Recensie van Wijvenheide - Luuk Gruwez

Veel vleselijkheid, gekruid met humor

Luuk Gruwez
Wijvenheide
Uitgever: De Arbeiderspers
2012
ISBN 9789029583299
€ 17,95
82 blz.

 
Volgens de tekst op de achterkant van Wijvenheide’ vindt Luuk Gruwez zichzelf in deze bundel opnieuw uit. "Zijn thematiek mag dan bekend zijn, de uitwerking is wederom volstrekt origineel.” Oh. De naam en de reputatie van deze dichter waren mij wel bekend, maar tot nu toe had ik nog geen hele bundel van hem gelezen. Ik loop niet heel warm voor:

Laat ons naar Wijvenheide gaan.
Hoe jammerlijk dat afstanden bestaan,
maar wie per se naar Wijvenheide wil,
komt ook in Wijvenheide aan.

Wijvenheide, eerste strofe

De grap van de titel ontgaat me. In de aantekeningen lees ik: "Wijvenheide uit het gelijknamige gedicht is een heidegebied, gelegen nabij de Wijvennen of Witvennen in het Limburgse Zonhoven." Aha, er is hier sprake van een ‘verkeerd beentje’ Het accent ligt anders dan het woordbeeld suggereert. Dat is dan de grap van Wij-ven-heide. Misschien moet je de plek kennen om de titel en het gedicht te waarderen, misschien heeft Gruwez er zijn eigen associaties mee.

Gruwez beschrijft nog een aantal plekken in Vlaanderen en daarbuiten. Het tweede deel van de bundel heet niet voor niets ‘mise-en-place’. Dit deel wordt afgesloten met een hommage met knipoog aan Hendrik van Veldeke, de middeleeuwse dichter.

Veldeke forever

(…)

Want dag na dag, in koninkrijk of negorij,
wordt het wel ergens ochtend zonder vleselijke averij.
Straks noemt men elkaar nog U. U, U, U. Alsof men kukelt,
kakelt, net als ik. Is liefde dan een spraakgebrek? Ach, weet je wat,
ik wacht een eeuw of acht en laat mijn ego in die verre tijd
naar feestbanket, naar galabal of disco gaan. Gegarandeerd giet men
wel ergens beelden van mij af. maar uit niet één zal ik ontsnappen, ik,
heer van stand, gemaakt in steen, daarin versteend.
Zelfs niet als naast mijn kleine teen zo’n ding passeert,
nog lang niet uit het ei, met tongpiercing en iPod in de oren.
Zo’n meisje dat ik toe zou willen roepen dat ik het ben,
Hendrik van braven huize en met respectabele kloten,
en dat ik hier destijds de liefde uitgevonden heb.
En of zij niet voorgoed van mij? Of minstens toch voor even?

(laatste strofe)

Dat is smakelijker koek.
Het best heb ik me vermaakt met het derde deel: ‘een minnaar voor elk lichaamsdeel’, geschreven bij Venus, een schilderij van Lucas Cranach (ca. 1518). Deze cyclus opent met: 

Venus’ voorspel

Al mijn lichaamsdelen wens ik u te presenteren
zodat u mij van top tot teen bekijken kunt. Ik zie
uw pukkels en uw sproeten wel. Ik neem uw pens waar
en uw stekelhaar. En zelfs die oppergaai van u: ik zie hem staan.

Maar toch willen mijn actuele borsten, roemrijke vorstinnen,
meteen al voltijds naar uw aandacht en naar uw gunsten dingen.
Mijn schouders, mijn ogen of mijn oortjes? Idem dito.
Van heel het vrouwendom ben ik het pars pro toto.

Wenn man nicht schön ist, soll man etwas Schönes machen:
ik leg mijn woorden op Herr Cranachs lippen. Herr Cranach,
niet bepaald een spetter, maar mijn mentale pooier en poëet.
Ik wil beschikken over al mijn lichaamsdelen,

alom bekleed met kippenvel, het braille van de lust.
Schenk mij een streelzucht, amper draaglijk. Laat
mij bijvoorbeeld hierop hopen: dat ieder onder u mij wil.
Want mis ik ook maar een van u, dan mis ik heel de wereld.

Al is het misschien ‘not done’, ik kan het niet laten om hier te verwijzen naar mijn eigen gedicht ‘pro toto‘, elders op Meander te vinden. Toen ik ‘Venus’  voorspel’ las, glimlachte ik omdat Gruwez op een heel andere manier met dezelfde gedachte heeft gespeeld. De cyclus gaat verder met zesregelige gedichten die respectievelijk het oog, de haren, de hals, handen, voeten, borst, borsten, achterwerk en ‘het paradijs’ behandelen. En wordt afgesloten met Venus’ epiloog. Ook Venus is in deze tijd ‘… piercings rijk en talloos veel tattoos.’

Mijn conclusie is dat het titelgedicht niet de mooiste vlag is om de lading van deze bundel te dekken. Er staan veel interessanter gedichten in. Vleselijker en geestiger, een smakelijke combinatie.

***
Luuk Gruwez (1954) is dichter, essayist en prozaschrijver. Hij publiceerde eerder de bundels Stofzuigergedichten (1973), Ach, wat zacht geliefkoos om een mild verdriet (1977), Een huis om dakloos in te zijn (1981), De feestelijke verliezer (1985), Dikke mensen (1990), Vuile manieren (1994), Dieven en geliefden (2000), Allemansgek (2005) en Lagerwal (2008).
Twee keer verscheen een bloemlezing uit zijn poëzie: Bandeloze gedichten (1996) en Garderobe (2010)

Recensie van Garderobe - Luuk Gruwez

Want alles gaat voorbij, maar niets gaat over

Luuk Gruwez
Garderobe
Uitgever: De Arbeiderspers
2010
ISBN 9789029572958
€ 19,95
318 blz.

De wereld van de schrijvers zal zich, aldus Jean Paul Sartre in zijn essay Wat is literatuur?, slechts in al haar diepte ontplooien in de beschouwing, de bewondering, de verontwaardiging van de lezers. De dichter neemt de vrijheid zijn ideeën, zijn dromen, zijn gevoelens aan het papier toe te vertrouwen. Maar daarmee erkent hij tegelijkertijd de vrijheid van de lezers als zij de bundel openslaan. Van welke kant je het ook beziet, een kunstwerk is een daad van vertrouwen in de vrijheid van dichter en lezer. De dichter ontsluiert de wereld en beschouwt het als zijn taak zijn poëzie aan de vrijgevigheid van de lezer voor te leggen. De lezer vervult daarmee een onthullende en scheppende activiteit. Hij stelt niet zijn eigen wetten aan het te lezen gedicht, maar ziet zich als een ‘samenstellend’ onderdeel van de te lezen poëzie. Uiteindelijk is het doel van alle kunst: de wereld terug te vinden door haar te laten zien zoals zij is, maar bovenal alsof zij haar oorsprong in de vrijheid van de dichter en de lezer heeft.

Ik proef bij lezing van de nieuwste bundeling gedichten van Luuk Gruwez, onder de titel Garderobe (2010), dat hij de ruimte van die vrijheid probeert in kaart te brengen. Verkenningen van het eigen innerlijk landschap, zo zou ik zijn poëzie in eerste instantie willen typeren.
In 1996 verscheen onder de titel Bandeloze gedichten een bloemlezing uit het werk van Luuk Gruwez dat in ruim twintig jaar daarvoor was ontstaan. Die bloemlezing is al een poos niet meer verkrijgbaar en in de jaren die verstreken, verschenen vier nieuwe bundels. Uit het geheel is nu opnieuw een bloemlezing samengesteld, onder de titel Garderobe. Uitgangspunt voor Garderobe vormt de eerste bloemlezing, waarvan een strenge selectie voor deze nieuwe bloemlezing bewaard is gebleven.

De aanblik van de ‘garderobe’ op de omslag roept bij mij gemengde gevoelens op. Wat daar aan blouses, jumpers of vestjes is te zien, nodigt mij niet bepaald uit ze ooit weer eens voor de dag te halen, laat staan ze aan te trekken. Ze zien er wat aftands en afgedragen uit. Vergan(kelijk)e kleding. Wel moet ik zeggen dat er een sfeer van geheimzinnigheid rond deze kledingstukken hangt. Dan toch maar de bundel openslaan? Je zou willen weten, wie ze heeft gedragen en wie ze zal gaan dragen. Krijgen we een hand, een schouder, een lichaamsdeel te zien? Je zou de kledingstukken ondanks de aanvankelijke weerzin willen aanzien. Pas dan zullen ze hun kleur, hun vorm, hun kwaliteit tonen in het samenspel met de drager. Kleren maken de man en de vrouw, maar de man of de vrouw maken ook de kleren. Is het ook niet zo met poëzie? Krijgt poëzie, met inleving voorgedragen of gelezen, niet pas haar werking als de toehoorder of lezer eraan te pas komt? Maar is het bovenal niet zo, dat elke lezer telkens weer het wonder aan zichzelf kan laten voltrekken vanuit zijn verworven kennis en ervaringen de betekenis in de woorden te wekken?

Gruwez gaf aan één van zijn bundels, Allemansgek, een motto van Fernando Pessoa mee: ‘Mijn God, mijn God, wie woon ik bij? Wie ben ik? Wat is die tussenfase die er is tussen mijzelf en mij?’ In deze hang naar identiteit ligt de moeite met dit dagelijkse, bizarre bestaan die Gruwez in menig gedicht bij mij oproept. In het titelgedicht van deze bundel staat allemansgek voor het raam, wordt bijna gek en merkt dat de tijd aan hem knaagt. Het leven buiten hem bloeit en hij vraagt zich af wie of er nog iemand met hem in zee zou willen gaan. Aan wie stelt hij überhaupt die vraag? ‘Schnell. Schnell. Kom allemaal. Bemachtig mij./ Bevrijd mij van mij. Wees mij. En vergeet mij.’//’. Liefde voor en medelijden met zichzelf strijden om de voorrang. Hier rijst het beeld op van een mens in verwarring en tweestrijd.
In deze bundel verplaatst de ik zich in meerdere personages: God, de dichter, vrienden en vriendinnen. Hij probeert in de huid van de ander te kruipen. Maar wie is hij zelf? God schrijft hem een brief: ‘ Ik was daar niet, had niet bepaald mijn dag./ Maar pas had ik Saturnus en de manen rond Uranus klaar./ of, zie, ik moest al tijd en taal verzinnen/ en titels bij de meeste van mijn werken.//’ […] Om maar te zeggen, lieve vriend:/ het moet beslist een ander zijn geweest,/ een concurrent met meer talent,/ die iets zaligs en zachtaardigs heeft.//’. Deze identiteitscrisis heeft ook alles te maken met Gruwez’ onuitwisbare besef van vergankelijkheid. Hij vertolkt dat beeldrijk in een gedicht als ‘Dichter’ naar aanleiding van een versregel van Louis Aragon: ‘Celui qui chante, se torture.’

Nog voor zijn dood verdween zijn gedicht.
Daar was geen donder aan te doen. Het eerst
raakte het eindrijm zoek, daarna een versvoet,
vervolgens enjambement, metafoor, metoniem.
En dan, ineens, was het volledig weg.

Er werd om opsporing verzocht.
Bosschages werden uitgekamd,
in grachten en in vijvers werd gedregd.
Er werd, er werd, er werd. Met man en macht.
Was het misschien geruisloos weggevlogen?

Ten slotte werd de dichter zelf, ver heen
en nog ternauwernood te spreken,
gepolst omtrent wat spoorloos was.
Hij nam een pen en schreef het op,

waarbij hij langzaamaan onzichtbaar werd.
Toen kwam geschiedenis langs met ranke handen,
lijkbleek maar elegant en machtig als geen ander.
Toen kwam geschiedenis en nam.

Het zelfrespect van de dichter voor eigen activiteit is bepaald niet om over naar huis te schrijven: ‘Nulliteiten met hun letters,/ maar bedreven met hun lippen/ en briljant, soms, in hun kroegen: dichters. […] Kletsers, kwebbels, blunders van God./ Red ons, red ons van de dichters./ Zij morsen liefde voor één vers/ waarin het altijd nu moet zijn.//’. (Ars amandi).

Gruwez gebruikt overwegend versvormen van ongelijke lengte. Vaak rijmloze verzen. Toch maken ze een vormvaste indruk. Zijn verzen zijn lenig van zegging en ritme. Hij grossiert in fraaie beelden als ‘Het sierlijkste is niet de zwaan, maar het water/ waar de zwaan zich spoorloos in weerspiegelt,/ een rimpeling van vriendelijke huiver.//’. Het concrete dient hem dikwijls tot vertrekpunt. Woorden stammen uit een veelheid aan taalregisters. Beschamende en beschimpende beelden wisselen af met intimiteiten, zoals ‘De zwijger’ uit de bundel Dikke mensen die zich als een slaafse knecht laat beschimpen op een feest: ‘En wordt het laat, dan moet ik hen verlaten./ Dan ben ik moe van hun geschater. / Ik neem een bad en spoel ze van mij af.//’ Geen kruimel, kiezelsteen of knikker blijft ongezien in zijn universum. Hij doet zijn woord gestand: ‘Overal ter wereld rapen kinderen, [de dichters] de dingen op.’ Veel beelden zijn aan het dagelijkse leven ontleend. Zijn poëzie geeft je gemakkelijk toegang om je er in te kunnen herkennen.
‘Alle anderen had hij kunnen zijn, alleen zich zelve niet.’ (J. van Oudshoorn.) Weer zo’n motto waaruit een bijna schizofrene geestesgesteldheid spreekt. Zonder nu van een ziekelijke geestesgesteldheid te spreken, Gruwez laat zijn ikken flink ronddolen in hun psyche. Dat biedt dikwijls fraaie inkijkjes in hun innerlijk landschap. Die hang naar vergankelijkheid in zijn poëzie schept heel wat schone portretten van oude mensen, stervenden, doden en jonge familieleden. Zo ook in ‘Oma’s memo:

Zij ruimt de rommel op die niets meer dient:
een fotolijstje, een hoornen bril,
verlovingsjurk van anno dertig,
de prullenkraam van een bestaan
dat eens vol meesterwerken was.

Haar mooiste meesterwerk ben ik,
klein mausoleum voor een dochter,
de hare, die mij baarde en toch stierf,
de missing link die ons verbindt,
gemis dat vlees werd, stof en as.

Uit alles blijkt dat zij zich traint in blijven,
in voortbestaan, inpakken van wat was.
En met een stem vol moederschap
laat zij een opdracht aan de planten na:
wees daar, eis water, als ik niet meer ben.

Alleen wat weerloos is en eindigt
verdient een voortbestaan. Geen ding.
Zo eindigt ook haar kunstgebit
met gouden stift, dat nu nog elke avond
in een glaasje gaat, straks in een kist.

‘Alleen wat weerloos is en eindigt/ verdient een voortbestaan./’ Een paradoxale versregel vol verlangen naar oneindigheid, maar tevens het besef dat je het leven vergankelijk is. Die hang aan een voort-durend leven kom je in zijn eerste bundel De feestelijke verliezer nog tegen in zijn verlangen naar een zwijgend bestaan als van de monniken van Sénanque, die de weelde ontwend zijn en wier verlangen aan de tijd slijten zal. Met ook enige angst het verlangen te bezeren aan begeerte. Maar wat te zeggen van de uitroep van deze poëet van de vergankelijkheid die zich bevangen weet van een liefdesdrift: ‘om alles wat niet blijft, blijf jij mij over,/ want alles gaat voorbij, maar niets gaat over.//’. In al de verkenningen die Gruwez tot nu toe nauwgezet en gevarieerd uitvoerde, voert zijn vergankelijkheidbesef voor mij de boventoon. Een duik in zijn garderobe raad ik een ieder aan, hij is mij bij nader inzien goed bevallen. Het levert verrassende spiegelbeelden van herkenning op.

Recensie van Lagerwal - Luuk Gruwez

Aan de grenzen van de ironie

Luuk Gruwez
Lagerwal
Uitgever: De Arbeiderspers
2008
ISBN 9789029566377
€ 15,95
51 blz.

In het interview dat Joris Van Hulle met Luuk Gruwez had in de Poëziekrant nr.6, 2004, gaat de dichter uitgebreid in op de autobiografische trekken in zijn poëzie, de verhouding tussen zijn poëzie en zijn prozaboeken, zijn hang naar archaïsmen in een veld van Standaardnederlandse woorden. Ook gaat het over, zijn besef dat schrijven het verzamelen van woorden is als een rebellie tegen de tijd, het fata morgana van de eeuwigheid en zijn schrijven als een erotiserende vorm van strelen. Je krijgt daarin het beeld van een vitale dichter voorgesteld die de waarden, normen en instituties uit zijn jonge jaren tegen het schelle licht van zijn gevorderde volwassenheid en de moderne tijd houdt. Enige ironie kan hem daarbij niet ontzegd worden.

Ironie
Ironie is de grens langs de afgrond van expressie door de dichter en het begrip van de lezer. Een smal niemandsland tussen misverstand en begrip, tussen verwerping en aanvaarding, dat betekenis krijgt door de interpretatie van de lezer. Er is niet alleen in Gruwez’ poëzie sprake van een ‘tegenovergestelde’ dat bedoeld zou zijn, maar ook van een afstand nemen van gangbare opvattingen, waardoor hij zich in solidariteit lijkt te onttrekken aan een voor hem vertrouwde omgeving, gedrags- of zienswijze. Linda Hutcheon heeft daar in haar studie Irony’s edge (1994) genuanceerd aandacht aan gegeven. Zo stelt Gruwez zowel in een gedicht uit de eerste afdeling ‘Extra time’ als in ‘Moeders’ zorgzaamheid tot in het absurde aan de orde: ‘Zij zijn van overdosissen voorzichtigheid vervuld, van levenslang et cetera, stupide stuwingen in buik en boezem.’
Even verder loopt het uit op:  En van hun eigen moeders die hun meer/ en meer ontglippen, worden zij de laatste moeders. Tot zij de handen wantrouwen die hen niet langer vasthouden kunnen.

Als lezer onderga ik een mengeling van melancholie over het lot van deze zorgzame moeders en enige weerzin tegen hun overbezorgdheid in het verleden. De ironie van het lot zorgt ervoor dat de weerzin tegen deze bezorgdheid van de moeders bij de meisjes uitmondt in de overbezorgdheid voor hun eigen moeders. Een onontkoombare opeenvolging van een vergelijkbare bezorgdheid door de generaties heen. Soms lees je in een gedicht uit de eerste afdeling als ‘Juul’ over een versleten dorpsgek of als ‘Rideau’ over rouwgevoelens die amper werken, de oprechte moeite en melancholie die opgeroepen wordt door de uitgebeelde situatie, maar tegelijkertijd het afzetten ertegen. Die dubbelhartigheid geeft Gruwez’ gedichten een extra spanning. Dat is ook overwegend de verwarring waarin je als lezer terecht komt als het afscheid en de dood op het pad van de ik komt.

Wereldvreemdheid
Bij Gruwez overheerst het beeld van een dichter die van jongs af aan vreemd staat tegenover de wereld, maar wel met een scherp oog voor het gevoelvolle detail in gebaar, houding en woord in zijn ontmoeting met mensen. Kwetsbaar, dromerig en met verwondering luistert en laat hij de ik kijken naar de volwassenen om zich heen. Bij voorkeur voelt de ik een band met oudere mannen en vrouwen. Zijn grootmoeder, de grootvader, zijn overleden zuster, de buurvrouw, de idolen uit zijn jeugd, ze spelen onverminderd een voorname rol in Gruwez’ prozaboeken en poëzie. Hij verleent ze echter een status van universaliteit vanwege hun wijsheid door de manier waarop ze hun intuïties in het leven volgen. Hij ontdekt van lieverlee aan zichzelf vele ikken, zonder ze zoals de Portugese dichter Fernando Pessoa aparte namen te geven. Hij lijkt in zijn poëzie de gestalte van een meervoudige persoonlijkheid aan te nemen, zeker gezien de waaier aan gevoelens die hij etaleert.

Nescio
In de novelle Insula Dei van Nescio zegt de ik-persoon: ‘De Heer is in de groote stilte en leegte en in dit wonderbaarlijke einde van een monumentalen dag. Deze dag is weer mijn geweest en mijn is deze betooverde wereld. De zon staat stil, het zal geen nacht worden. De tijd staat stil, de onbarmhartige eeuwigheid heeft erbarmen. God heeft de vergankelijkheid van mij weggenomen en van deze bloeiende wereld. De hemel welft stil en blauw over het goedertierene groen, het graan staat zoo stil en er is een gouden gloed over en het land ligt daar als een mensch van wien men houdt. Deze wereld zal zoo blijven, hierna kan niets meer komen.‘
Gruwez voelt zich in zijn dichterschap verwant aan deze poëtische wereld van Nescio. Dit ‘dichtertje’ wist zich geraakt door het metafysische in de werkelijkheid van alledag. Eeuwigheid in de tijd beleven was zijn devies. De ondergaande zon boven het Utrechtse Plassengebied. Daar lag zijn jachtterrein. Hij voelt zich een eiland waarbinnen God zich bevindt. Hij was de onvolprezen mysticus onder de prozaïsten van zijn tijd, in wie God spreekt, boven het gruwelijke dal der plichten.
Gruwez heeft zowel in zijn poëzie als in zijn prozaboeken iets van die wereldvreemdheid die tegelijkertijd een levensintensiteit oplevert die je als lezer de gewone dingen nieuw doet zien: een rouwverwerking van een overleden zuster, grootmoeder of vriend, het liefdesverdriet van een weduwe. In die zin heeft hij niet het cynisme waarover Nescio in zijn ultrakorte verhaal Het dal der plichten spreekt. Hij jankt niet als een hond in de nacht, maar kreunt zo nu en dan over de vergankelijkheid der mensen en dingen.

Melancholie
Ik neem wel aan, dat Gruwez in zijn leven de melancholia hypocondriaca van Orlande di Lassus kent. In zijn nieuwste bundel tref ik in de vierde afdeling ‘Sprekend vlees’ een gedicht aan over de weduwe die haar vlees ‘weduwt’ en over de man die zich in zijn aarzeling afvraagt of hij geest of beest is, en of God hem wel in het juiste lichaam heeft gebracht. Telkens houdt de ironie hem op de been door het tegendeel van houding, situatie of omstandigheid te laten zien. Gruwez is een meester in het vinden van vluchtwegen uit de benauwenis van het leven. Is de weg van het redeneren niet begaanbaar, dan is er altijd nog de ironische weg van de erotiserende taal, zoals in het gedicht ‘Hasselt’:

Maar zacht en wulps zijn Hasselts vrouwen
die zich moedwillig van lippen vergissen,
iets opgetogens fezelend van tussen hun dijen.
Zij kijken hun wimpers los van hun ogen.
 

Nutteloze poëzie
Gruwez worstelt met de vraag of de poëzie de wereld zou kunnen redden. Zijn tweede afdeling ‘Artiesten, meneer’ is onder meer gewijd aan de twijfel of de kunsten al of niet iets toevoegen aan de wereld. In het gedicht ‘God betreurt Mozart & co’ eindigt hij met de strofen:

Hij had ze beter geen van allen geschapen,
had dat gegoochel met hun noten nooit begrepen.
Maar uitgerekend op die ene dag,
de dag der doodgewone alledaagse dingen,

toen er muziek ontsnapte uit de wereld
en toen de wereld daar heel stil van werd,
zat God eensklaps op blote knieën tot zichzelf
te bidden. Opdat toch niets verloren zou gaan.
 

Hij weet dat poëzie daartoe uiteindelijk een vergeefse poging is, maar hij blijft net als zovele collega-dichters proberen aan ons te laten zien hoe wij ons moeten voelen in blije en verdrietige situaties die vroeg of laat van alle dag en van alle mensen zijn: kindertijd, opvoeding van kinderen, relaties tussen ouder en kind, verliefdheid en liefde, verlies van familie en vrienden, ziekte en dood, sterven en het bestaan van God. En hij slaagt erin om mij sympathie te laten voelen met de oude mannen die over jonge vrouwen kletsen of de terminale minnaars die bedachtzamer strelen of de moeizame rouwverwerking over de dood van zijn zuster.
Er is volop verwondering en dromerigheid aanwezig, maar ook onbegrip over de dingen zoals ze zijn, de roep om anders te zijn. Telkens klinkt er niet alleen door alle onbegrip heen die roep om het mystieke verlangen tot opgaan in het andere, de ander, maar ook die om stilstand van en teruggang in de tijd: eeuwigheid, terug in de moederschoot.

De filosoof met het hamertje
Dat alles maakt Gruwez op een heel leesbare en begrijpelijke manier tot een filosoof met een klein hamertje. Hij beklopt minder rigoureus dan Friedrich Nietzsche dat deed, de ikken en de levens van mensen uit zijn directe omgeving van vroeger en nu. Hij test ze op hun waarachtigheid en waarde voor hem en ons in het hier en nu. Ik kan dat ook prachtig lezen in zijn prozaboek Een stenen moeder (2004), waarin hij brieven aan familie en bekenden, een karakteristiek van de maanden van het jaar en de woonplekken uit zijn jeugd heeft getypeerd en beschreven. Ik kan daar in zijn parafrase van de maand ‘mei’ lezen: ‘Alles in mijn leven heeft vanouds met afscheid te maken en met mijn ijver om daar, als dit dan toch onafwendbaar is, zoveel mogelijk zorg aan te besteden’.
In de nieuwste bundel staat een vierde afdeling ‘Plaats en tijd’ waarin hij bezoeken aflegt aan zijn woonplekken Deerlijk en Hasselt. Volop weemoed:

Ik droomde dat Deerlijk niet meer bestond.
Turquoise gras schoot her en der baldadig op.

[…]

Ik droomde een dorp dat niet meer bestond:
zijn huizen, kerken, zerken kundig opgeruimd.
En dat het onbegonnen werk was om te wonen
waar men omsingeld wordt door doden
die azen op een onderkomen

en het weemoedige bewijs te zijn geboren.
Hier was het – eertijds – dat ik worden moest
van huis naar school, van school naar huis,
stomweg te vol voor wie maar pas begon,
een kind dat niet meer in zijn moeder kon.
 

Maar ik lees in dezelfde parafrase van mei dat hij ‘een man van de herhaling [is], [en] niet [om kan gaan] met de chronologie, ik ben een man van de cirkel, maar kan niet omgaan met de rechtlijnigheid, ik ben van de terugkerende seizoenen en niet van de voorgoed verdwijnende jaren. En het sterkt mij te geloven dat alles terugkomt, ook al weet ik natuurlijk dat alles voorbijgaat.’

Fris en kleurrijk van toon
In zijn poëzie is Gruwez verrassend in zijn beelden, kleurrijk in zijn woordkeuze en fris van toon. Het opent je ogen voor het ongewone in het gewone. Juist die vleug van West-Vlaamse invloed door het Nederlands heen maakt zijn taal aantrekkelijk om te lezen. Het wordt er ‘succulent’ van, om een typisch Belgisch woord te gebruiken: een aansprekende bundel, een aanrader. Alle melancholie, ironie, frisheid, vitaliteit, levenslust en besef van vergankelijkheid keert prachtig terug in één van de gedichten uit de cyclus ‘Aan tafel’ (derde afdeling):

Al het vlees van de wereld: het is er om te zoenen
en te sterven. Ik herhaal: om te zoenen en te sterven.
Het beste mausoleum niet het prinsengraf.

maar de babyroze maag, het mysterieuze ingewand
van een schrikbarende beeldschone die haar haren föhnt
en neuriënd haar oksels ontgeurt, haar lippen kleurt

alvorens ze weer schoon te wrijven aan een liefde,
ternauwernood geschikter dan een kleenex./ .
Kostbaar, niet te betalen is de onsterfelijkheid,

voor wie van onder wimpers staat te staren,
van plan zich niet voorbij te laten gaan.
Maar wij? Wij, mannen? Hebben wij wel iets?

Welja: een onderdeel dat groter wordt en natter
en dat ene beetje parelt aan het eind alsof een traan ontstaat
en zich lijkt af te vragen wat verdriet is en wat bronst.