Recensie van `Liever niet', antwoordt de liefde - Rodaan Al Galidi

De vergeefse omsingeling van de eenzaamheid

Rodaan Al Galidi
`Liever niet', antwoordt de liefde
Uitgever: De Bezige Bij Antwerpen
2013
ISBN 97890854248571
€ 19,99
48 blz.

De Iraaks-Nederlandse schrijver en dichter Rodaan Al Galidi (1971) heeft al vanaf 2000 een flink aantal publicaties op zijn naam staan, zowel proza als poëzie, prijzen ontvangen en de nodige waardering geoogst. Kort geleden kreeg hij de Literatuurprijs van de Europese Unie voor zijn prozaboek De autist en de postduif (2012). Zijn laatste poëziebundels Digitale eenzaamheid (2009) en De maat van eenzaamheid (2012) kregen positieve kritieken. Zijn nieuwe poëziebundel ligt min of meer in lijn met deze laatste bundels.
Wat me opvalt als je zijn nieuwste bundel ‘Liever niet’, antwoordt de liefde
binnenwandelt, is dat je een bloemenzee van titels binnenkomt. Of die bloemen allemaal corresponderen met de liefdesaspecten in de gedichten, ben ik niet nagegaan, maar het leidt in ieder geval tot een snel indalen in de gevoelswereld van het lyrisch ik. Tegelijkertijd word je ondergedompeld in de zielenroerselen van een ‘oude jongen’ die bijkans uiteenspat van onbeheersbare verliefdheid op de ‘zij’. Sowieso is hij verliefd op zijn eigen verliefdheid. Alles wat maar aan te prijzen is van de ‘zij’ wordt omgezet in soepel lopende metaforen, vergelijkingen, oxymorons, tegenstellingen en paradoxen. Er trad na zesenveertig liefdesgedichten met al hun lief en leed, genot en pijn, zelfbeklag en zelfverheerlijking wel een onmiskenbare vermoeidheid bij mij op. Het is allemaal een beetje te veel van het goede, en vooral maar meer van hetzelfde. Ik mis ondanks de veelal welgekozen metaforiek een betekenisvolle entresol onder dit bloemrijke huis. De tweede ruimte zoals Bernlef dat noemt. Je krijgt de indruk dat de ik zich oprolt in zijn eigen verbeeldingswereld, erin wenst te verdwijnen en uiteindelijk zich daaruit een teleurstelling rijker weer ontvouwt. Deze poëtische trucage, het metaforisch bombardement, gaat op een zeker moment zijn beeldende kracht en uitwerking missen. Je moet ook in de dagelijkse praktijk van het liefdesleven niet al te vaak en te lang voor de voeten van je geliefde gaan liggen:

ik kleed mijn nederigheid met knieën en buigingen
om voor de laatste keer in je nabijheid te zijn.

Narcissus lijkt zich diep voor zijn denkbeeldige vijver te buigen, zichzelf aan te kijken en opnieuw zichzelf te verheffen en met pijn en eenzaamheid in het hart de blik te richten op de werkelijkheid. Hoewel de ik zijn gevoelens metaforisch vergeestelijkt, is zijn vleselijke aandrijving moeilijk te scheiden van zijn geestelijke vervoering:

Bloeiend antwoord ben jij
op de vragen van de kou.
De nachtjapon maakt naakter
als hij mij je tepels toont
en je jurkje
is je benen.
Je hand
is een hemel voor het spreiden van vleugels.
Nee, ik raak je niet aan
zodat jij mijn ogen blijft.

In die zin proef je de zinnelijkheid die eigen kan zijn aan Arabische poëzie in Al Galidi’s verzen terug. Ik mis er een vleugje filosofisch esprit aan.

Vogelmelk

Bang dat je niet echt bent,
streel ik je hand.
Bang dat ik gene droom ben,
raak jij mijn hart aan.
In jou
is de wereld verbazing.
Net als het gebaar
wil je geen woorden zijn.
Mijn dorst naar jou
is mijn water
en jouw minuut
is de eeuwigheid van mijn dag.
Ik had de liefde nodig
om jou te vinden,
maar nu
heb ik jouw eenzaamheid nodig
om je niet te verliezen.
Van de boom zal ik leren
om je ruimte te bezetten
met wat boven mij verrijst.
De laatste graankorrel is voor de vleugels.
Het is mijn vliegen in mij
als ik zeg:
‘Ik bemin je.’

Al Galidi’s verzen zijn vrije verzen, wisselend van lengte, al dan niet strofisch en overwegend korte zinnen met weinig bezwerende enjambementen. De bundel bestaat uit twee afdelingen, de één gewijd aan ‘Jij’, de ander aan ‘Zij’. Iedere afdeling wordt afgesloten met een poëtische prozatekst. Eigenlijk vind ik Al Galidi meer een dichter voor prozagedichten dan voor wat we in de regel voor poëzie houden. Zijn prozateksten in deze bundel illustreren dat:

Ik hoor jouw verdriet zichzelf lezen om mij te laten weten hoe triest het is te blijven op een pagina zonder verder te gaan. Maar we blijven huiverig om deze pagina te verlaten.

Zijn hartstocht verdraagt eigenlijk geen strakke vormgeving, hoewel hij in deze bundel er alles aan heeft gedaan de overdrijving van zijn Mesopotamische temperament zo veel mogelijk aan banden te leggen. Baudelaire heeft daarover, zo lees ik bij Bernlef in een interessant essay over de vrijplaats van het prozagedicht, in een brief aan Arsène Houssaye waarmee zijn Petits Poèmes opent, zijn motief voor het schrijven van prozagedichten op tafel gelegd: ‘Wie van ons heeft, in zijn ambitieuze dagen, niet gedroomd van het wonder van een poëtisch proza, muzikaal zonder ritme en rij, soepel en weerbarstig genoeg om zich aan te passen aan de lyrische impulsen van de ziel, aan de golfbewegingen van een droombeeld, aan de sprongen van het bewustzijn?’:

Ik ben vandaag waar de liefde mij bracht
en morgen waar mijn verlies mij zal nemen.

Baudelaire was de dichter die de overpeinzing, de twijfel, het prozaïsme en de ironie het poëtisch proza binnenbracht. Al Galidi zit op dit spoor als hij spreekt over de vele aspecten van de liefde en de verliefdheid, de beheersbaarheid en de onbeheersbaarheid ervan en de intrinsieke tragiek van de onbereikbaarheid van de ander:

Doortrokken van het hart
hou ik van wat ik niet van je ken,
de afstanden in jou
die ik nooit zal afleggen,
het mysterie dat mijn overtuiging
niet kan duiden,
de eenvoud waarvan de stilte
genoeg is om hem te zeggen,
het licht in jou
dat ik kan aanraken maar niet zien.
Jouw hart stroomt in de rivier van mijn minuten
en mijn hart leert zinken in de plas van zijn dagen.

Zoek

mij.

Al Galidi is bovenal in deze bundel de meester van de metafoor. Alles wat hij aanraakt en wil zeggen over de ‘zij’ laat zich ten diepste niet anders onder woorden brengen.

Onder de hemel ben ik je armen.
Onder een dak je verte.
Zo ben ik gegaan.
Ik dacht dat ik van een zinkend schip sprong,
maar jij haalde de haven,
ik de bodem.

Hoe het ook zij, de ik blijft de hele bundel door rondzweven in zijn zelfgeschapen voorstellingen van de zij. Al haar aantrekking, afwijzing, komen en gaan zijn geïnitieerd door de ik. Deze solovoorstelling vraagt niet alleen veel van de acteur maar ook van de toehoorder en lezer. Ik denk dat je pas voluit van deze bundel kan genieten als je zelf stapelverliefd bent, ofwel in de aanloop- dan wel in de afloopfase van je eigen verliefdheidsperikelen. Geen detail van haar lijf en leden blijft onbenoemd vanuit het perspectief van zijn gulzige begeerte met haar gelijk te worden en in haar op te gaan. Alle denkbare routes heeft hij benut om haar te bereiken.
Wat ik bij Al Galidi’s attributen van verliefde ingevingen tegenkom, zijn rake en treffende vondsten:

Ik wilde dat ik je mijn woorden kon laten bewonen,
zodat mijn stem je deur wordt,
en je stilte mijn raam.

Hij is daarin een meester. Daaruit spreekt de kracht van zijn beschrijvende lyriek. De ‘zij’ bestond voor de ik slechts een week:

Ik was een week voor haar,
zij voor mij tot nu toe.
Wat ik van haar begreep
was alleen genoeg om haar te verliezen.

Lichaam en geest strijden in zijn verliefdheid om de voorrang:

Tot nu toe kan ik niet begrijpen
waarom het zo erg voor haar is dat iemand
meer van haar lichaam bezat/ dan van haar hart.

Hij eindigt zijn bundel met het prozagedicht ‘Sneeuwklokje’. Hij moet noodgedwongen afscheid nemen van zijn geliefde. Een andere vrouw dan?:

Ik trek mijn eenzaamheid aan, daal af naar de liefde.
‘En nu, wat moeten we doen? Zoeken we een andere vrouw?’
vraag ik.
‘Liever niet’, antwoordt de liefde.
‘Ik denk het ook niet’, zegt de eenzaamheid.

Liefde is niet anders dan een denkbeeldige maar vergeefse omsingeling van de eenzaamheid die in de regel deze vesting van het ik en het zij niet doet vallen. ‘De liefde staat te gapen op de mat met een appel in haar hand.’ Al Galidi schreef een bundel waarin hij de verliefdheid op een on-Nederlandse wijze in helder taalgebruik fris oppoetste.
Een toch wel fraaie vergeefsheid.

Recensie van Digitale Hemelvaart - Rodaan Al Galidi

Een dichter met twee gezichten

Rodaan Al Galidi
Digitale Hemelvaart
Uitgever: Meulenhoff
2009
ISBN 9789029085571
€ 15,00
60 blz.

Rodaan Al Galidi kwam, het zal velen bekend zijn, in 1998 naar Nederland. Hij was toen al zes jaar op de vlucht voor de Iraakse dienstplicht. Tot het generaal pardon van 2007 verkeerde hij negen lange jaren in het mentaal slopende vagevuur van asielprocedures en illegaliteit. Lessen Nederlands werden hem ontzegd maar dat weerhield hem er niet van om in het Nederlands te gaan schrijven en publiceren. En hoe. Sinds zijn poëziedebuut Voor de nachtegaal in het ei uit 2000 publiceerde hij niet alleen nog vier dichtbundels maar ook drie columnbundels en vier romans. Gezien zijn achtergrond is het niet verbazend dat veel van zijn werk getekend wordt door de haat-liefde relatie die hij heeft met Nederland. Of eigenlijk met landen in het algemeen.

Veel van de kracht van Al Galidi’s werk ligt erin dat zijn gedichten meestal kleine, min of meer grappig bedoelde, verhaaltjes zijn. In zijn karakteristieke parlando moppert hij over Nederland en de Nederlanders, zijn beslommeringen als dichter en zijn gebrek aan succes bij de vrouwen. Zijn gedichten, zijn charme en zijn accent werken op het podium samen om het publiek keer op keer in te pakken.

In Digitale hemelvaart zien we echter meer dan ooit een andere Al Galidi. Zelf verklaarde hij tijdens de officieuze bundelpresentatie in Zwolle bijvoorbeeld over het gedicht ‘Irakees fotoalbum’ dat het een gedicht was zoals hij ze graag wilde schrijven. Het soort gedicht dat hij meestal weg gooit om het te vervangen door een gedicht waarvan hij denkt dat de mensen het willen lezen of horen. Het is een indrukwekkend gedicht geworden. Misschien wel het beste gedicht dat Al Galidi ooit schreef. In de zes strofen beschrijft Al Galidi foto’s. Maar de beelden zijn tegelijk concreet en mystiek, zoals alleen Al Galidi ze kan maken. Ik citeer de tweede en de laatste strofe:

Het bloed op mijn lippen op deze foto
komt doordat ik oefende
door mezelf te bijten.
Op deze foto heeft een hond
mij net in mijn hart gebeten.

[…]

Dit is de laatste foto.
Angst in mijn ogen,
zie hoe moe ik ben.
Yasin nam de foto stiekem
twee maanden voor mijn vlucht.
Ik kijk naar het rode water van de Eufraat
en denk aan mijn kinderjaren
en hoe ik ‘s nachts durfde te rennen,
alleen
tussen de honden.
Ik beklom de heuvels,
jankte naar de volle maan,
sprong omhoog, beet erin
en volgde het glanzende bloed
naar huis.

In de meeste van zijn gedichten werkt Al Galidi een enkel beeld uit tot een soort vertellinkje. Dat hij in dit gedicht een stroom minder uitgewerkte maar daardoor zeker niet minder krachtige beelden presenteert, is iets van een stijlbreuk. Maar het is een welkome aanvulling. Al Galidi vertelt in dit gedicht waar hij anders vier gedichten voor nodig had gehad.
Echter, zelfs in dit fantastische gedicht valt op dat Al Galidi’s beheersing van het Nederlands nog steeds te kort schiet. De zin ‘Het bloed op mijn lippen op deze foto komt doordat ik oefende door mezelf te bijten’, zo zonder regelval geciteerd heeft iets houterigs. Met dat twee keer ‘door’ en ‘Het bloed komt doordat’ waar een Nederlander eerder zou zeggen ‘ik heb hier bloed op mijn lippen omdat’. Natuurlijk is het poëzie en is in principe alles toegestaan maar het voelt op de een of andere manier niet natuurlijk. Hetzelfde geldt voor ‘De angst in mijn ogen, zie hoe moe ik ben’ en veel andere regels uit Digitale hemelvaart.
In de rest van de bundel staan vele van dit soort kromme zinnetjes en ook veel kleine maar storende foutjes. Zo worden in ‘Op de sneeuw’ ‘schrijvers van kranten’ uitgescholden: ‘De huurlingen! / Ze worden betaald door kranten en partijen!’ en staat er verderop in het zelfde gedicht ‘[…] twee zinnen: / ‘Ook wie goed schrijft, / kan hier niet blijven.” Daar had dus ‘twee regels’ moeten staan. De redacteur had hier wat mij betreft wel wat meer aandacht voor mogen hebben. Het was de bundel zeer ten goede gekomen.

Verder hebben wel heel veel van Al Galidi’s gedichten de vorm van een opsomming en worden sommige van zijn thema’s zo langzamerhand oud. Voor een succesvol dichter moppert Al Galidi ook wel heel veel over het gebrek aan waardering en het thema ‘Nederland en zijn regeltjes’ heb ik inmiddels ook wel een beetje gezien.

Maar, dat allemaal daar gelaten, is Al Galidi een knap dichter. Hij excelleert vooral in het uitwerken van een licht absurd, sterk symbolisch, beeld. Zoals in ‘Eindelijk een bed’, waarin de ik-figuur vertelt hoe hij na een ongeluk drie jaar op de stoep ligt voordat de ambulance komt. De broeders maken hun excuses en dan: ‘In plaats van sirene en zwaailicht / draaiden ze zachte muziek / en dempten het licht voor mij.’ En even verderop: ‘De chirurg en de verpleegkundigen / waren verbaasd / dat de wond nog open was, / terwijl het bloed op was.’ Huiveringwekkend mooie beelden van een dichter met een unieke manier van denken en kijken.

Rodaan Al Galidi is in meerder opzichten een dichter met twee gezichten. Een dichter die zich enerzijds misbruikt en verziekt voelt door ons land met zijn vele geschreven en ongeschreven regels maar anderzijds niet kan leven zonder zijn Nederlands publiek. Een dichter wiens beheersing van de Nederlandse taal vaak tekort schiet, maar die ook toegankelijker, vloeiender en beeldrijker een verhaal weet te vertellen dan vele ‘autochtone’ dichters. Een gekwelde dichter enerzijds, die wil schrijven over demonen uit een donker verleden, anderzijds een dichter die schrijft voor het podium, voor de lach van het publiek.
Wie is de echte Al Galidi? Moet deze dichter niet eens ophouden een pleaser te zijn en gaan schrijven wat hij diep van binnen wil schrijven? Dat dat tot mooie gedichten leidt kunnen we in Digitale hemelvaart zien. Maar tegelijkertijd zijn er al zo veel dichters die schrijven wat ze diep van binnen willen schrijven en later wel zien of er een publiek voor is. En we weten allemaal waar dat toe leidt: onverkochte oplagen, lege zalen en de beschuldiging dat de poëzie zich vervreemdt van zijn publiek.
En dat zijn drie dingen waar Al Galidi geen last van heeft. Terecht.

Recensie van De laatste slaaf - Rodaan Al Galidi

SLAVE-TRAP

Rodaan Al Galidi
De laatste slaaf
Uitgever: Meulenhoff | Manteau
2008
ISBN 9789085421665
€ 19,95
96 blz.

 
In een bespreking van Lut de Blocks bundel De luwte van het late middaguur schrijft Yves T’Sjoen: ‘Zolang het onderwerp de poëzie regeert, blijft het al te expliciete dominant en ontbreekt het aan lyriek (en alles wat dat genre als mogelijkheden in zich draagt).’

Daarmee zegt hij, dunkt mij, niet alleen dat nadrukkelijkheid ten koste gaat van meerduidigheid. Impliciet geeft hij ook lucht aan het door veel VIPs in dichtersland aangehangen standpunt dat een onderwerp er in de poëzie relatief weinig toe doet. Niet wat, maar hoe is interessant. Een standpunt dat wel te verklaren is: de trends in het huidige Nederlandse poëzielandschap worden grotendeels aangestuurd door lieden, die vooral geïnteresseerd zijn in de ontwikkelingen binnen hun eigen vakgebied: de taal. Logisch dus, dat dáár de klemtoon ligt. De inhoud is voor hen niet zo belangrijk, de vorm des te meer, en daarmee moeten dichters het maar doen: op het gevaar af door niemand meer gelezen te worden. Wie beweerde trouwens ook al weer dat vorm en inhoud nooit helemaal te scheiden zijn? Ach, men vergeet weleens dat wie een schilderij van een paard koopt, het toch óók koopt omdat er een paard op staat. 

Het onderwerp de poëzie laten regeren is één ding. Hoe zouden de poëzie-VIPs het vinden als een dichter een boodschap wil uitdragen? Degradeert dat niet – om even in de paarden-metaforiek te blijven – het paradepaard dat poëzie kan zijn tot een soort van trekpaard? De vraag stellen is bijna hem beantwoorden, maar toch, men zou het zich af kunnen vragen. Men zou het zich met name af kunnen vragen bij Al Galidi’s nieuwe bundel: De laatste slaaf . En hij lijkt zich van het probleem bewust, want in een nawoord met de titel SORRY schrijft hij:  ‘Als een schrijver een voor- of nawoord schrijft, heeft hij geen vertrouwen in zijn werk of geen geloof in zijn lezers. In mijn geval heb ik geen vertrouwen in dit werk. De reden daarvoor is dat ik een boek wilde schrijven tegen de media. In mijn fantasie waren er twee beelden: het raam en het scherm. Achter het raam zat een mus, achter het scherm een nieuwslezer. Achter de mus de wereld, achter de nieuwslezer de reclame. Achter de wereld God, achter de reclame de heer…’ 

Tja, dan moet je maar niet tegen die media willen schrijven. (Dan moet je van te voren misschien maar helemáál niet teveel willen, als je goeie poëzie wilt schrijven.) Maar toch een aardig stukje, dit nawoord: ook de rest ervan, waarin Al Galidi zijn beweegredenen duidelijk maakt om deze bundel (dit ‘boek’, zoals hij het noemt) te schrijven. Dit nawoord is overigens ook de belangrijkste reden waarom ik denk dat hij een boodschap heeft. Want waarom zou een dichter zich überhaupt drukmaken over hoe hij wordt begrepen? Nou ja… Bij die mus moest ik als typische Nederlander natuurlijk gelijk denken aan Domino-Day. Daarbij was ook een mus betrokken, en die moest meteen dood. Soms kan men blij zijn met een dooie mus (dus). Tekent dat ons? Al Galidi lijkt te denken van wel. Een leuk staaltje ironie, als we met de milieu-problematiek in ons achterhoofd bedenken dat die mus voor de wereld staat.

Maar heeft Al Galidi echt geen vertrouwen in zijn werk? Hij zegt wel van wel, maar wekt tegelijkertijd de indruk het aarzelen, het ‘niet vertrouwen hebben in’ tot een stijlprincipe te willen verheffen. Wie anders begint een bundel door VIER keer een ‘mislukt begin’ te schrijven:

HET DERDE MISLUKTE BEGIN

De Wereldbank
pakte haar zweep
en geselde de naakte kont
van het verschuldigde land.
Ziekenhuizen, apotheken en bakkerijen
schreeuwden van pijn.

Zwart vet van boeken
bleef stilzitten op zinnen
om niet te verbranden.

Microfoons
bleven woorden opblazen
en in de lucht
oplaten.

De tweede strofe van dit gedicht roept voor mij een beeld op van boeken die zich moeten inhouden om niet verontwaardigd iets te zeggen. Mogelijk gaat het hier om speciale, gezaghebbende boeken, zoals bijvoorbeeld de Koran of de Bijbel. Zouden de schrijvers daarvan veroordelen wat in de eerste strofe wordt beschreven?

De woorden die worden ‘opgeblazen’ in de derde strofe, lijken heel ergens anders vandaan te komen. Alsof hier iemand loze beloften uit: holle woorden, die als luchtballonnen worden opgelaten. De microfoons, kortom, staan voor de media, waartegen Al Galidi ageert.

Maar waartegen ageert Al Galidi werkelijk? Hij heeft er zelf ook moeite mee om het te definiëren. De media worden in het nawoord waaruit ik al eerder citeerde al gauw vervangen door ‘het Westen’ en ‘Amerika’; en door ‘geweld’. Geweld dat geweld oproept: ook bij de dichter zelf. Dus corrigeert hij zichzelf en gooit het over een andere boeg: hij neemt als basis voor zijn boek de, zeg maar, ‘letterlijk’ op te vatten metafoor dat de wereld van nu (nog steeds) bestaat uit heren en slaven:

DE OFFICIËLE

Omdat ik de laatste slaaf ben,
betaalde mijn vader
zelfs de zweep die zijn kont heeft geslagen
en smeekte
om mijn papieren
als officiële slaaf.

Op mijn achttiende
huurde ik een advocaat
om toestemming te krijgen om
gegeseld,
in mijn gezicht gespuugd,
met kettingen, touwen en woorden vastgebonden,
met vuur gebrand te worden
en
smekend
te knielen
op tapijt.

De zweep
leerde mij
niet naar schilderijen te kijken,
maar naar de spijker die ze draagt
en zijn kunst te begrijpen.

De hand
leerde mij
dat de sleutel naar buiten leidt
en niet de deur.

Is dit nu een goed gedicht? Al Galidi doet me regelmatig op twee gedachten hinken. Soms vind ik hem vreselijk flauw, en dan weer bijna briljant. In dit gedicht overheerst het flauwe – ondanks die fraaie metafoor van de schilderijen en de spijker die ze draagt: de spijker die immers zoveel méér vertelt over de wereld achter de ‘schermen’. Maar het onderwerp blijft toch teveel alleen maar het onderwerp, en ik vrees dat ik Yves T’Sjoen gelijk moet geven: ik voel meer voor gedichten waarin de lyriek een grotere kans krijgt.

Een goed voorbeeld daarvan – misschien wel het beste uit de bundel – vind ik:

 DE LAATSTE SLAAF VEEGT ZICHZELF UIT DROMEN

De dromende vrouw
op haar balkon
drinkt niet
uit de emmer.

Geluidloze waterpomp,
kleiner dan haar hart.
Met een onzichtbaar pijpje
sluipt het water
naar haar dorst.

Als ze mij
in haar dromen
de gangen ziet schrobben,
beveelt ze mij zachtjes
om mezelf
van trappen te vegen.

Hier lijkt het onderwerp dat de bundel domineert ondergeschikt aan iets anders. Komt dat door de humor? Misschien. Het heeft wel iets grappigs, dat beeld van die schoonmaker die zichzelf van trappen moet vegen. Maar er is meer. Dit gedicht overstijgt in zekere zin het onderwerp. De dorst van de dromende vrouw, die tegelijk een soort droomvrouw is, kan ook een dorst zijn naar iets anders: iets waarvan ze droomt. En wellicht past dat niet in een emmer! Het is iets buiten de normale wereld, iets dat niet uit te spreken is: een ‘geluidloze’ waterpomp brengt het water via een ‘onzichtbaar’ pijpje naar haar dorst. En die waterpomp, kleiner dan haar hart, laat tegelijkertijd zien hoe groot haar hart is: de waterpomp zal nog héél lang door moeten pompen om haar hart te kunnen vullen. De vrouw weet waarschijnlijk dat ze niet zomaar krijgt waarvan ze droomt, ze zal nog veel geduld moeten hebben.

De laatste strofe wordt duidelijker wanneer we aannemen dat in een perfecte droom-wereld geen plaats is voor slaven. De vrouw beveelt in haar dromen de slaaf te verdwijnen van de trappen, die ‘perfect schoon’ moeten zijn om in een perfecte wereld te passen. Nu kan men dit als een harde opstelling zien: de vrouw is dan een verwend kreng en vindt gewoon dat schoonmakers zelf ook vuil zijn en daarom niet in haar perfecte wereld thuishoren (helaas: it goes with the job); maar er is nog een mogelijkheid, een meer abstracte: in een perfecte wereld zit niemand op een trap. M.a.w. in een perfecte wereld bestaat het verschil tussen ‘hoge’ en ‘lage’ mensen niet. Eigenlijk beveelt ze dus de dichter om op te houden in termen van ‘hoog’ en ‘laag’ te denken en wil ze dat hij niet meer discrimineert (het werkwoord hier letterlijk in de betekenis van ‘onderscheid maken’). Ze brengt de heer-slaaf problematiek tot zijn essentie terug. De vrouw, die werkelijk een droomvrouw is, droomt van een ideale wereld, maar brengt de boodschap van die wereld op de minst opdringerige manier: zachtjes, mischien zelfs zonder woorden! Ach, weten vrouwen het vaak niet veel beter? Vooral als het erom gaat om bruggen te bouwen…
Of Al Galidi het allemaal zo bedoeld heeft? Misschien bestaat het geluk per ongeluk dat deze betekenis in het gedicht kan worden gelezen. Maar het kenmerkt de mogelijkheden van de lyriek, waarover Yves T’Sjoen het had. Een lyriek die door zijn onnadrukkelijkheid bijna werkt als een Rorschach-test. En zijn geschreven woorden, strikt genomen, ook geen inktvlekken? De lezer kan er veel van zijn eigen fantasie in kwijt.

Ik denk dat Al Galidi ook een bruggenbouwer wil zijn. Niet alleen n.a.v. dit gedicht, maar ook door wat hij schrijft aan het eind van het nawoord:Dat waren de ideeën die door mijn hoofd maalden toen ik bezig was met dit boek. Een student van de middelbare school kan al mijn ideeën weerleggen, maar dat is niet het punt. Jij eet misschien een boterham om een brug over te kunnen steken, een ander moet een half gebakken kip verorberen om dat te doen. Het gaat om het oversteken van de brug.’

De grootste angst van een bruggenbouwer is radicalisme. Radicalisme dat leidt tot polarisatie en uiteindelijk tot iets dat de rollen van meesters en slaven bevestigt. Radicalisme en nadrukkelijkheid gaan goed samen: ze zijn vriendjes. Maar radicalisme en lyriek liggen elkaar veel minder: het onnadrukkelijke en meerduidige dat goeie poëzie kenmerkt, laat zich maar zelden gebruiken om een boodschap te verkondigen. Een boodschap verschilt, wel beschouwd, niet zo heel veel van een bevel. En een bevel heeft iets dictatoriaals: iets dat letterlijk ‘dicteert’. Pablo Neruda zei het al, in ‘De onzichtbare’, een van zijn Odas Elementales:

Er is een staking
en er komen soldaten
en ze schieten op het volk,
dat wil zeggen op de poëzie…

Het volk, dat altijd pluriform is en zich niet voor één gat laat vangen, staat gelijk aan poëzie! Het briljante van Pablo Neruda is natuurlijk dat hij, ondanks het feit dat hij soms ook een boodschap lijkt te hebben, die boodschap zo onnadrukkelijk weet te verpakken, dat hij meestal toch poëzie schrijft. Dat lukt Al Galidi minder goed. Hoewel hij zijn best doet en zijn gedichten zo los en luchtig mogelijk opschrijft, blijven ze te ééndimensionaal, blijft hij – in deze bundel althans – te weinig een bruggenbouwer van woorden en teveel van ideeën. Misschien omdat hij – zoals hij het zelf zegt – de laatste slaaf is… van zijn angst om een lezer helemaal vrij te laten.

***
Begin 2007 had Sander de Vaan voor Meander een interview met Al Galidi. Lees het hier.