Recensie van Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin - Peter Holvoet-Hanssen

Op weg naar het zuivere dichterschap

Peter Holvoet-Hanssen
Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin
Uitgever: Polis
2018
ISBN 9789463102674
€ 19,99
101 blz.

Cees Nooteboom spreekt in zijn Dagenboek 533 (2016) over dichters in wier werk veel onduidelijk blijft. Dat is iets wat mij bij eerste lezing van de nieuwe bundel van Peter Holvoet-Hanssen Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin (2018) ook overkwam. Holvoet-Hanssen is echter wel een dichter, zoals dat voor Nooteboom Lucebert was, met ‘een druïdische zingzang […]. Je laat je mee wiegen op een stem en een ritme omdat je weet dat die stem bij iemand hoort die volstrekt zeker is van zichzelf en zich in zijn eigen universum bevindt. Je vertrouwt de melodie, je ratio heb je weggestuurd om ergens op een parkbank te rusten, deze taal wil eerst gehoord worden.’ Er lijkt een betovering van dit voorlezen uit te gaan die voorafgaat aan het begrijpen.
Tezamen met de bundel Gedichten voor de kleine reus (2016) vormt de nieuwe bundel Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin (2018) een nieuw begin van zijn dichterschap. Alles wat hij in voorgaande jaren zich aan taal en (droom)werelden heeft eigen gemaakt, zet hij opnieuw maar in verhevigde mate in deze bundels voort. Daarin is hij overmoedig en eigenzinnig. Dat zit hem niet alleen in de grote associatieve salto’s die hij zijn lezers laat maken, maar ook in de niet te onderdrukken behoefte thematiek uit de boven- en de onderwereld, het dagelijkse en het buitenissige, de dag- en de droomwereld, de buiten- en de binnenwereld, de hoge en lage literatuur, het mythische en het realistische soms wat al te schielijk met elkaar te verbinden. Desalniettemin onderkent Holvoet-Hanssen zijn nietigheid, ‘een zandkorrel in een ooghoek’ te zijn, ‘een traan op de wang van het heelal’. Hoezeer hij ook het verlangen naar een allesomvattende eenheid najaagt, hij beseft tegelijkertijd de vergeefsheid ervan.
Holvoet-Hanssen schept zich een eigen universum waarin alles met alles samenhangt. Dat laatste geeft hem houvast ondanks het feit dat hij ook wel weet dat er heel wat slagen in de lucht gemaakt worden, voordat je het zelf gaat geloven. Hij opereert nogal eens als een circusclown die zijn eigen overmoed beseft maar daaraan gedurende zijn act niet wil toegeven. Hoe het ook zij, hij gelooft sterk in zijn eigen optreden, in de verwachting dat zijn publiek ermee in zal stemmen. Er zijn momenten dat je gefrappeerd wordt door zijn durf in het samenbrengen van woorden en beelden, maar even zovele malen heb je het gevoel met luchtfietserij van doen te hebben. Het werk lijkt dan ‘geen goedgekeurd engagement / of onschadelijke melkschuimauthenticiteit’ te bezitten. Je verliest als lezer nogal eens de vaste grond onder de voeten. Je voelt je hier en daar verloren in een verbeeldingswereld die wel elementen uit de bekende werkelijkheid en de traditie bevat, maar die niet altijd doeltreffend in een gepresenteerde samenhang zijn gebracht. Al voordat hij losbarst, heeft de dichter, zoals hij in zijn ‘Toegankelijk gedicht’ uit de afdeling ‘nachtmatroos’ aangeeft, zelf even de behoefte er maar het zwijgen toe te doen: ‘warmte en wifi een zeldzaam gezonde / bries van stilte zwijg liever zwijg toch / tot in het negende octaaf’.
Het is een omvangrijke bundel geworden. Holvoet-Hanssen kent opnieuw in deze bundel een zeer vrije omgang met de versvormen, de regellengtes, de bladspiegel, de typografie en de omvang van de verzen. Daarin volgt hij zijn grote voorbeeld: Paul van Ostaijen. De bundel bestaat uit vijf afdelingen waarbij verschillende gedichten uit onderafdelingen bestaan. Het karakter van zijn poëzie heeft een sterk narratieve en beeldrijke inslag waaraan hij elementen uit zijn (auto)biografie en de literaire traditie toevoegt waarbij hij ‘de zaden van het kwaad tot bloemen noodt’, om in de geest van Baudelaire te spreken. Hoewel poëtische stijlfiguren als herhaling, parallellisme en opsomming veelvuldig terug te vinden zijn in deze bundel, schrijft Holvoet-Hanssen overwegend proza-achtige poëzie.
In de tweede afdeling ‘Kleine reuzin’ gebruikt hij beelden die hij ontleent aan beelden van zijn kleine reuzin Anna Roza Holvoet. Deze gedichten spelen zich af in een droomachtige sfeer. De droomwereld is een verbeeldingsomgeving waarin Holvoet-Hanssen zich zeer thuis voelt:

Ze danste in het gebroken wit van de zon,
tekende gedichten als danseressen
met dromen groter dan het heelal.
Haar slagschaduw. De sterren sterven mee
naar het andere einde.

Hij stelt zijn kosmische werkelijkheid op scherp om haar in het oog te krijgen: ‘Grote Beer staat op zijn kop, ziet in de ogenglans / van de moeder zorgen om haar Kleine Beer’. Hij wil zo snel mogelijk ‘het ontdroomde land’ achter zich laten om zoveel mogelijk te kunnen toeven in die droomwerkelijkheid. In deze dubbelheid verkeert Holvoet-Hanssen permanent. Het gaat voor hem uiteindelijk om de vergetelheid waarin vadertje Tijd het laat afweten: ‘weet dat het te pas en te onpas / om de liefde gaat, de dromenstaat.’ Hij gaat voortdurend een gevecht aan met de tijd en wenst zich een verblijf op ‘een eiland waar de tijd in cirkels loopt’, waar de liefde kan zegevieren. Daar beklimt hij zijn Grote Reuzin en ziet er voor het eerst de dreiging van de Goleman. Het is ook de plaats waar hij voor het eerst het lied van het maanzeemeisje hoort.

In de andere kamer hoor ik je donderen, zwart kruipend lijk
naar de aarde gebogen als regen die hangt aan omgedraaide molens.
Sokken in de kom van je soep.
Vadertje Tijd, wees een levende wolk in de vergetelheid.
Als engelen zingen om je aandacht
weet dat het te pas en te onpas
om de liefde gaat, de dromenstaat.
Vaar in een stralend wit hemd in een bloemenboot
maar niet naar de overkant van de rivier.
Niet naar de andere kamer. Daar moet ik groot worden.
En ik ben nog liever dood.

In ‘De Ballade van Gérardie Byarvoi’ speelt Holvoet-Hanssen met de traditie van de vagantenliederen, de hoofse poëzie van Hooft en Huygens, de modernistische poëzie en moderne rapteksten. Hoge en lage literatuur zijn met elkaar vervlochten, want ‘ware poëzie’ is in de ogen van deze dichter ‘rebellie’. Hij wenst niet te investeren in ‘stiekeme poëtica’s’ maar in ‘speelse natuur’, want die is veel ‘resistenter’ tegen de duisternis van deze wereld.
Zijn bundel Blauwboek moet ‘een talisman met veel gezichten’ zijn. Daarmee kun je de Goleman, het monster, het onheil met een gerust hart tegemoet treden. Door alle duisternis heen blijft de sprokenverteller geloven in dit leven. Zoals bij het beeld Miracolo in het Middelheimmuseum te Antwerpen de ruiter op het paard van Marino Marini steeds blijft duren, zo zal ‘na dood het leven uitweg’ zoeken.
De belangrijkste afdeling uit de bundel is die van ‘de vijftien staties naar het grote blauw’. Hij bevat een oproep je kruis op te nemen en je dromendief een brief te sturen om zodoende op weg te gaan naar het azuur, ‘het blauw gedicht’. De wolk van de zwarte god hangt boven Watou, de plek waar jaarlijks de poëzie samenkomt: Hugo Claus, Eddy Van Vliet, Gerrit Kouwenaar en vele anderen. Holvoet-Hanssen volgt op eigenzinnige wijze de nieuwtestamentische staties en geeft er een humanistische, eigentijdse en soms bizarre betekenis en kleuring aan. De ik plaatst zich in de rol van Jezus en probeert een hedendaagse aankleding van het lijden van de hedendaagse mens te schetsen, in het bijzonder zijn eigen rol als dichter in een duistere wereld vol dreiging, geweld en vernietiging.
De ik wil dat het dodenland weer door een dans bevlogen raakt. Uit de diepte van ellende klinkt een grondtoon op. Jezus verschijnt in bizarre eigentijdse beelden om de verlatenheid van de hedendaagse mens uit te drukken: ‘verlaten straat, alleen de camera’s waken – dan kijkt hij / naar omhoog: Het is oneindig, en maar goed ook.’ Misschien is de vierde statie wel de meest cruciale in deze profane reeks met religieuze connotaties: de poëzie als blauwdruk kan de pijn niet stillen, want ‘verdraaid vernuftig was het dichtersconcentraat’. De afstand tussen ik en jij blijft immers bestaan. De hoop blijft dat anderen hulp kunnen bieden. Holvoet-Hanssen voert Maria Magdalena als publieke vrouw op die op het strand met een veel te kleine beha probeert de laatste lust bij Jezus los te maken. We verplaatsen ons daarop naar een hemelse tuin. Ondertussen gaan we onze ondergang tegemoet. Deze kruisgang mondt uit in een verdediging van het eigen dichterschap en de waarde die zij voor de mensheid kan hebben.
De ik vereenzelvigt zich met Jezus als visser van mensen, maar noemt zich ‘een verzenvisser zonder sleepnet.’ Holvoet-Hanssen, de ik, verwoordt tevens de kritiek die net als in het geval van Jezus vanwege zijn eigenzinnige manifestatie op hem is afgevuurd: ‘ik werd beschuldigd van esoterie, numerologie, HET MAKEN VAN CRYPTOGRAM, / te brede gedichten en nachtwinderige rede’. Hoe het ook zij: voor een ieder is er ‘geen leven na de dood’. En toch is de conclusie ‘er is geen dood: alles leeft de dood leeft en de rotsen stromen, strrrrrrr’. In de elfde statie valt de veroordeling, de kruisiging. Hij verafschuwt de fraaipraters van de bewierookte poëzie van Leonard Nolens. Toch zullen we allen transformeren. De stervende dooft uit, maar ‘Het sterven is geboren worden in het staalblauw, de hellevaart voorbij.’ Er volgt een grote sprong, ten slotte een lamento. Hoewel Blauwbaard je de hals omdraait, vindt er een transformatie plaats tot een nieuw mens. Moraal van het verhaal: reik elke dag de hand’ en ‘Laat het leven landen als een koninginnenpage op je dikke teen.’
Holvoet-Hanssen is een dromer, een middeleeuwse sprokenverteller, een fabulist, een trieste maar vrolijke artiest in een duistere wereld. Hij blijft op weg gaan naar het zuivere dichterschap, schoongewassen en gedroogd door de ‘Speed Queen’ van zijn taalwasmachine, met als risico dat we na zijn centrifugale werking zwijgen ‘in een taal die niemand spreekt’.

Recensie van Gedichten voor de kleine reus - Peter Holvoet-Hanssen

Spelen met de woorden van andere dichters

Peter Holvoet-Hanssen
Gedichten voor de kleine reus
Uitgever: Polis
2016
ISBN 9789463100137
€ 19,95
70 blz.

Bij het lezen van de nieuwste bundel van Peter Holvoet-Hanssen (1960) heb ik meermaals aan Homo ludens (1938) van de Nederlandse cultuurhistoricus Johan Huizinga gedacht. Huizinga beschouwde het spel als een essentiële bouwsteen van de cultuurontwikkeling. In de jaren 1960-1970 probeerden de provo- en de kabouterbeweging het spel in het politieke leven te introduceren. Als tegenculturele beweging heeft het samenspel – waar Roel van Duijn bij betrokken was – ook een en ander gerealiseerd. Huizinga zag voorbij de politieke horizon en bracht spel in verband met de rechtspraak, de wijsheid en ook de poëzie. Hij wees erop dat dichten in de spelsfeer tot stand komt en altijd in die sfeer thuis blijft. ‘Om poëzie te verstaan,’ schreef hij, ‘moet men de ziel van het kind kunnen aantrekken als een tooverhemd en de wijsheid van het kind aanvaarden boven die van den man’ (Verzamelde werken V, 1950, p. 184). Mijn verwijzing naar de stelling van Huizinga betekent niet dat ik die zonder meer aanvaard.

Of Holvoet-Hanssen, in 2010-2011 Antwerps stadsdichter, met de ideeën van Huizinga vertrouwd is, weet ik niet, maar Gedichten voor de kleine reus, zijn nieuwe dichtbundel, beantwoordt in grote mate aan de uitgangspunten van de Nederlandse historicus. Voor vroegere bundels ontving hij o.a. de Debuutprijs (1999), de Dirk Martensprijs (2001) en de Paul Snoekprijs (2010). Hij schrijft ook proza (o.a. De vliegende monnik, 2003 en Zoutkrabber Expedities, 2014). Alleen al de titel van de nieuwe bundel verwijst naar het spel. Men vraagt zich onmiddellijk af hoe klein een kleine reus is. Kan dat misschien ook een grote dwerg zijn? Wie is overigens die kleine reus? Een geniale dichter met te korte beentjes, die met een paukenslag – boem! – de poëtica van zijn voorgangers en tijdgenoten ontwrichtte?

Ondanks of wellicht precies door het spel blijft het oppassen geblazen, want de inzet is hoog en geluk aan de speeltafel is nooit gewaarborgd. Wanneer het boek in de boekhandel ligt, is het ‘faites vos jeux, rien ne va plus’ al lang weggeëbd. Wordt de inzet van de dichter beloond, of gaat iemand anders met de winst lopen? Peter Holvoet-Hanssen heeft wellicht goed een aantal aftelrijmpjes beluisterd of eventueel gelezen. ‘Liedje voor een kleine reus’ (p. 19), opgedragen aan Louis Paul Boon, is een goed voorbeeld van het spel met taal en betekenis. In dat gedicht wordt Piet Fluwijn – de vaderfiguur in de stripreeks De avonturen van Piet Fluwijn en Bolleke – geïntroduceerd. Ook Polleke (van Ostaijen) werd binnengesmokkeld. Louis Paul Boon werd al vroeger, zij het indirect, binnengeloodst in de bundel Strombolicchio. Uit de smidse van Vulcanus (1999). De openingszin van ‘De stollende wraak van J. Enterhaeck’ luidt als volgt: ‘Ik breek mij af, bouw mij op’ (p. 15). Deze versregel doet aan Ook de afbreker bouwt op (1982) van Boon denken.

De nieuwe bundel bestaat uit vier cycli: ‘De tuin der poëten’, ‘Klank van de stad’, ‘Het land van Music-Hall’ en ‘De reus die komt’. ‘De klank van de stad’ doet, alleszins wat de titel betreft, denken aan ‘de klaenk van de stad mokt m’n ziel amoureus’, de tweede versregel van ‘Ik wil deze nacht in de strate verdwale’ (1973) van Wannes van de Velde. In het gedicht ‘De droomtuin’ (p. 37) worden Maurice Gilliams en zijn romanfiguur Elias van onder het stof gehaald. De derde cyclus refereert aan Paul van Ostaijens debuut, Music-Hall (1916), of aan het vijfdelige gedicht ‘Music Hall’ in de bundel De bezette stad (1920). De titel van de cyclus wordt vervolledigd met een omschrijving: ‘de muziekdoosgedichten voor Paul Ampère’. Met het begrip muziekdoosgedichten begeeft de dichter zich naar het gebied van spel en dromen. Ampère is een eenheid die de elektrische stroomsterkte aanduidt, en Van Ostaijen heeft niet alleen in Music-Hall maar ook in zijn andere bundels de stroomsterkte en de spanning opgedreven. Hippe Antwerpse jongeren schrijven ampère met een hoofdletter, en verwijzen zo naar een nieuwe magneet: een evenementenzaal onder de sporen naar Antwerpen Centraal.

De vierde cyclus verwijst naar een reuzenlied dat in de negentiende eeuw door meer dan één filoloog werd opgetekend. In de Nederlandse Liederenbank vindt men een aantal varianten van dit reuzenlied. Holvoet-Hanssen spiegelde zich in Strombolicchio al eerder aan het kinderliedje ‘In de maneschijn’, en in de bundel Santander. Ontboezemingen in het vossenvel (2001) hangt hij het gedicht ‘La Renardière’ op aan een Frans lied waarvan vooral de eerste twee versregels gemeengoed zijn geworden: ‘Malbrough s’en va-t-en guerre / Mironton, mironton, mirontaine.’ En op die manier belandt hij weer op het terrein van Louis Paul Boon, die in Wapenbroeders (1955) Reinaert een nieuw boetekleed heeft aangetrokken. Anders gezegd: de dichter verbergt zijn bronnen niet. Het lijkt erop dat hij gevestigde schrijvers in een spel wil meesleuren. Maar volstaat dat om gedichten te schrijven ‘die je bij je nekvel grijpen’, zoals op het achterplat van Santander wordt gesteld? Kan ik de uitspraak van Geert Buelens, vermeld op een binnenflap van Gedichten voor de kleine reus, beamen? Is Holvoet-Hanssen inderdaad de verloskundige die de poëzie hielp bij de bevalling van haar moderne kinderen? En had Komrij het bij het rechte eind toen hij beweerde: ‘Zolang Peter Holvoet-Hanssen met zijn toverstok zwaait, licht het landschap op’? ‘De vlucht van Asta Nielsen’, het vijfde gedicht van de cyclus ‘Het land van Music-Hall’ (p. 45), haalt alleszins niet het niveau van Van Ostaijens aanbidding van de Deense diva.

Alvorens ik de inhoud verder onder de loep neem, wil ik het kort over de formele aspecten van de bundel hebben. Zoals in zijn vorige bundels blijft de dichter vormtechnisch zeer ongelijke gedichten schrijven die slechts uitzonderlijk uit relatief korte versregels bestaan. Ik denk aan de eerste twee gedichten van de korte reeks ‘Een Vlaming in Haarlem: drie miniaturen’ (p. 55-56). Soms maakt hij gebruik van strofen, maar een gedicht is ook vaak een monoliet. Andere gedichten, zoals ‘De droomtuin’ (p. 37-38), doen aan het script van een toneelstuk denken. Het is precies in ‘De droomtuin’ dat de dichter de tuin uit Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936) van Maurice Gilliams evoceert. Meestal maakt Holvoet-Hanssen gebruik van lange versregels, en zijn de gedichten evenredig lang. Nu en dan wordt gebruik gemaakt van rijm, alliteratie zoals in ‘de kasten kijken door je / de spiegel staat in brand’ (p. 29) of assonantie, maar het dominante patroon is prozaïsch. De prozaïsche zegging staat het opvallende spel met woorden uit het verleden niet in de weg.

Spelen is niet verboden, maar het is niet – in tegenstelling tot wat Huizinga schreef – essentieel om gedichten te verstaan. Het spel speelt zijn toevallige rol op het moment dat de eerste versregel onverwacht uit het onderbewustzijn opborrelt. De volgende versregels zijn het resultaat van cognitief en emotief ‘paswerk’. Doorgedreven spel verliest zijn spelkarakter, en bovendien geloof ik niet in het toverhemd van het kind. De Franse filosoof en pedagoog Jean Château heeft in L’enfant et le jeu (1950) aangetoond dat het spel van het kind gericht is op het aanleren van vaardigheden die noodzakelijk zijn om als volwassene overeind te blijven in een wereld die in het teken staat van hebben en zijn. Paul van Ostaijen heeft impliciet Châteaus bevindingen geïllustreerd in het gedicht ‘Marc groet ’s morgens de dingen’. In dat gedicht heeft hij aangetoond hoe een kind spelenderwijs taal verwerft, en niemand zal betwisten dat taalvaardigheid een grote rol speelt in het leven van elke volwassene. Ook wanneer geen ‘boekhouding’ wordt bijgehouden, zijn vaardigheden een ernstige aangelegenheid. Ik ben dan ook meer onder de indruk van gedichten zoals het sociaal getinte ‘Soweto’ (p. 24) en de historische terugblik ‘Een zachte paniek’ (p. 27). Van de spelende dichter onthoud ik vooral het gedicht ‘Het slempen van de reus’, waaruit ik de eerste strofe overschrijf:

Een klein beetje water en we zijn vertrokken.
We laten ons groeien. Daar gaan we.
Emmeke, ik schrijf je naam op het dak.
Emmeke lief, ik plak je zachtjes.
Ik bijt je hartje. (p. 44)

‘Onder de koepelserre”, opgedragen aan Paul van Ostaijen, opent met ‘De Valse Hoop’ die het sanatorium in Miavoye wellicht bij vrienden van de dichter heeft opgeroepen, maar in de tweede strofe bots ik op de cynische versregel: ‘Leid Pneumo en Thorax naar het bed’ (p. 48). Ik kan een moeilijk afscheid van het leven en de oprechte bewondering voor Van Ostaijen niet verzoenen met dat soort ‘grappen’. Als er dan toch met woorden gegoocheld moeten worden – en ik erken de noodzakelijkheid van het spel als spel –, dan verkies ik gedichten zoals ‘Dinska Bronska’ van Karel van den Oever of een versregel zoals ‘Soms tussen tulpen bloeit een tulp vreemdsoortig’ van Richard Minne.

Recensie van Antwerpen/Oostende - Peter Holvoet-Hanssen

hier komt de stad dichter

Peter Holvoet-Hanssen
Antwerpen/Oostende
Uitgever: Prometheus ,Prometheus ,Prometheus ,Prometheus
2012
ISBN 9789044620375
€ 25
128 en 64 blz.

Antwerpen was de eerste Vlaamse stad met een stadsdichter. Na Tom Lanoye, Ramsey Nasr, Bart Moeyaert en Joke van Leeuwen was van Gedichtendag 2010 tot Gedichtendag 2012 de beurt aan Peter Holvoet-Hanssen en dat is iets wat de stad geweten heeft. Als ‘StadsPeter’ veroverde hij met tomeloze energie vanuit zijn kapersnest de Antwerpse ruimte, waar hij, alles en iedereen inschakelend, als een wervelwind huis hield. Twee jaar lang was hij als een soort welwillende usurpator manifest en dwingend aanwezig, voortdurend met aanstekelijk enthousiasme zijn onconventionele ideeën over stadsdichterspoëzie in praktijk brengend.

Zijn start was meteen al tekenend, want door met een ‘poëziekanon’ gedichten de Antwerpse Grote Markt over te schieten, vuurde hij af waar hij in zijn periode voor wenste te staan: een eigen koers varen voor een eigen vorm, die maximaal effectief moest zijn in het uitdragen van zijn boodschap dat poëzie moet leven in hart en hoofd van allen die samen hun stad zijn.

Zeventien stadsgedichten schreef PHH, ieder gedicht het resultaat van een afzonderlijk project dat in banieren, pamfletten en installaties in ontwerpen van Jelle Jespers vorm kreeg. Daarnaast schreef hij vier gedichten ‘van ‘t stad’, teksten die hij samenstelde uit woorden en zinsflarden die zijn plaatsgenoten aanleverden. Voor het vergaren van die ‘Schat van ‘t Stad’ resideerde hij in het Schoon Verdiep van het Stadhuis, gebruikte hij inzendingen via brief, e-mail en sms, maar ging hij ook actief de scholen in en zocht hij contact met anderstaligen.

In zijn inleiding (hier ‘Parcours’ geheten) en vooral in de uitgebreide aantekeningen bij de gedichten doet hij het zelf allemaal uit de doeken. Opvallend is hoe genereus hij daarbij op de verdiensten wijst van de velen die op de een of andere wijze bijdroegen of hem inspireerden, zoals de honderdjarige dichteres Irène de Weerdt, echtgenote en kinderboekenschrijfster Noëlla Elpers, Marc Purnaels, Ruth Lasters, Bert Bevers en schrijver-schilder Pjeero Roobjee. Maar er vallen veel meer namen.

Nergens is er in PHH’s stadsgedichten ook maar één plek aan te wijzen waarin de dichter zichzelf centraal stelt. Bij hem is het ik geen bron van inspiratie, egocentrische thematiek is hem vreemd, van lyrisch-solipsistische ontboezeming houdt hij zich verre, makkelijk sentiment ontbreekt (de gevoeligheid in ‘Sterrenwijsje’, gedicht voor het Middelheim Ziekenhuis, is van een heel andere orde). In plaats daarvan is het totaal van deze stadsgedichten als een meerstemmige rei waarin PHH een cryptische evocatie geeft van wat een stad in essentie is: net als het gedicht een aparte, zelfstandige entiteit met een volstrekt eigen karakter.
Zo begon hij:

VRIJBRIEF

Zing ‘mijn stad, open u’ – vier torens in de wind die krimpt
wees welkom en Salaam Alaykum – ook wie thuisloos is
gehavend of in de goot: trapt ‘t af, pakt auwen boel
of: schat, ne koffe? Hier, een warme zjat –

Zo dacht ik te beginnen maar de meeuwen streken neer
als boekaniers, o schoon verdiep – het volk beneden u
bij onze woordenkraam, de kathedraal een baken; zie
daar rijst voor ogen poëzie, de spandoek van ons Fien

Zo dacht ik te beginnen maar de geur van gaarkeukens
kroop met de Scheldelucht in mijn gedicht, een stem die sprak

Zijn kop was als een boot: ‘Langs alle kanten voelt ge wind
die waait door ‘t hart van ‘t Stad, van Jef en zijn Marie tot Mo.
‘t Is toch zo simpel, luister goed: hier komt de stad dichter.’

[…]

Het tweede stadsgedicht was het ‘Torenlied’, dat massaal door Antwerpen zelf werd uitgevoerd: een tiental koren, verschillende orkesten, straatmuzikanten, een orgelman, koperblazers vanaf het balkon van de kathedraal en PHH als het bepalend middelpunt daarin, vormgever van het veelkleurige en chaotische van de levende stad:

[…]

laat de kleur van de klokken klinken
laat de zon op kasseien blinken
laat de geur van de Schelde strelen
de wind in de stegen spelen

ding dong ding ting ling ling kling klang (4 x)

[…]

De bundel gaat van de ene bijzondere tekst naar de andere, met als hoogtepunten ‘De Scheldeduiker’, dat op de boeg van het passagiersschip de Festina Lente werd aangebracht, de ‘Brief aan Jérôme’ (geschreven voor de film De veer van César), de ‘Arbre à Palabres’ (de Vertelboom) en ‘Welkom Pierewaaiers’, een verzenlint dat ruim drie kilometer lang over de waterkeringsmuur van de Schelde loopt.
Het slotgedicht is ‘Aangespoeld in Oostende’, en dat is meteen de overgang naar het tweede deel van het boek. Behalve benoemd en bezoldigd staddichter van Antwerpen heeft PHH zich ook steeds schatplichtig gevoeld aan Oostende, door hem zijn ‘maîtresse’ genoemd. Hij schreef er vijftien ‘zeegedichten’ voor, vol onnavolgbare taalacrobatiek, zonder enig spoor van ‘brave schoonzoonpoëzie’: ‘Hoe zal dit schrijven het strand des tijds blijvend overspoelen?/ Wat bezielde, of net niet, deze kuitschietende ‘Kapertein’ van letters & zijn?’
Het antwoord geeft hij in de Oostendse versie van ‘Arbre à Palabres’ zelf:

[…]

uit eeuwig zijn de dingen die wij zingen die wij zingen
de spinnenpoten trillen van de dingen die wij doen
uit eeuwig rijst de zee, het is haar huid die wij beminnen
waarom verwaait het mensenbroed het soezen rond de noen
en zelfs het roezen van een zoen, zo winden wij hun zinnen
als witte wasem in hun kruin; wij spannen hen de spier

[…]

Antwerpen/Oostende biedt nog een paar aantrekkelijke extra’s. PHH besluit het Antwerpen-deel met het korte essay ‘de jagers in de sneeuw’, waarin hij zijn visie op stedenschoon formuleert aan de hand van Pieter Breughel de Oude en Wammes van de Velde. Het Oostende-deel eindigt met het absurdistische verhaal ‘de missie in Oostende’, een groteske. De fijnste bonussen zijn te vinden in een apart bijgeleverd mapje. Daarin de dvd van De veer van César en 35 afbeeldingen – de stadsgedichtontwerpen van Jelle Jespers en foto’s en tekeningen van ‘zeekunstenaar’Jo Clauwaert – die door de lezer zelf moeten worden ingeplakt. Met het uitzoeken en aanbrengen ervan ben je zo een speels uur bezig, de ideale voorbereiding op de lectuur van de bundel.

Holvoet-Hanssens opvolger is Bernard Dewulf. Hij staat wel voor een uitdaging…

*****
De productie van het project Antwerpen/Oostende kwam tot stand in samenwerking met Antwerpen Boekenstad.  De film De Veer van César (Engels ondertiteld) werd gemaakt door Minske van Wijk en Oscar Spierenburg.
Peter Holvoet-Hanssen (Antwerpen, 1960) publiceerde onder meer de dichtbundels Santander (2001), Spinalonga (2005) en Navagio (2008). Samen met zijn echtgenote, jeugdauteur Noëlla Elpers, vormt hij Het Kapersnest.