, en goed!

Ik heb dat bij meerdere beeldend kunstenaars gezien: waar het beeld voor zichzelf spreekt, en krachtig kan spreken met kleur die automatisch emoties oproept, lijn die richting geeft en dynamiek, daar probeerden zij hun teksten een lading, een hevigheid te geven die hun schrijfsels vaak bombastisch maakt en theatraal:

Dan gaat het snel, want de wieken bewegen steeds vlugger en Hauser
schiet als een tol door de tunnel en alles rondom hem gaat draaien.
Zo zonder midden, zo zeeziek en taalloos, zo schiet Hauser uit.
Daar in de hoogte verplaatsen zij zich naar het land in de verte.

Schietend langs afgrond en wolkendek, zo duizelt Hauser
dwars door versleutelde taal, dwars door het domein van de wijsgeer
waar talrijke grimmige tunnelbewoners nog lachen,
tot Hauser de rand van de vortex bereikt,
een opening vindt die hem drijft naar een veld.

(blz.101)

Ik kan wel invoelen wat de schrijfster bedoelde, maar ervaar het geschrevene tevens als een onmachtige poging om via taal uiting te geven aan wat zij voor zich zag. Duizelen door versleutelde taal; het klinkt interessant, maar wat betekent het eigenlijk? En dat ook nog eens door het domein van De Wijsgeer! Pardon? Daarvan duizelt het mij. Je moet je lezer(es) wel serieus nemen, zelfs wanneer je een verhaaltje van niks vertelt.

Soms blijkt niet alleen Lord of the rings, maar ook de Bijbel een inspiratiebron geweest te zijn (Nu nog zien wij in raadselen, maar straks van aangezicht tot aangezicht):

3 Het gevecht

Hoog in het dal waakt een engel.
Hij slaat Hauser liefdevol gade.
In het zwartst van Moriar ziet Michael schubben.

Soms als ik iemand aanraak zie ik het wil je het ook zien (ik zal je
hoofd pletten) nu
zien we alles als in een spiegel troebel maar later zullen we helder
zien de wind

gaat liggen mijn voeten raken nauwelijks de grond ik loop de luie
treden op de lucht
is hier beter maar jouw schaduw overvalt me o geschubde
met zes tongen

enz.

Ik word hier alleen maar erg moe van. Steeds weer vroeg ik mij af waar dit over ging, en wanneer het aan het leven zou raken, wanneer ik er iets in kon vinden dat voor mij betekenis had, een waarde. Nergens wist de taal mij te betoveren. Er werden pogingen ondernomen om het op literatuur te laten lijken, maar op een onbeholpen manier. Hier is een poging ondernomen om een kunstwerk te maken, het is met hart en ziel geprobeerd, maar ik denk dat de kunstenaressen zichzelf er teveel buiten hebben gelaten.
Wel fantasie; geen gevoel. Wel taal; maar geen beheersing. Wel beelden; maar geen verhaal.

Ik besef heel goed dat de ontstaansgeschiedenis mede debet is aan het als gedicht onbevredigende resultaat. Maar ik vind het een mooie mislukking. Een inspirerende mislukking ook. Ik vermoed dat dit boek het brein van menig dichter(es) of beeldend kunstenaar(es) in beweging kan brengen om hem of haar op een weg te leiden waar hij of zij voor lezing van dit unieke boek geen idee van had.
Dat inspirerende heeft tijdens het ontstaan van Het boek Hauser ook al om zich heen gegrepen. Onderaan blz. 103 word je verwezen naar een film op http://vimeo.com/30431912. Na afloop van de film weet je dat er een gedicht van Doina Laonid en Michael Vandebril vertaald door Jan H. Mysjkin en Pierre Gallissaires op muziek is gezet door Michael Brijs en Han Swolfs. En dat het Lies van Gasse is die je zag schilderen.

Het zal de lezer duidelijk zijn dat er veel energie in het project gestopt is. Liefde ook. Er is er nog een mede-auteur, Peter Mangel Schots, die de rol van de vader van Kasper op zich heeft genomen, en die de beste schrijver is – Misschien is de leemte die je ervaart na lezing van Het boek Hauser wel de belangrijkste aanwinst: het laat je niet los.
Ondanks de tekortkomingen: een fascinerend boek.

***
Annemarie Estor (1973) publiceerde eerder bij Wereldbibliotheek de bundels Vuurdoorn me (2010) en De oksels van de bok (2012).
Van Lies Van Gasse (1983) verschenen eerder bij dezelfde uitgever Hetzelfde gedicht steeds weer (2008), Brak de waterdrager (2011), Wenteling (2013) en de graphic poems Sylvia (2010) en Waterdicht (met Peter Theunynck, 2011).
Bij Het boek Hauser hoort ook een tentoonstelling. HAUSER. Een multimediaal epos is van 14 september tot 15 december te zien in het Letterenhuis te Antwerpen.  
Meer info en beeldmateriaal: 
http://hausergrens.blogspot.behttp://vimeo.com/25171940 en
http://www.youtube.com/watch?v=j9R3WfgJDSI

Recensie van De oksels van de bok - Annemarie Estor

Woon in mij

Annemarie Estor
De oksels van de bok
Uitgever: Wereldbibliotheek ,Wereldbibliotheek
2012
ISBN 9789028424494
€ 15,90
60 blz.

Uit veel hedendaagse poëzie zijn de mensen door de nooduitgang verdwenen. Laat staan dat in die gedichten vleselijke verstrengelingen beschreven worden.
Hoe anders is dat bij Annemarie Estor in haar nieuwe bundel De oksels van de bok.

Hier, in dit lange narratieve gedicht, wordt de liefde alleraardst genoten door de jonge vrouw Meanana en de sater Izem – half mens, half dier, half aards, half hemels.
 

   … wij vraten elkaar totdat wij in een lichaam kwamen. Ingewreven met konijn
   vreeën wij vereender met de resten van geslachte dieren.
   Wij maakten vuur van oude boeken en we blakerden de huiden,
   we beten als leeuwinnen en ademden elkanders spuug
   met teer, we zogen zwabberdialecten uit elkanders keel.

 
En een paar pagina’s later zegt die geile bok Izem:
 

   Maar woon in mij. Tussen mijn organen is een holte.
   De muren zijn van vlees, gepekeld en gedroogd.
   Leg je hoofd hier neer en slaap.

 
Er wordt een verhaal, of beter een mythe, verteld in een vaart waar menig prozaïst jaloers op mag zijn. Als lezer snel je van de ene regel naar de volgende pagina. En ik had geen enkele behoefte om thema’s te benoemen, duisterheden te ontraadselen of te letten op de gebezigde literaire technieken. Het is als met echte seks: je laat je meevoeren.

Hiermee wil geenszins gezegd zijn dat er inhoudelijk niets te genieten valt. Allesbehalve. Dit gedicht barst van de expliciete verwijzingen naar Griekse en Arabische mythen, de Bijbel, de Kabbala en naar ongetwijfeld nog veel meer bronnen van kennis. Literatuurwetenschappers zouden er al een hele kluif aan hebben om alle genoemde plaatsnamen een duiding te geven.
 
Met dit gedicht bewijst Annemarie Estor dat poëzie simultaan lyrisch en cerebraal kan zijn. Dat is een niet geringe verdienste.

****
Annemarie Estor (1973) studeerde Cultuur- en Wetenschapsstudies en promoveerde in 2004 op de Britse schrijfster Jeanette Winterson. Zij schrijft gedichten, korte verhalen en essays en is redacteur van Streven en Spiegel der Letteren. Voor de dichtbundel Vuurdoorn me (Wereldbibliotheek 2010, 2e druk 2011) kreeg zij de Herman de Coninckprijs 2011 voor het beste debuut.
Estor is ook beeldend kunstenaar.
Zie hier voor de booktrailer van De oksels van de bok.