Recensie van Het woord nabij - René Hooyberghs

De wereld van een begenadigde waarnemer

René Hooyberghs
Het woord nabij
Uitgever: C. de Vries-Brouwers
2016
ISBN 9789059275065
€ 20,00
64 blz.

Voor een dichter zijn woorden altijd nabij, maar het woord lijkt zich soms in onbetreden gebieden te verschuilen. Dichten is altijd een ontdekkingstocht, en woorden – laat staan het woord – geven zich vaak niet gemakkelijk bloot. René Hooyberghs (1944) is een bedachtzame dichter die woorden niet zomaar verzamelt om ze in het keurslijf van een gedicht op te sluiten. Op jonge leeftijd debuteerde hij met Rond zijn (1964), een bundel die bij De Bladen voor de Poëzie is verschenen. In datzelfde jaar debuteerde ook Jacques Hamelink (1939) met De eeuwige dag. In 1965, het jaar waarin Fritzi ten Harmsen van der Beek (1927-2009) debuteerde met Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten, verscheen Geboren worden bij de uitgever die Hooyberghs eerste bundel had gepubliceerd. Daarna heeft René Hooyberghs bijna een halve eeuw gezwegen: zijn derde bundel, Stamboom, verscheen in 2011 bij C. de Vries-Brouwers. De titel van de tweede en de derde bundel verraden belangstelling voor een genealogische bezinning. Maar wat bevat de nieuwe, verzorgd uitgegeven bundel waarvan het voorplat enigszins aan Mondriaan doet denken? Het schilderij dat de bundel siert, is van de hand van Frank Wagemans (1953) en verbeeldt een man aan tafel. De dichter?

René Hooyberghs geeft in een noot op bladzijde 62 kort weer wat de nieuwe bundel typeert: de oorsprong van de gedichten lag ‘voor het rapen: objets trouvés uitdagend op zoek naar woord.’ De dichter vond naar eigen zeggen ditmaal ‘meer houvast in het hedendaagse, in het nabije.’ De bundel bestaat uit de volgende cycli: ‘De vlakten van het woord’, ‘Straten, stegen en pleinen’, ‘Gelijnd, geruit, gemeten’, ‘Het woord nabij’, ‘Le mot voisin’ en een slotgedicht dat op de tussentitel ‘Envoi’ volgt. De titels van de eerste drie reeksen verwijzen opvallend naar geometrische en driedimensionale begrippen. Het openingsgedicht, ‘Zwerfkat’ (9), maakt meteen duidelijk dat de dichter een sobere verwoording heeft nagestreefd: drie korte terzinen die worden omarmd door het beginvers ‘Zwerfkatten jagen door’ en de laatste versregel ‘de vlakte van het woord.’ Het jagen eindigt in de vlakte van het woord, en vlakte is hier niet alleen een geometrisch begrip, het dekt ook een existentiële lading. Het leven bevestigen en er zin aan geven vereist geen bergtopwoorden. In het tweede gedicht benadrukt de dichter overigens dat ondanks zijn aandacht soms woorden ontsnappen, dat zijn hand niet voldoende snel is om stuiterende woorden aan het papier toe te vertrouwen. Zijn werk is duidelijk niet het resultaat van een écriture automatique.

De inhoud mag dan al op ‘het tegenwoordige’ geënt zijn, het verleden is per definitie nog altijd aanwezig: ‘het geheugen // verzint een verleden voor me // zo schenkt het mij een waarheid / als een nieuwe huid, het verleden / achteloos achtergelaten / op een bruine caféstoel.’ (13) In ‘Zelfportret’ (14) beschrijft René Hooyberghs op een minimalistische manier een ouder wordende man. Het is een autofictieve momentopname van een metamorfose die alle ouder wordende mensen ondergaan. De dichter stelt vast: ‘Stilaan word ik huisdier.’ Het is een mooie metafoor die op een fundamentele vraag naar de zin van het ouder worden wijst. Volstaat een gebeurtenis zoals ik ‘onderga machteloos / het achteloos aaien’? (14) De manier waarop de onmacht aan de oppervlakkigheid van de streling wordt gekoppeld (met de opvallende assonantie) confronteert in alle beknoptheid de ouder wordende lezer met de eigen beperkingen, de eigen onmacht en de eigen onmondigheid. En die onmacht blijft toenemen, zoals uit het gedicht ‘2043’ blijkt. De (over)grootvader is dan ‘nalatenschap, baksteen / voegsel, onderbouw, zoals ook / in mij leeft: het accent van / van wie ik nauwelijks heb gekend.’ (17) In dit gedicht keert de dichter toch naar zijn stamboom terug: hij zal ooit onopvallend voortleven in zijn nageslacht, zoals hij zelf bijna achteloos op het voegsel en de onderbouw van zijn voorouders steunt. Dit is geen pessimistisch gedicht, maar het relativeert wel het belang van genealogische elementen. Ze zijn wel aanwezig, maar ze vallen meestal niet op.

De eerste cyclus bevat niet alleen gerijpte inzichten, maar ook een speelser gedicht over de veel geprezen doelman Courtois (18), al ontbreekt ook daarin de diepte niet. Voorts wordt in ‘Donkere metten’ – even dramatisch als de Brugse metten van 1302 – bijna afscheid genomen. ‘Chemo [is] het aureool / van heldhaftig verzet’, maar ‘de koster zoekt twaalf kaarsen.’ (19) Het is geen larmoyant gedicht, integendeel. Het confronteert de lezer met de broosheid van het bestaan en de nood aan rituelen. Het gedicht dat mij in de eerste reeks echter het meest getroffen heeft, is: ‘Vader’. (20) Het lyrisch subject blikt er met vertedering en nederigheid terug op een onvoltooibaar verleden – de bevrijding ligt immers in het eigen woordloos worden. Het genealogische koppelteken is nooit ver weg in deze poëzie. De volgende reeks bevat ‘reisindrukken’, het maatschappelijk geëngageerde gedicht ‘Metro’ en observaties van de beweging in de stad waar de dichter woont. (24) Ik denk o.a. aan het gedicht ‘Het ontbijt’ (29) dat gelijkenissen vertoont met de film Nuit #1 (2011) van Anne Emond. Het gedicht is een door en door stadsgedicht. Op het platteland wordt bij de bakker niet getwijfeld over een ‘lang of rond’ brood (29) en over de keuze van het beleg is men het er ook meestal eens. Ook in de film hebben Clara en Nikolai hun ‘vel nog vol voorbije nacht’, maar ze zijn niet ‘trots om elkaars bezit, / geen verleden behalve / dat van lijf en leden, / hun schoonheid onaangetast.’ Het is een utopisch verlangen dat botst met hun ervaring. De dichter heeft meer mededogen, hij gunt zijn verliefden een eerste kosteloos compromis.

Een gedicht waaraan René Hooyberghs de titel van zijn bundel ontleende (51), vindt men in de derde reeks, die dezelfde titel heeft. Het nabije woord is bijna even onheilspellend als de boodschap van de Apocalyps. De dichter heeft de vier ruiters uit de Openbaring van Johannes niet van onder het stof gehaald, maar in het zog van ‘de schimmel van de mensheid’ die zichzelf heeft overwonnen, rijst een planeet op die ‘haar plaats [heeft] herwonnen.’ De reeks ‘Le mot voisin’ bevat Franstalige gedichten die baden in een Midden-Oostensfeer, en ook in die gedichten hoor ik de verwoording van een begenadigde waarnemer, die zijn beelden waar maakt. Het woord nabij is een bundel om te koesteren en vaak traag te herlezen.