Recensie van Opgezet spel - Het venijnig gebroed

Vijf dertigers als jonge honden

Het venijnig gebroed
Opgezet spel
Uitgever: Poëziecentrum ,Poëziecentrum ,Poëziecentrum
2012
ISBN 9789056552459
€ 17,50
71 blz.

Opgezet spel is een bloemlezing uit het werk van vijf dichters die samen het dichterscollectief ‘Het venijnig gebroed’ vormen. De bundel heeft geen thematische opzet en kent geen sterke cohesie. De groep lijkt vooral de individuele kwaliteiten te willen tonen: achterin is bij de bio’s te zien welke dichter welke gedichten geschreven heeft.
Een program presenteert ‘Het venijnig gebroed’ niet, wel een inleiding met de verklaring dat de groep de poëzie wil verlevendigen en daartoe al vijftien jaar lang creatieve, vernieuwende manieren van optreden beoefent.
Helaas heb ik ze nog nooit zien optreden. Een gedicht blijft een gedicht, denk ik, maar de manier van presenteren en publiek zoeken kan een enorm verschil maken. De inleiding maakt alvast geïnteresseerd.

De vernieuwingsdrang is op papier echter nauwelijks op te merken. Een van de dichters doet enkele uiterlijke pogingen door een Franstalig gedicht als liedtekst te presenteren, compleet met notenbalken. Een ander gedicht van deze dichter is een tekening van (computer)letters, van een naakte vrouw die haar borsten bedekt, met in de afbeelding in het Nederlands, Engels en Frans het gedicht.
De overige gedichten van de bundel houden zich in hun lay-out keurig aan de conventies.
Ook tekstueel en inhoudelijk zie ik weinig vernieuwende krachten. De gedichten blijven dicht bij de makers, persoonlijk en oprecht. Veel, erg veel liefde, en verder gedichten over seks, over het stadse leven, een enkele keer over de ruimte. De grammatica wordt grotendeels gerespecteerd. De toon is oprecht. Pretentie, kwaliteit en inhoud hebben de juiste balans, al vind ik lang niet alle gedichten even geslaagd.

Opgezet spel is een fijne, vermakelijke bundel met enkele erg mooie momenten.
Maar vernieuwend? Nee.

De kwaliteit van de bundel blijkt uit kleine dingen. In het gedicht ‘Wegomlegging naar het korenveld’, een lang volgehouden metafoor waarin landschappelijke elementen op verlaten liefde wijzen, volgt een mooie strofe op deze, op zichzelf holle strofe:

Laat me door je velden glijden
en er zachtjes sterven
ik kap geen bomen meer
ik ben het beuken moe

Tja, dat ‘door je velden glijden’, het is duidelijk, maar ook te dik er bovenop. En daarna sterven, zachtjes sterven zelfs: even pathetisch als krachteloos. De woordgrap bomen / beuken leidt verder af.
Maar dan:

ik zeg je
dat er nog steeds dwergen in je bossen huizen
die in struiken pissen
en aan kleine takken zuigen

Dat is andere koek! Dit beeld komt tot leven. Geen statische regels of lege frasen, die zo af en toe in de bundel opduiken, maar een origineler, sprookjesachtig beeld dat zich in de regel erna (‘die in struiken pissen’) direct ontwikkelt.
Ook in een ander gedicht van dezelfde dichter, het tweeluik ‘Het moeras en zijn gebreken’, duikt die wisselvalligheid op: ‘trek me tot ver achterin je ogen / en draag me naar een afgelegen vijver // en huil als het godverdomme regent’. De opeenvolging is onjuist (hoe kun je mij wegdragen als ik achterin je ogen zit?), maar dat daargelaten: het is mij te emotioneel en te plat. Toch kent ook dit gedicht erg mooie momenten. Zoals deze overtuigende zin: ‘en ’s nachts droom ik / van vergeten schimmels op natte muren / en van het stof op verre wegen / dat schuurt / in de plooien / van vogels / die waaien naar / waar wolken botsen / tegen het witte Engeland’. Korte, dwingende regels en sterke beelden: dit overtuigt!

Een van de dichters schrijft met het afsluitende ‘Disco macaber’ een gedicht met wederom tegenvallende passages (‘klauwen van kraaien / klikken op kale takken’, ‘de maan huilt’) naast een veel mooiere zin als ‘met kranten en plastic zakken / kleedt zich de onweerwind’. Het gedicht toont de wereld, de natuur, de nacht, in termen van muziek, instrumenten en feest. Het overtuigt helaas niet, hoewel de mooie passages wel wat goedmaken.
Hoe anders is het gedicht ‘Babel’, van dezelfde maker: een vijfluik over liefde. Hoewel niet alle beelden en metaforen even sterk zijn, staan er treffende zinnen tussen. Sterk: de syntaxis wordt her en der verlaten, zodat het gedicht zoekt naar richting zoals geliefden zoeken naar elkaar. Het begin van het eerste gedicht:

Eindelijk.

Tussen twee vingers
aan de horizon hield ik haar
de over jaren uitgerafelde
zeer ragfijne zucht van haar.

Vanzelfsprekend was het
geen ster die de weg verlichtte

maar de morsecode van een rilling
als van een droom de dwarsdoorsnede
ijzer dat kleeft aan aderen en zo
de tinteling van een richting

Erg geslaagd vind ik het vierde gedicht uit het vijfluik, dat erg dwingend is opgebouwd. Een fragment:

van jou
van de tweelingzonnen
van een verzonnen planeet
van de wijze waarop je
van het veroveren
van Babel
van betekenis
van alles
van jij

Geestdrift straalt de groep uit, en de geestdrift druipt van deze bundel. Het is een risico om met zulke rock ’n roll-achtige gedichten voor de dag te komen, een risico dat soms verkeerd uitvalt. Maar het levert wel de meest eerlijke indruk van ‘Het venijnig gebroed’ op.

***
Het venijnig gebroed is een dichterscollectief dat sinds 1997 bestaat uit albrecht b doemlicht (1975), Frederik Lucien De Laere (1971), Ann Slabbinck (1978), Denis S. M. Vercruysse (1975) en Jan Wijffels (1979). Zij willen nadrukkelijk gezien worden als podiumdichters. Van hen is De Laere de bekendste. Hij publiceerde drie individuele dichtbundels bij het PoëzieCentrum: Paniek in het circus, De martelgang en Secuur.