Recensie van de bolle ogen van februari & hölderlins einde - Leo Herberghs

het geringe van mens

Leo Herberghs
de bolle ogen van februari & hölderlins einde
Uitgever: De Contrabas
2012
ISBN 9789079432622
€ 15,00
88 blz.

Leo Herberghs (1924) werkte lange tijd als journalist voor een aantal Limburgse dagbladen. Daarnaast schreef hij dichtbundels, kinderboeken en beschouwend proza, maar bleef daarmee een betrekkelijke buitenstaander, omdat hij zijn lezers altijd voornamelijk in Zuid-Nederland vond.
Met aarden vingers (1955), een uitgave in de Windroosserie, vormde zijn officiële debuut, waarna vele bundels volgden; in 1998 verscheen Portret van een landschap. Gedichten 1953-1997, een o.a. door Wiel Kusters verzorgde keuze uit negen bundels. Daarna verschenen er nóg zeven bundels, waaronder in 2011, voor het eerst bij De Contrabas, Hij, de langzaamste van allen.
Van hem verschenen gedichten in Roeping, Raam, Kentering, De Gids en De Revisor. Van 1955 tot 1975 was hij mederedacteur van Nieuwe Stemmen.

Al schreef Herberghs een kleine twintig poëziebundels bij elkaar, het leidde er niet toe dat hij een bekende dichter geworden is. Komrij vond hem dan wel vier gedichten waard, maar verder komt hij in de belangrijke bloemlezingen niet voor. Ook Chrétien Breukers, bij wiens uitgeverij hij inmiddels publiceert, nam hem niet op in het vorig jaar verschenen De Nederlandstalige poëzie in pocketformaat.
‘De notulist van het veronachtzaamde’ wordt hij genoemd, maar die kwalificatie slaat dus ook op zijn eigen positie. Helaas, want hij schrijft fijnzinnige poëzie.
De nieuwe bundel – met een opvallende lay-out: de gedichten zijn hoog op de pagina geplaatst en afgedrukt met een dubbele regelafstand – ontleent zijn titel aan de twee afdelingen waaruit hij bestaat: de bolle ogen van februari & hölderlins einde. Dit is het eerste gedicht:

die daar gaan zijn van vroeger
zij werpen hun schaduw
over het grasland, verschijnen waar
ze al waren: de stillen van
den lande, hun voeten
gegrond in aarde

langs hen heen,
over hen heen,
onder hen heen
de bolle ogen van
februari

Volgen 46 gedichten, alle in dezelfde toonsoort, fijn geslepen taalbouwwerkjes waaruit een zekere onthechtheid spreekt; een tastend, bijna naïef schrijven, waar rust van uitgaat, dat stil zet. De korte strofen hebben vaak iets haiku-achtigs, maar waar je aan veel haiku’s nogal eens de zelfingenomenheid van de maker kunt aflezen, spreekt uit deze verzen bescheidenheid, dienstbaarheid zelfs. Het is sereen, onthecht en dat zonder week te zijn.

er loopt daar een wolk
over het gras

met zijn armen vol geel
nadert de bosrand

stil loopt het paard achter
zijn herfst aan

het geringe van mens
gaat zijn schaduw
achterna

Herberghs poëzie doet vaak denken aan Van Schagens ‘Narrenwijsheid’ (‘Ik ga maar en ben’). De gedichten zijn verstilde, maar allerminst statische momentopnamen, want achter de woorden zit een wonderlijke dynamiek. In notities, observaties en overpeinzingen is er een intense ervaring van de natuur, wordt een sterke verbondenheid beleefd met de aarde, de bomen, de wind, de wolken, het water, de hoefslag van paarden en dat vaak gekoppeld aan een sterk, nooit belastend eindigheidsbesef. Een enkele keer formuleert hij dat expliciet: ‘geen stap verwijderd van mijn/ begin, geen stap van/ mijn einde’, of ‘eens heb ik geleefd, daarna/ leef ik niet meer, sterven zal ik/ eenmaal en daarna niet meer’, maar meestal gebeurt het subtieler.

de gevleugelde neemt mij mee
waarheen, waarheen

hij zegt dat het goed is dat ik ga
en dat ik alleen ga

maar dat de dravende wind
met mij mee zal gaan

Dit is zeker ook poëzie van de ouderdom.
Op de achtergrond, onnadrukkelijk, is Herberghs mystieke levensgevoel aanwezig: ‘weggerold ben ik, in/ een gat gerold ben ik// maar ik kwam weer boven/ werd een ruisende beek// en ritselend als zilver/ stroomde ik voort.’
Hoe fraai hij de natuur bespeelt – en de natuur hem – blijkt uit een gedichtje als

het water knielt neer
naast de vogel, speelt
op zijn orgelmond en trilt
van gelukzaligheid

luisterend naar de vogel
zingt het als de vogel

wiekt het als de vogel

waarin het geen moeite kost in de vogel de zingende en ‘opstijgende’ dichter te zien.

In de dertig korte gedichten van ‘hölderlins einde’ verbeeldt Herberghs de gedachte- en gevoelswereld van de Duitse dichter Friedrich Hölderlin (1770-1843) in diens laatste, geesteszieke levensfase.
Allerlei biografische bijzonderheden komen daarbij terloops aan bod. Hölderlins leven in de Turm bij de familie Zimmer, de Neckar dichtbij, de bezoeken aldaar van de jonge dichter Wilhelm Waiblinger, de gedachten aan zijn grote liefde Susette Gontard, Diotima in zijn werk, de andere persoonlijkheid – Scardanelli – die hij in zijn gekte aannam, de lange voetreizen die hij ooit maakte, zijn roman in brieven Hyperion en de onvoltooide tragedie Der Tod des Empedokles.
Het is vaak maar een enkel woord, maar genoeg om Hölderlin zichtbaar te maken: ‘hij verbleef enige tijd/ onder de kroonlijst van/ zijn sterfelijkheid// in zijn toren van steen/ achter zijn sluier van waan/ in zijn onsterfelijk woord’.
Regelmatig bevat een gedicht een regel in het Duits, waarmee de lezer naar Hölderlin zelf gevoerd wordt. ‘im winde klirren/ die fahnen’ wijst bijvoorbeeld naar het bekende ‘Hälfte des Lebens’.

Het is bewonderenswaardig hoe zuiver Herberghs de geslotenheid van Hölderlins geestesleven weet op te roepen en toegankelijk maakt en diens lyriek in zijn verzen laat leven. Er moet sprake zijn van grote affiniteit. Thematisch ligt die in ieder geval in het feit dat bij beiden de poëtische reflectie op de natuur in het landschap, de aarde, het water en de hemel een belangrijk thema is. Misschien liggen er ook raakpunten in de persoonlijkheid en die zouden weleens in het slotgedicht tot uiting kunnen komen:

de langzame wandelaar
is groot

langzaam gaat de aarde, langzaam
de berg, het gedicht
loopt langzaam de schrijvende
hand achterna

de eeuwige woorden zijn
langzaam, zij rijpen
in langzaamheid

maar de langzaamste mens
vlecht zijn woorden rond
sterren, zoals hölderlin

Wat een prachtige bundel.