Recensie van Bij mij op de maan. Russische kindergedichten - Robbert-Jan Henkes (samenstelling)

Voor kinderen en andere volwassenen

Robbert-Jan Henkes (samenstelling)
Vertaler: Robbert-Jan Henkes
Bij mij op de maan. Russische kindergedichten
Uitgever: Van Oorschot
2016
ISBN 9789028261211
€ 29,99
575 blz.

Mijn vriend had het boek van mijn bureau gepakt, en bladerde het door. “Word je hier niet ontzettend melig van?”
“Nee hoor, zolang je maar doseert. Ik heb het in vier dagen uitgelezen, en ben er nu voor de tweede keer aan begonnen, met misschien nog wel meer plezier dan de eerste keer.”
Hij is musicus, mijn vriend, maar geen groot liefhebber van poëzie. Wanneer ik het had over de taalmuziek van een gedicht, bleek hij nauwelijks in staat om daar waardering voor op te brengen: “Geef mij maar echte muziek!”
Ik rook een kans. “Moet je eens kijken bij Poesjkin. De Mozart onder de dichters. Zelfs in vertaling zijn zijn kindergedichten levend alsof zij gisteren zijn geschreven.”
“Jezus! Wat een ontzettend lange gedichten!”
“Ze zijn uit de tijd dat er nog geen tv was, en er werd voorgelezen. Net als Mozart met zijn variaties op ‘Altijd is kortjakje ziek’ – je moet weten dat Mozart in 1778 twaalf variaties op de melodie schreef: KV 300e – heeft Poesjkin gebruik gemaakt van bestaand materiaal. In ‘Het sprookje van tsaar Saltaan, zijn roemrijke en machtige heldenzoon vorst Gwidon en de wonderschone zwanenprinses’ kom je het sprookje van ‘Sneeuwwitje’ tegen. En ‘Het sprookje van de visser en de vis’ heb ik als kind leren kennen als ‘Piggelmee en het tovervisje’. Het was waarschijnlijk de eerste berijmde tekst die mijn moeder mij voorlas en ik kreeg er geen genoeg van. Het is een van de sprookjes die, uit de mond van hun adellijke vrienden, zijn opgetekend door de gebroeders Grimm. Dat ‘Piggelmee’ een reclametekst was voor Van Nelle’s koffie, is echt niet tot mij doorgedrongen. Maar er is iets vreemds met Poesjkins tekst: hij is niet op rijm. Dat is geen tekort van de vertaling. Robbert–Jan Henkes is een ongelofelijk virtuoze vertaler, die zijn hand niet zou hebben omgedraaid om voor een berijmde Russische tekst een Nederlands equivalent te vinden. Het is nog vreemder wanneer je beseft hoe ‘normaal’ het rijm is in de Russische poëzie, nog steeds… Poesjkin zou Leopolds berijming misschien wel benijd hebben…
Eén van de fascinerende aspecten van deze bloemlezing: je wordt niet alleen herinnerd aan je eigen kindertijd, maar ook aan de oeroude bronnen van onze cultuur. Het materiaal van de Russische dichters blijkt vaak ook in ons kikkerlandje gebruikt te zijn. Zo vind je bij Samoeïl Marsjak (1887 – 1964) het gedichtje ‘Twee poezenbeesten’ over twee poezen die met elkaar vochten totdat alleen de punten van hun staarten over waren. Het eindigt: ‘mensenkinderen! Nu zie je/ Wat er komt van ruziën.’ Ook dat kende ik al heel lang als gedichtje, al weet ik niet meer van wie, en in het Nederlandse gedichtje ging het om twee hondjes.”
“Was het niet van Annie M.G. Schmidt?” vroeg mijn vriend.
“Geen idee. Maar wat ik erg leuk vind, is dat zij door deze bundel op gelijke voet komt met bijvoorbeeld Anna Achmatova. Moet je lezen:

In de kinderkamer

Moerka, Moerka hou je schuil,
Want daarbinnen gluurt,
Op het kussen geborduurd,
Want daarbinnen gluurt een uil!
Moerka, Moerka hou je stil,
Hou je stil en zeg geen woord,
Als je niet wil, als je niet wil,
Dat grootvader je hoort!
Njanja, njanja, het is donker op de gang
en in de dakgoot piepen mussen.
Waarom maakt die uil me bang?
Wat doet die op het kussen?

 “Misschien is onze Annie als kinderdichter zelfs beter’, zei mijn vriend, ‘hoewel ik daar na het lezen van slechts één kindergedichtje van Achmatova natuurlijk niet over kan oordelen…”
“Chauvinist. Ik moest denken aan nog een associatie die ik bij het lezen van deze bloemlezing kreeg. Ik weet niet of jij Odetta kent? – Nee?! Een zwarte folkzangeres die een operaopleiding had genoten. Ook haar kwam ik tegen. Zij zong in het liedje ‘Why?’ van Woody Guthrie: ‘Why can’t a mouse eat a streetcar? Why o why o why? (because a mouse his stomach is to small to hold a streetcar)’. En wat lees je in deze verzameling:

Vervelende lastpost

 – Waarom heeft mama in haar kin
Een kuiltje zitten middenin?
– Waarom smaakt sla altijd naar sla
En nooit een keer naar chocola?
– Waarom hebben koetjes
Pootjes en geen voetjes?
– Waarom speelt mijn zus met poppen
En wil ik met ballen schoppen?
– Waarom dragen goudfazanten
Als het vriest of sneeuwt geen wanten?
– Waarom gaat het vuurtje uit
Als je er heel hard tegen fluit?

 – Dat komt om dat, dat komt om dit:
Er op jouw mond geen slotje zit.

 (Sasja Tsjorny: 1880 – 1932)

Bij Odetta eindigde het liedje na de vraag: ‘Why don’t you answer my questions why, o why o why? met: ‘Because, because, because, because – Good night. Good night.’ Dit gedichtje van Tsjorny bracht het mij weer te binnen. En dat zou het ook bij mijn kinderen hebben gedaan, want ik heb het Odetta tot vervelens toe nagezongen.”

Mijn vriend bladerde nog steeds in het boek. Voor de eerste keer schoot hij in de lach. “Moet je horen:

De lieve eend

De grote oversteek
Gebeurde in een wip:

Eén kuiken op een eendje,
Eén kuiken op een eendje,
Eén kuiken op een eendje,
En op de eend de kip.”

Tot zover het gesprek met mijn vriend. Het gedicht is van Daniil Charms (1905 – 1942). Er wordt wel beweerd dat hij een hekel aan kinderen had, maar de gedichten die hij voor ze schreef hebben hem wel (voor tien jaar) het leven leefbaarder gemaakt. In 1929 werden hij, Vvdensky en Mandelstam (die de titel leende aan deze bundel) samen met minder bekende dichters uit de Leningradse dichtersbond uitgesloten met de motivatie dat zij hun contributie niet hadden betaald.
Van december 1931 tot juni 1932 zat Charms op beschuldiging van ‘organisatie en deelname aan een anti-sovjetgroepering van literatoren in de gevangenis. Charms had tegenover een ondervrager verklaard het niet eens te zijn met de officiële literaire politiek, en dat hij uit principe geen kranten las. Hij werd tot drie jaar strafkamp veroordeeld. Deze straf werd door de inspanning van derden gewijzigd in verbanning, waarna hij in juli ’32 samen met Vvdenski (van wie ook gedichten zijn opgenomen in deze bundel) afreisde naar Koersk. Aan het eind van dat jaar werd hem toegestaan naar Leningrad, dat hij altijd Sint Petersburg is blijven noemen, terug te keren. Voor zijn arrestatie schreef hij voornamelijk poëzie, na 1933 ging hij zich toeleggen op het proza waaraan hij zijn postume roem te danken heeft. Zijn professionele productie van kindergedichten zette hij voort, maar minder intensief dan voor zijn verbanning. Het was een kindergedicht dat hem opnieuw in de problemen bracht. In het kindertijdschrift Tsjizj (Het sijsje) publiceerde hij een gedichtje over een man die zijn huis verlaat en te voet een verre tocht begint. Hij loopt een donker bos in en is sindsdien verdwenen. (Verdwijningen waren destijds aan de orde van de dag). Na de publicatie ervan werd hij een jaar lang uit het tijdschrift geweerd, waardoor zijn bron van inkomsten verviel. Om een lang en triest verhaal kort te maken: in 1939 werd hij ter observatie opgenomen in een psychiatrische kliniek, en vrijgesteld van militaire dienst. De Tweede Wereldoorlog was uitgebroken; je zou verwachten dat de autoriteiten andere zorgen hadden dan de kindergedichten van een marginale schrijver, maar in 1941 werd hij door de politie van zijn bed gelicht. Februari 1942 overleed hij in een gevangenisziekenhuis. Waarschijnlijk verhongerd. Eén van de talloze schrijvers die slachtoffer zijn geworden van de Stalin-terreur.
In deze context is het wrang om bij Majakovsky (ook een slachtoffer van het regiem, al pleegde hij zelfmoord) aan het slot van zijn ‘Weerlichtlied’ te lezen: ‘(..) Analfabete ouderdom!/ Jij, grootmoeder-/kameraad!/ leer het abc/ en wees niet dom!/ voor leren is het nooit te laat!/ Sluit de rangen,/ kleine strijder!/ Langs Lenins paadje lopen wij,/ en ons aller/ grote leider/ is de Communistische partij!//
Bij Valentin Katajev, die de Stalinterreur ruimschoots en welgedaan heeft overleefd eindigt ‘Radiozendmastgiraf’ zo: ‘De olifant neemt ook nog gauw/ Contact op met zijn vrouw:/ ‘En hoe gaat het met de fantjes?’/ ‘O, het zijn zo’n brave klantjes!/ De oudste heeft een huis gebouwd,/ En nummer twee had een dictee/ Met maar anderhalve fout,/ En de kleinste – ‘t lieve wormpje/ Is inmiddels (maar dat wist je)/ Een dapper oktobristje/ Met een heel knap uniformpje.”
Gruwel. Het speelse dat kindergedichten zo aantrekkelijk kan maken, is totaal verdwenen onder een ideologie die moeilijker uit te roeien blijkt.
Gelukkig kunnen we met deze bundel in een oogwenk terug in de tijd, en ‘De mug en de wolf’ lezen van Ivan Krylov (1769 – 1844) met wie de Russische kinderpoëzie begint:

Een mug
   Onder de brug
   Bij de Tataren
   Of de Khazaren
Kreeg bezoek van een wolf,
   Die bij hem stopte
En bij hem aan het deurtje klopte.
Binnen begon hij meteen te happen
   En te klappen met zijn kaken.
Maar de mug was vlug
   En wist op de kast
      Te ontsnappen.
De wolf was woest:
– Ik ga je kraken, gast!
– Ja vast! zei de mug,
   Hou je maar koest.
   Je kan me niet pakken,
   Ik laat me niet zakken,
   Je kan er niet bij
   Ik blijf lekker vrij!
Maar de wolf
   Sprong
   En heeft toen met zijn tong
De mug opgelikt
En doorgeslikt.

Hieruit kan men enigszins leren
Hoe de sterken de zwakken kunnen ruïneren.

Bij veel hedendaagse poëzie vraag je je af of ze, behalve voor literatuurwetenschappers, wel voor iemand geschreven is. Wanneer je voor jezelf schrijft (wat ik ook nog weleens hoor), hoef je niet te publiceren… Bij kindergedichten is de bestemming duidelijk. Soms klinkt er een verborgen boodschap in door. Soms leggen ze de irrationele kanten van het leven bloot, menselijke domheid, dierlijke wijsheid. Soms lijkt de taal te dansen op vrijgelaten gedachten, en soms hebben kindergedichten een intieme tederheid die de dichter in zijn volwassen werk niet zou durven tonen.

Lezen dus! Bij mij op de maan.

 ***

Robbert-Jan Henkes is vertaler. Hij werkt veel samen met Erik Bindervoet. Ze hebben onder andere werk vertaald van Nabokov, Tarkovski, Mariengof, Joyce, De Quincey, Stanshall en Shakespeare.