Recensie van Misschien gebeurt er vandaag iets - Saskia van den Heuvel

Wanneer het meezat was ik onzichtbaar

Saskia van den Heuvel
Misschien gebeurt er vandaag iets
Uitgever: Marmer
2013
ISBN 9789460681226
€ 11,50
72 blz.

De mij onbekende Saskia van den Heuvel debuteert in het nieuw gestarte poëziefonds van uitgeverij Marmer met Misschien gebeurt er vandaag iets, een hecht geconstrueerde, thematisch samenhangende bundel met volwassen, voldragen poëzie, die blijft intrigeren en daarmee dwingt tot herlezing. Een verrassing. Direct dus maar een compliment voor de uitgever, die zich hiermee duidelijk profileert en meteen een bepaald streefniveau aangeeft.

De bundel telt 43 gedichten, onderverdeeld in drie vrijwel evengrote afdelingen plus een als een soort envoi functionerend slotgedicht. ‘Kantoor’, ‘Van alles het afscheid’ en ‘Wisselende contacten’ vertellen in grote lijnen het verhaal van het gecompliceerde kantoorleven van de ik-figuur, eindigend met haar vertrek en de periode daarna, waarin er sprake is van ziekte en therapie, misschien ook van een scheiding en daarop volgend een nogal warrig leven waarin het onderhouden van relaties op z’n minst problematisch is.
Hoewel je onverbeterlijk geneigd bent de bundel als een autobiografisch document te lezen, is het in de eerste plaats fictie. Hoeveel de gedichten ook suggereren, ze laten telkens voldoende te raden over om ze niet eenduidig te maken. Omdat er altijd een ‘verborgen’ boodschap is, zijn ze dan ook niet gemakkelijk te parafraseren, steeds is er een element dat ongrijpbaar is.

Dit is het openingsgedicht:

ODE

Ik kan me herinneren dat ik in een kantoor was
waar ik dagelijks op dezelfde stoel ging zitten
om degene te zijn waarvoor ik was aangenomen.
Om mij heen mensen met ogen in hun hoofd.
Als niemand mij dat op een dag had gezegd
kon ik niet weten waar de koffiemachine stond.
Dan had ik je hand gepakt en was ik gaan lopen
tot aan het gebouw waar we in de toekomst
aan elkaar konden zitten zonder zondig te zijn.
Als dingen anders lopen ga jij vragen stellen
alsof ik weet wat ik doe als het niets betekent.
Wat hier verboden is kan ik niet laten kloppen.

Van den Heuvel schrijft in een idioom dat dicht bij de gewone spreektaal lijkt te liggen, maar dat op een ontregelende manier vervreemdend werkt, afstand schept. Zij laat zien hoe een bestaan divergeert, leven niet synchroon loopt, uit de maat met een parallelle werkelijkheid. En zij doet dat weliswaar in vrije verzen, maar vormvast, want alle gedichten in deze eerste afdeling bestaan uit vier drieregelige strofen.

Zo vervolgt zij:

WAT WE ZEIDEN TOEN WE HET ONS NOG HERINNERDEN

Als ik aan mijn bureau zat belden er mensen
die wilden weten of ik al wist hoe het zat. Ik wist
veel maar had geleerd vriendelijk te blijven.
Aan het einde van de maand kreeg je voldoening.
Ik heb dat als doel jarenlang voor ogen gehouden
tijdens mijn fitheidsmetingen en werkoverleggen.
Toen ik de drums speelde in een tienerband was
het gewoon niet te doen om aan later te denken.
De maat maakten we zelf dus viel ik niet echt op.
In onze kantoortuin heb ik nooit schepjes gevonden.
Collega’s kwamen en gingen. Wanneer het meezat
was ik onzichtbaar. Maar meestal ging de telefoon.

Er kunnen nog wel een paar loftuitingen bij. Van den Heuvel schrijft gedichten die helder, scherp en indringend zijn, daarbij veel bizarre wendingen kennen, op het hilarische af, maar tegelijkertijd ook nuchter zijn, bijna onderkoeld, in ieder geval gespeend van iedere vorm van pathetiek. Niet verwonderlijk dat de overheersende stijlfiguur die is van het understatement. ‘Ik wist/ veel maar had geleerd vriendelijk te blijven.’ ‘Wanneer het meezat/ was ik onzichtbaar.’
Deze kantoormevrouw heeft weinig weg van Jiskefets juffrouw Jannie, maar veel geluk is ook haar niet gegeven. In de veertien gedichten van deze afdeling raakt zij in toenemende mate vervreemd van de haast absurde, bedreigende werkelijkheid die het kantoor voor haar is en daarmee ook van zichzelf. In feite voltrekt zich een proces van depersonalisatie, in de hand gewerkt door onvervulde verlangens en gefrustreerde relaties, maar vooral door het gesloten zijn van de wereld waarin zij vertoeft.
‘Elke dag was ik dankbaar en aan het einde moe.’, staat er in ‘Ze hebben het beste met ons voor. De laatste strofe daarvan luidt: ‘Morgen ga ik aan het verleden denken alsof ik niet/ lang meer heb te gaan. Dat geeft een nuttig gevoel./ Ik denk dat ik wel redelijk ben. Ik koop ook bloemen.’
‘Een voorbeeld van hoe dingen gaan’ opent zo: ‘Het meisje dat ruim vier jaar tegenover mij zat/ kreeg op een keer kanker. Een manager deelde/ ons dat graag volgens de vastgestelde lijnen mee.’ Iedere vorm van normaal menselijk contact ontbreekt hier, ook bij de ik-figuur, voor wie haar collegaatje een onbekende gebleven is. Hoe ver ze van de gewone werkelijkheid af komt te staan blijkt uit een strofe als ‘In de trein kwam ik elke dag dezelfde jongen/ tegen. Iedereen kon zien dat er tussen hem en mij/ iets groeide. Hij heeft daar nooit iets van gemerkt.’
Op een haast kalme manier wordt zij in toenemende mate neurotisch en ten slotte officieel overspannen verklaard: ‘Iemand lichtte mij door en ik werd een geval./ Wie dacht aan mij niets te merken keek niet goed./ Ik werd onverklaarbaar voor de gemiddelde mens,// ontheven van mijn plichten en nare trekken.’ In het laatste gedicht van de afdeling zit en ligt ze thuis en somt ze op wie tot haar omgeving behoren en wie haar komen opzoeken. ‘Wat rest’ eindigt dan zo: ‘Dit heet een opsomming. Dat vindt mijn redacteur niet leuk./ Ik wil hem leren dat niet alles leuk is. We zijn met elkaar/ niet getrouwd en wat hij tegen mij zegt is redelijk oplosbaar.’ Omdat de ik zich hier duidelijk als auteur presenteert, heeft dat consequenties voor de manier waarop je de bundel leest: het zijn gedíchten, ze zijn geredigeerd, de schrijvende ik speelt op de een of andere manier een spel!

Afdeling twee, ‘Van alles het afscheid’, begint met ‘De dokter van mij’, die iets schrijft ‘zodat de volgende dokter/ beter weet hoe ik dichter bij de waarheid kom waarmee ik leven kan.’ En ‘Niet veel later’, vervolgt zij, ‘draag ik een gedachte mee/ mijn woning in die ik nog steeds niet heb weggegeven.’ Die gedachte zal ongetwijfeld de gezochte waarheid zijn en voor het vinden ervan gaat ze op een nieuw consult: ‘Ik praat als hij luistert en zwijg als hij in mij kijkt./ Met anderen spreekt hij net zo goed voor hetzelfde geld,/’
In deze afdeling is de dichtvorm gevarieerder, met o.a. een aantal gedichten met een 4/4/3/3-indeling. Ik zou ze vergeefse sonnetten willen noemen, omdat alle verdere kenmerken ontbreken en de innerlijke verwarring kennelijk zo groot is dat de regels nauwelijks meer op de bladzijden passen, en er een titel gebruikt moet worden als ‘Wij gaan niet op vakantie omdat het overdreven is om zo somber te zijn dat iemand daarvan iets kan denken in het buitenland’. Vervolgens is er sprake van afscheid nemen, vaststellen dat er geen weg terug is en het huis verlaten. Maar ook: ‘Je moet niet alles wat ik zeg geloven, ik doe ook/ maar wat om betekenisvol te lijken.’, waarmee de lezer op al zijn verkeerde benen wordt gezet.
In de driedelige slotcyclus ‘De vrouw die alles weet om tot rust te komen’ worden er weer gesprekken gevoerd, dit keer met een ‘Ze’ die van haar gescheiden is ‘door een afsprakenboek bij de receptie.’ De ik-figuur stelt vast: ‘Onbegrepen/ ben ik meer wat ik van mezelf verwacht/ dan wanneer alles simpel lijkt. Daarvoor is zij./’Ze vat mij samen en ik ga akkoord.’ Het zijn goed geschreven, pregnante gedichten, die de belangstelling voor de ik vooral door de taal oproepen. En daar gaat het toch om bij poëzie.

‘Wisselende contacten’, de slotafdeling, begint met een mooie paradox: ‘Zodra alles mij is afgenomen heb ik meer over dan ik geven kan/ en begin opnieuw. Dat is de spelregel waarmee je moet leven./’ Dat valt niet mee, zoals blijkt uit het gedicht dat volgt:

HET VERZINNEN VAN EEN SCHADUW GAAT VER MAAR SOMS
DOE JE LIEVER WAT ANDERS

Wat kan ik nog doen om niet hetzelfde te maken?
Ik ken een man met een computer en een voorwoord in zijn boek
die mij begrijpt wanneer ik dingen zeg die minder logisch zijn
voor mensen die mij niet volgen.
Met hem praten alle vrouwen die iets kwijt moeten
zonder zichzelf te ontkleden. Ze doen soms iets in hun haar
maar dat kan toeval zijn. ‘s Avonds trekken ze hun kleren uit
voor een ander. Als ik het mag zeggen
ga ik morgen beweren dat ik wel iets kan verzinnen
om de komende jaren lichter te zijn
en bij een man te blijven die vaker praat met veel anderen.
Toen ik dat dacht vond ik het goed genoeg om op te schrijven
maar het is beter om een boek te sluiten als het regent.

Mannen spelen een wisselende rol. ‘Jij bent een ander dan degene die ik voor jou had’ staat er in ‘Wenden en keren ik lijk wel een paard’. Veelbelovend is dat niet: ‘Het speelkwartier is al lang voorbij en ik ben/ ingeruild niet beter af.’ maar ze doet haar best: ‘Ik geef een zoen aan wie mij durft op te beuren. Die doet in/./ het echt niet onder voor het gelebber aan een ijsje dat zo snel/ smelt dat je gaat plakken. Hoe je het ook wendt of keert.’ Ze weet uiteindelijk: ‘Ik kan niet blijven vertrekken.’, maar ondertussen is ze aan grote verwarring ten prooi, inclusief de al of niet virtuele beleving van webcamerotiek. Van de Heuvel sleurt haar lezers alle kanten uit, ook al moet zij zich ‘intens’ schamen voor haar denken. Of juist daarom.

De bundel besluit met ‘Weerzien’, een gedicht dat niet in de inhoudsopgave staat. Buiten de bundel, maar net als de dichteres het waard om gevonden te worden. Het gaat haar relatief goed:

WEERZIEN

Vandaag zag ik hem weer en hij moest lachen. Het was
lang geleden dat hij in mijn ogen keek om te weten hoe
ik mij hield. Hij was vergeten hoe ik alles vergat en ik
vertelde hem het verhaal. Daarna zweeg ik en liet hem

begaan. Hij zag mij aan en moest lachen zodat ik zijn
nieuw verworven rimpels zag. Ik dacht hij wordt zo
oud als ik hem nooit heb gezien en zijn vrouw heeft er
geen weet van. Ik denk vaker aan zijn vrouw dan goed

voor mij is. Als hij voorbij fietst lacht hij en zegt gedag.
Als hij kon zou ik vaker bij hem zijn en hem begroeten
zoals alleen ik dat kan maar niet alles wordt vergoed.

Mijn bloed laat ik achter met mijn adres. Als hij wil kan
hij mij vinden zolang ik weet waar ik woon en anders
vertrek ik gewoon naar een huis waar ik blijven mag.

Een humorvol gedicht met een superieure laatste strofe.
Misschien dat voor sommigen deze poëzie een te sterke psychologische invalshoek heeft, maar naar mijn mening is er met de verschijning van deze bundel niet zomaar ‘iets’ gebeurd, maar zijn we er getuige van hoe een nieuwe dichteres in één klap haar plaats vindt in het Nederlandse poëzielandschap. Ik ben benieuwd of zij dit met een volgende bundel weet te bevestigen.

***
Saskia van den Heuvel (1964) volgde de Academie voor Lichamelijke Opvoeding maar belandde aanvankelijk op kantoor. Sinds 2005 schrijft zij gedichten en is zij te vinden op (slam) podia. In 2007 ontving zij de titel ‘Vredesdichter’, in 2009 won ze de Selexyz Scheltema Almere Poëzieprijs.
Marmer is een te Baarn gevestigde uitgeverij van literatuur, commerciële fictie, non-fictie en jeugd- en kinderboeken, die met ingang van dit jaar gestart is met een reeks poëzie-uitgaven. Jaarlijks wil zij vier bundels laten verschijnen en zich daarbij vooral richten op debutanten en ‘jonge en andere stemmen’.