Recensie van Symbolen worden tot cimbalen. De honderd mooiste Nederlandse gedichten over geloof en inspiratie - Abeltje Hoogenkamp

God is met roken gestopt. Over een bundel met preekpotentie

Abeltje Hoogenkamp
Symbolen worden tot cimbalen. De honderd mooiste Nederlandse gedichten over geloof en inspiratie
Uitgever: Prometheus / Bert Bakker
2008
ISBN 9789044612011
€ 17,95
204 blz.

Meestal blader je bloemlezingen snel door, maar het boekje Symbolen worden tot cimbalen met gedichten over ‘geloof en inspiratie’ dat Abeltje Hoogenkamp samenstelde, lees je. Hoogenkamp kiest onbevangen en onbekrompen, ze geeft ruimte aan stem en tegenstem, waardoor de vrijzinnige bundel geen moment de signatuur draagt van een bepaalde denominatie. Reve’s ‘Roeping’ (het bekende gedicht over zuster Immaculata) was in deze bundel even welkom als Camperts ‘Credo’ en Koplands ‘Al die mooie beloften’.

In de gedichten staat zestig keer het woord God, vinden we 18 keer Jezus of Christus, en twaalf keer Heer. De woorden Hij, Gij, U en jij komen een veelvoud daarvan voor. Dat de ongelovige toch geen wee EO-gevoel krijgt, komt doordat Abeltje zelf niet streng in de leer is en ruimhartig plaats biedt aan andere geluiden, al is ze er zelf duidelijk nog niet aan toe om Jan Eijkelboom na te zeggen: ‘Ik heb dat rare geloof/ als een jasje uitgedaan./ Ik was nog maar veertien jaar/ en voelde mij begenadigd,/ als was er een wonder geschied.’

Hoogenkamp deelde naar eigen zeggen in volgens ‘het tweeduizend jaar beproefde format van de zondagse eredienst’: Op weg / Psalm / Bemoediging & groet / Kyrië / Gloria / Epiklese / Schriftlezing / Preek / Belijdenis / Gebeden / Tafel / Zegen / Op weg. Iedere afdeling kreeg een motto mee ontleend aan een van de gedichten eruit. Soms staan de titels van de afdelingen wel erg los van de gekozen gedichten. Bij ‘Epiklese’ (de neerdaling van de Heilige Geest) vinden we bijvoorbeeld Nijhoffs ‘De moeder de vrouw’ en ‘Dit is de tijd’ van Jan Wit. Door te beginnen met ‘Pasen’ van Gerhardt en te besluiten met ‘Ik word weer mens’ van Ad den Besten, draait het boek mooi rond.

Ze selecteerde gedichten van 54 dichters (waarbij ze merkwaardigerwijze Van der Graft onderscheidt van Willem Barnard) en daarbij zijn haar favorieten Achterberg (6x), Nijhoff en Schulte Nordholt (5x), Gerhardt, Oosterhuis, Van der Plas en Vroman (4x). Slechts drie oudere gedichten kregen een plaats (van Huygens, Luyken en Beets), dus niets van Vondel, niets van Revius en dat zijn toch de eersten aan wie je bij religieuze poëzie denkt. Door nadrukkelijk ook ‘inspiratie’ als thema te kiezen, verschafte ze zich wel de ruimte om ook buiten het christelijk geloof te kiezen en bijvoorbeeld Luceberts ‘er is een grote norse neger in mij neergedaald’ op te nemen. Dat ze daarin via een omweg toch ook weer de draai naar het geloof weet te maken, bewijst hoe sterk dominees zijn in het adapteren van ogenschijnlijke fremdkörper.

Bij twee derde van de gedichten levert zij toelichtend commentaar en dat is meestal zinnig. Wel valt op dat zij haar teksten graag ‘licht’ houdt, soms op het populaire af, en dat ze er nog wel eens met grote, wilde sprongen op los associeert met een woordgebruik dat tenenkrommend kan zijn … Haar behandeling van enkele Achterberg-gedichten kan dat duidelijk maken.
In ‘Kerstmis’ gaat de verbeelding van de ik-persoon naar Bethlehem: ‘2000 jaren her is daar een kind/ zojuist geboren en de moeder windt/ het in een doek.’ Hoogenkamp stelt daarbij vast: ‘de moeder oefent alvast de graflegging.’ Dat gaat wat ver.
Over ‘Deïsme’ zegt ze: ‘Wij zijn overbodig geworden, chemisch afval, schroot… het verbond lijkt voorbij. Want wie is er nou geïnteresseerd in zwerfvuil? Maar dan komt ‘Christus, koopman in oudroest’ voorbij scharrelen. Zelfs met de grootste rotzooi kan hij nog wat beginnen; hij is de Heer van het hergebruik, de Koning van de kringloopwinkel. En God staat daar niet buiten. Met de woorden ‘Vader’ en ‘smoezen’ roept Achterberg een buitengewoon intieme sfeer op. God en Christus zijn zo close dat je niet goed kan zien wie nou precies wie is, wat van God komt en wat Jezus bedacht heeft. De hele christelijke dogmatiek in een notendop.’
En bij ‘Werkster’ debiteert ze: ‘De werksters van deze wereld versieren voortdurend de vloer waarop wij lopen en dat vinden wij volkomen vanzelfsprekend. Maar God zit gek in elkaar – heel anders dan wij. Hij heeft een zwak voor de onderkant, de bodem en iedereen die daar ligt of rondkruipt. Werksters en kinderen bijvoorbeeld. En zoals peuters van een lepel en een paar pannen een drumstel kunnen maken, zo worden ook stoffer en blik instrumenten om God te loven. Het verhaal gaat dat God dol is op dat soort muziek.’ ‘God zit gek in elkaar – heel anders dan wij.’ Hoe krijg je het uit je pen, maar wat fijn dat Abeltje deze kennis met ons wil delen.
Zij is niet op veel fouten te betrappen, maar waar in ‘Reiziger ‘doet’ Golgotha’ staat ‘seint een Geheime Zender wit en hees’ wordt dat in haar toelichting ‘wit en heet’.

Onnavolgbaar grappig is hoe een gedicht van J.B. Charles wordt toegelicht:

Een kleine psalm

Hij alleen zou met een grote sigaar
in de mond op straat mogen lopen,
met de duimen in zijn vest,
want Hij is God.
Maar Hij doet het niet
want Hij is God.
 

‘Hoeveel sigarenrokers zijn er? Vast heel veel. Maar hoeveel mensen roken hun sigaar terecht? Er is weinig terecht in een mensenleven. Misschien is de enige die er terecht één mag opsteken God. Hij is tenslotte de Schepper. Maar volgens het christelijke geloof hecht deze Schepper niet zo aan zijn privileges. Hij wil liever dat anderen ook terecht kunnen roken. En tot het zover is, is Hij met roken gestopt. (Dit gedicht komt uit de jaren vijftig. Nu we roken een verderfelijke gewoonte zijn gaan vinden, zou een goed glas whisky, SUV of tweede huis in Toscane voor sigaar gelezen kunnen worden.)’

Ja, ja, denkt de weliswaar atheïstische, maar niettemin welwillende lezer, daar ga je, God …
In de keuze van haar gedichten en tussen de regels van haar besprekingen door lijkt Hoogenkamp voortdurend bezig zich rekenschap te geven van haar eigen verhouding tot het geloof. Naar aanleiding van ‘Vreemd’ van Elisabeth Eybers, dat eindigt met de regels ‘wat ooit heel was nooit sal vergaan…// Laat ons loof wat ons nie kan verstaan.’, zegt ze: ‘Het verhaal gaat, geen idee hoe, en het is ook niet te bevatten… En daarom: ‘Laat ons loof wat ons nie kan verstaan.”
Leo Vromans ‘Voor wie dit leest’ (dat ze kennelijk leest als een religieuze tekst – wat het niet is) betrekt ze op de richtingenstrijd in de recente Bijbelvertalingen. Ze merkt dan op: ‘Het heeft de Schepper behaagd zich te openbaren in de literatuur – de afdeling fictie dus. Maar de bijbel is een liefdesbrief van God. Voor wie zich aangesproken weet, wordt fictie non-fictie, literatuur werkelijkheid.’ Geloof, literatuur en werkelijkheid – klop het een door het ander en het ander door het een, en je zit om met Reve te spreken, altijd goed! Heel begrijpelijk dus, dat ze elders aantekent: ‘Wie gelooft leert om zich niet in de luren te laten leggen door de feiten.’

In haar inleiding stelt Hoogenkamp dat een goed gedicht lijkt op een goede preek: ontregelend, raak en speciaal bedoeld voor jou. Met preken heeft deze recensent weinig ervaring, maar met gedichten des te meer. Op grond daarvan zegt hij: warm aanbevolen, deze bundel, al is het alleen maar om te lezen hoe zij het felle, beschimpende ‘Simili modo’ van Hugo Claus tot een heel vroom gedicht weet te transformeren.

***

Abeltje Hoogenkamp (1969) studeerde theologie in Amsterdam en Leiden. Ze is predikant binnen de Protestantse Kerk in Nederland en ze werkt als geestelijk verzorger in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis in Amsterdam. In mei 2006 won ze de publieksprijs van de wedstrijd ‘De Preek van het Jaar’, georganiseerd door Trouw en de NCRV. Daarnaast is ze initiatiefnemer en organisator van het project ‘De Preek van de Leek’.