Recensie van Blijven en weggaan - Ineke Holzhaus

Het nu van het gedicht

Ineke Holzhaus
Blijven en weggaan
Uitgever: Azul Press
2016
ISBN 9789492401090
€ 15
56 blz.

Met de bundel Blijven en weggaan verzilverde Ineke Holzhaus de Hofvijverpoëzieprijs van de stichting ‘Vrienden van de Hofvijver’, die om de twee jaar wordt uitgereikt. Zij won hem in 2015. Aan de hand van een opgegeven thema werd gevraagd een gedichtencyclus van minstens vijf gedichten in te sturen. Het werk van de prijswinnaar werd dan in een bundel gepubliceerd. Het thema van 2015 was: ‘Op het duin’. Ineke Holzhaus won met haar cyclus ‘De tuin van Nolde’.
Ze las de gedichten voor in het Europahuis in Den Haag aan de Hofvijver. Ik was er bij. Sommige gedichten lenen zich goed voor een auditieve beoordeling, sommige ook niet. Ik had, al luisterend, wat moeite een relatie te leggen tussen het duin en de tuin. Ondanks mijn hoop op nader begrip als ik over de tekst zou beschikken, is dat bij lezing toch ook niet gelukt. Het is overigens wel een mooie cyclus, waarbij de dichteres zich inleeft in het leven van de Duitse expressionistische schilder die in de jaren dertig van de vorige eeuw klem zat in de in Duitsland aanstormende ‘Nieuwe Tijd’. Ineke zal zich ook niet gerealiseerd hebben, dat zij de laatste winnares van de prijs was. Het bestuur van de stichting stopt namelijk met de poëziewedstrijd, waarmee dit sympathieke initiatief, waarbij het om een gedichtencyclus ging, een, zover ik weet unieke prijsvraag in ons taalgebied, bijgeschreven kan worden in de literatuurgeschiedenis.
De bundel heeft vijf onderdelen: ‘Blijven en weggaan’, ‘Op het Duin’ (waarin een viertal Haagse gedichten deze Haagse recensent verblijdden), ‘De tuin van Nolde’ (de bekroonde cyclus), ‘Je bent los’, ‘Meer tuinen’ en tenslotte ‘Blauw plastic zakje’.
De poëzie van Ineke Holzhaus is zeer zintuiglijk. Ze neemt scherp waar en legt die waarneming vast in het gedicht, waardoor haar gedichten worden tot een persoonlijk hier en nu. Haar taalgebruik is eenvoudig, vol kleur en soms is er een ritmische muzikaliteit die het lezen aangenaam maakt. Dit viel mij op in het eerste gedicht van de bundel: ‘Wandeling’:

Alleen als je vroeg opstaat kun je de stad
in haar tederste staat begroeten, tingrijs
violet bijna, stil water als ijs, voor de lichtzinnige

draaikont zich verkleedt tot kleverig lunapark
kakelbont feest, bezopen en onbeschaamd naakt…

Mensen en herinneringen zijn belangrijk voor haar, evenals verwijzingen naar beeldende kunstenaars en dichters. In een van de Haagse gedichten, ‘Aan de haven’, stelt zij de lezer op de proef door te verwijzen naar een drietal dichters die ze met initialen aangeeft: ‘Je kunt nog niet in een tram zitten naar zee/ zonder aan eerdere ritten te denken en aan R.C. / die ze triest en traag heeft genoemd, de gele // wagens naar de haven …’ En even verderop: ‘en denk hoe M.N. voor dag en dauw een tram / door zijn sonnetten stuurde…’
Uiteraard probeer je de namen van de dichters te raden. Ik werd verderop op het verkeerde been gezet doordat ze ook nog verwees naar ‘versregels van de schrijver B.B. die zich / de vorm van de wolken beter herinnerde / dan het gezicht van zijn geliefde.’
Gelukkig geeft ze de ‘oplossing’ in de bladzijde ‘aantekeningen’.

Het is niet alleen om de nieuwsgierigheid te bevredigen, dat ik aanraad de bundel aan te schaffen. Wat mij ook opvalt is dat de bundel liefdevol is. De personen die in de diverse onderdelen voorkomen worden scherp, maar liefdevol getekend. Zo schrijft ze over haar opa een paar prachtige regels: ‘Klompen, schrale ochtend, corduroy / vouwen in zijn knieholten gesleten, hij is / je naam niet vergeten uit de vele op weg / naar zijn Eden, schepping tussen vaart en sloten…’
Zo kijkt ze ook naar haar oma, naar haar moeder, naar kunstenaars als Rothko en Giovanna Garzoni, ze kijkt ze naar landschappen waar ze zich mee verbonden voelt, naar geliefden, naar gebeurtenissen. Ze creëert met haar kleurrijke taal een poëtische, maar ook menselijke werkelijkheid, waarin ze haar eigen plaats weergeeft ten opzichte van datgene wat ze beschrijft in het hier en nu van het gedicht.

Een enkel woord nog over de cyclus, waarmee ze de wedstrijd won en die in feite de basis van deze bundel vormt. Volgens de flaptekst gaat het om de cyclus ‘Als op een duin’. In de bundel heet de verzameling ‘De tuin van Nolte’. Alles wat hiervoor gezegd is over de kwaliteiten van haar poëzie geldt voor deze vijf gedichten. De aandacht, de liefdevolle benadering, de kleurrijke taal: ze zijn allemaal aanwezig.

De dichteres bezoekt Seebüll, vlakbij de Deense grens, waar het huis ligt waar de schilder Emil Nolde en zijn vrouw woonden. ‘Het is nog stil, de bussen komen later’, zegt een vrouwenstem: ‘u hebt het goede jaargetijde uitgekozen’. De vrouw blijkt de vrouw van Nolde te zijn, met wie de dichter een fictieve dialoog aangaat. Ze wijst op: ‘de krakend blauwe luchten / noordelijke stapelwolken, cumuli / daar hield hij van vanwege het contrast / hoewel ook de storm hem dierbaar was-‘. Ze tekent de harde streek: ‘er wordt een zekere hardheid van ons / verwacht, van planten, vogels, de bewoners.’

Ze deed de tuin, zegt ze. Die tuin moet een feest van kleur en vorm geweest zijn. Ik citeer het hele gedicht.

Ik wiedde grassen, netels, klaver
juffertjes in ’t groen waren hem te bleek
hoewel zijn ogenblauw – kijk maar binnen
naar zijn zelfportret – het bloemblauw
in haar venushaar benaderde; zijn blik
geschrokken ijs. Ik doe de tuin, nou ja ik deed.

Ik koos de irissen en dubbele violen, dahlia’s
in tinten die hem naar het zuiverst rood
deden grijpen of blauw, hij kneep het Pruisisch
zo de tube uit – hier is de zee zei hij en hier
de gele lucht die wegdreef als hij ernaar keek
maar die hij razend schilderend achterhaalde.

Van zeer nabij beschrijft zij de politieke verwarring die zich van de schilder en ook van haar meester maakt in de stad: ‘Ze sloegen het roet af van de stad / de losgeslagene, waar in de danslokalen / geamputeerde soldaten hun ijzeren kruis / schudden, de loopgraven wegdronken-‘.

Het contact met het nieuwe regime wordt weergegeven in een niet rijmend sonnet, waarin eerst de keuze wordt gemaakt voor ‘het zuivere licht, het noorden, het onvermengde blonde volk…’, maar uiteindelijk ontzegt ‘de vereerde leider met geheven hand’ hem ‘linnen, verf, papier, vernis’. Na dit strakke vers komt het laatste van de vijf gedichten uit de cyclus waarin duidelijk wordt dat het een fictieve dialoog is: haar stem klinkt ‘ijler nu, verdwenen bijna’. De verwarring slaat ook in de vorm toe. Noldes vrouw vraagt de dichteres: ‘weet u nog wat u ziet wanneer u / straks verward zijn atelier ingaat?’ om daarna te concluderen ‘schoonheid verslaat goed en kwaad.’ Dan is ze weg. De cyclus eindigt met het beeld dat aansluit op het begin als ‘een buslading vrouwen met Noorse / wandelstok en drie verloren heren..’ haar tegemoet komt. De laatste regels geven stof tot nadenken: ‘ik verwissel mijn zonnebril voor de gewone / om naar zijn werk te kijken door ongetint glas’.

Misschien was een geïllustreerde uitgave van alleen deze cyclus erg mooi geweest, tekst en fraaie illustraties zouden zeker volstaan hebben. Dan hadden we wel dit buitengewoon fraaie boekje met de mooie overige gedichten gemist.

***
Ineke Holzhaus (1951) is dichter, schrijver, theatermaker en poëziedocent. Ze publiceerde bundels als Waar je was (2011) en Bovengronds (2014). In 2015 won zij de HofvijverPoëzieprijs. Ze woont een groot deel van het jaar in het mooie oude Berry in Frankrijk, waar ze ongetwijfeld ‘zeer rijke uren’ beleeft.

Recensie van Bovengronds - Ineke Holzhaus

Neerknielen zonder een god

Ineke Holzhaus
Bovengronds
Uitgever: Azul Press
2014
ISBN 9789490687809
€ 15,-
64 blz.

Aan het begin van de bundel Bovengronds van Ineke Holzhaus moet ik sterk denken aan Jos Versteegens Een huis verlaten, waarin de dichter zijn inmiddels overleden ouders beschrijft aan de hand van voorwerpen uit hun huis. Bij Holzhaus is ook sprake van het overlijden van een dierbare, niet noodzakelijk een ouder, en zielloze voorwerpen die het sterven onderstrepen. Maar bij Holzhaus krijgen we meer te maken met degene die het moment van sterven waarneemt. Zoals in het tweede gedicht van de cyclus ‘De dingen’:

 

We haalden je niet-net niet in
stapelden lichte woorden
gestameld op je ijsdunne handen

ze hadden al losgelaten.

De zoon van je zoon sprak je aan
onhoorbare elf uit het paradijs
blonde smeltende kristal.

Goede reis zwaaide je uit de verte
vanaf een perron of een vliegtuigtrap
hangend uit de trein in een roman
over meisjes van zomers katoen

wuifde je onder je gesloten ogen

haalde de ochtend niet
het sneeuwde zoals het niet mag
sneeuwen in gedichten.
 

Het is hier alsof de dichter herinneringen van de stervende waarneemt door achter haar gesloten ogen te kruipen. Zo vindt een bijzondere verschuiving van perspectief plaatst. De gedichten gaan zeker niet alleen over sterven. Holzhaus heeft een breed spectrum aan onderwerpen, met als gemene deler dat zij ze liefdevol waarneemt en met aandacht beschrijft. Ik lees poëzie die sterk met de aarde en de natuur verbonden is. Zij lijkt zich te ergeren aan oppervlakkigheid en consumentisme, dat lees ik bijvoorbeeld in:

 

Aan E. Munch

Toen u met temperahanden uw oren bedekte –
hoe dieper de buiging, hoe rauwer de schreeuw
van onderuit, lager dan de schaamstreek –
wist u niet dat bij de screamcollection punt com
uw beeld wordt aangeboden aan de favoriete
tiener die de bezorgdheid van zijn ouders
zal waarderen
, zo daalt u 18 inch neer als plastic
pop in een kamer waar een oud kind mag wennen
aan wanhoop, zo treft men u aan als bumpersticker –
wordt uw schreeuw om het geweld van de stilte
stommer dan ooit; t-shirt, thermostas, boxershort.

In ‘Creative writing’ meen ik een sessie freewriting te herkennen, een assoiatietechniek die wordt gebruikt om al schrijvende losser te worden en de interne criticus voor even aan de kant te zetten. Het resultaat is vaak een heel levendig stuk tekst waarin zelfcensuur geen kans heeft gekregen.
 

Creative writing

Als zij het me maar langzaam vraagt
zoals een hond zijn brokjes één voor één
en niet tot smurrie geprakt in een bak –
anders sla ik mijn handen voor mijn ogen
nee zeg ik nee tegen wie me niet verstaat
in mijn t-shirt met bloemetjes die al jaren
uit de mode zijn, ik ben apart, ze lachen
niet meer, het etiket op mijn voorhoofd
is weggewaaid, ik schrijf de duivel komt
me halen die ik bestrijd te zwaard
, zij zegt
het lijkt wel een film met die duivel
kun je het ook korter maken en nog wat
vergelijkingen en dialoog alsof ze praten –
ik denk niet alles tegelijk en dat ik niet
in paniek moet raken zegt zij, paniek
die zij ziet omdat ik met twee handen
om mijn hoofd zit en ik hoor ze zuchten
dat ik weer zo raar – wacht maar wacht
maar jullie antiautisten zullen verbaasd staan
hoe ik mijn handen weg doe en neerleg
naast het papier en dit keihard voorlees.

Ik ben er niet bij geweest, dus de tekst kan op geheel andere wijze zijn ontstaan. Misschien juist wel van buitenaf, vanuit iemand die waarneemt dat iemand die ‘een beetje apart’ is een schrijfopdracht uitvoert. Het is allemaal mogelijk, maar het blijft een levendig en meeslepend stuk tekst met een krachtige ontknoping.
Er valt veel te genieten en te waarderen in deze veelzijdige bundel. Met bovenstaande selectie geef ik maar een kleine indruk. Ik wil eindigen met een bijzonder mooie vergelijking uit het gedicht ‘Knielen’: … want wieden / is neerknielen zonder een god.//

***
Ineke Holzhaus (1951) is schrijver, theatermaker en docent schrijven. Zij debuteerde in 2008 met de bundel Hond in Pompeï. In 2011 verscheen de bundel Waar je was en in 2012 kwam de verhalenbundel Meisje in het blauw uit.
Holzhaus was jarenlang presentator op Poetry International en is werkzaam bij de School der Poëzie, waar ze kinderen begeleidt bij het schrijven van gedichten.
 

Recensie van Hond in Pompeï - Ineke Holzhaus

Een reis van begin tot eind

Ineke Holzhaus
Hond in Pompeï
Uitgever: Wagner & Van Santen
2008
ISBN 9789076569734
€ 15,95
63 blz.

Eerlijk gezegd, was ik een beetje met tegenzin aan Hond in Pompeï, het late debuut van actrice Ineke Holzhaus, begonnen. Uitvoerende kunstenaars koesteren vaak de heimelijke wens om ook eens een onsterfelijk vers of lied te schrijven en meestal levert dat een knap gemaakt maar weinig boeiend resultaat op. Ach, weer zo’n goedbedoelde poging van iemand die het klappen van de zweep kent maar eigenlijk niets prangends te vertellen heeft, dacht ik… tot ik mij aan het lezen zette…en mijn vooroordelen gedicht na gedicht voor de bijl zag gaan.

Holzhaus heeft een prachtige debuutbundel bij elkaar geschreven die ingetogen op zoek gaat naar de roots, nergens uitschuift over gezwollen beeldspraak of gezochte taalsnufjes, zeer beheerst de gevoelens raakt zonder ze op te blazen en zich van een rijk beeldtaalregister bedient. 

Roos

Men moet de bloemen water geven
aan de voet, een waaier maken, wortels weten,
eenjarig, meer, niet beschadigen, gescheurd,
gezaaid, vergeten wanneer, uitzicht innemen,

als op de grens van slaap na de daad, perzik
opengedraaid, vruchtdraden zweven aan de pit,
een tuinman haast zich niet, men moet ook in
de bloemen binnenbreken, over de rozen niets
dan goeds, over de rozen niets, niets dan de roos

bemesten, het woord water geven, langzaam,
hier, voor het donker wordt, aan de voet.

Met dit gedicht zitten we halverwege de bundel en hebben we intussen de ruïnes van Pompeï en een reeks ‘onderweg-gedichten’ over Frankrijk achter ons.  Hond in Pompeï leest als een reis die begint bij de oudste overblijfselen van onze beschaving en via een paar uitstapjes eindigt bij de letterlijke roots van de dichteres. De sterkste gedichten zijn dan ook die waarin ze – bijna organisch – het contact met het verleden probeert te herstellen. ‘Onder de tuin ligt een andere tuin’ is een even simpele als alleszeggende beginregel van een gedicht waarin de band tussen grootmoeder, moeder en dichteres wordt opgegraven.

(…)
mijn hand wroet laag voor laag tot  hij
zwart bovenkomt, onder mijn huid staan
haar blauw geaderde initialen geschreven,

ik leg droog wiedsel om, trek wortels
uit de ondergrondse moestuin tot ineens
mijn moeders handen zich uitsteken in mij.
(…)
Onder de tuin.

Op een langoureus, zangerig ritme wordt afscheid genomen en naarmate de bundel vordert maken de beelden plaats voor eenvoudige mededelingen die diep in het vel snijden:  Vooral in supermarkten overval je mij/ met je afwezigheid, hang ik verzwaard/ op winkelwagens of een glimlach oproepen: het stadsgras dat elk jaar goede moed vat  of  de verlatenheid beschrijven : verder gebeurt er niets tussen de huizen/ de mussen die zo tsjilpten zijn verdwenen.
Het laatste en wat mij betreft het mooiste gedicht vindt de perfecte balans tussen beeld en taal :

Wit het weiland

Wit het weiland achter de nabije tuin,
geen gras te zien of een ademend wezen.

Ontvouw me in velden van dauw, in nevel,
wanneer mijn tekening drupt op de ruit.

Boomstammen schetsen zich bladerloos
zwart het overbelichte beeld in. Takken.

Ook vruchtbeginselen zichtbaar en daar
eindelijk het ritselen van een dier. Vogel.

De Dag is goed voordat de dag begint.

Ineke Holzhaus (1951) is actrice en speelde vele kleine en grotere rollen. Ze is ook bekend als voordrachtskunstenares en trad ondermeer op op Poetry International. Een interview met Holzhaus kunt u hier beluisteren.