Recensie van Tussen hond en wolf - Klaas Jager

Droom van bloemrijke poëzie maar plant ze niet

Klaas Jager
Tussen hond en wolf
Uitgever: In de Knipscheer
2016
ISBN 9789062659081
€ 18,50
100 blz.

“In De wereld heeft geen overkant, Jagers vorige bundel, maakte het persoonlijke ‘ik’ al meer en meer plaats voor het onpersoonlijke ‘iemand’. In Tussen hond en wolf is de ‘ik’ van het toneel verdwenen en speelt nu iemand de hoofdrol”, aldus de flaptekst. Wie die iemand is laat zich raden. ‘Neem iemand / pluralis van niemand’, staat in het openingsgedicht van de eerste afdeling. Maar een paar gedichten verder lezen we: ‘neem iemand, pluralis van zoveelste sterveling’. Twee tegenstrijdige uitspraken, die in zichzelf ook paradoxaal zijn. Wiskundig gezien kan ik me bij ‘pluralis van niemand’ weinig voorstellen, twee keer nul blijft nul. En ook de ‘pluralis van zoveelste sterveling’ is lastig te duiden, aangezien ‘iemand’ in deze gelijknamige eerste afdeling toch heel erg één persoon van vlees en bloed lijkt te zijn. Met ‘iemand’ heeft de dichter het woord ‘ik’ vermeden, maar erg onpersoonlijk is dit personage niet. Het lijkt ook geenszins op de hoofdpersoon van het beroemde ‘Iemand stelt de vraag’ van Remco Campert, want in dat gedicht is ‘iemand’ telkens iemand anders, waardoor tenslotte een massa ‘iemanden’ in verzet komt. ‘Iemand’ heeft meer weg van het ‘men’ van Kouwenaar. In Tussen hond en wolf is ‘iemand’ bovenal een eenling, die worstelt met zijn relatie tot de wereld.

Is dit hoe het hoort te gaan

Is dit hoe het hoort te gaan, de zin
van het leven eerst een onderwerp
en dan een lijdend voorwerp geven

iemand denkt daar amper over na,
het bloed wordt anders dik en traag
dus weg met die filosofie, effen het pad,
zorg dat het vooral geen zijwegen heeft,
neem een eerlijk belegde boterham mee,

kom iemand tegen die luistert naar een naam,
wissel een woord of twee, maak een kwinkslag,
verdeel de tijd, glimlach wanneer het tegenzit,
pluk de dag zo lang de dood zijn roes uitslaapt,

onderhoud het huis dat geen escapades gedoogt,
verricht het werk dat een zekere toekomst biedt,
droom van bloemrijke poëzie maar plant ze niet.

Dit is een kenmerkend gedicht voor de bundel. Het niet al te originele spel met het dichterlijke ambacht in de eerste strofe, de innerlijke tweestrijd van de hoofdpersoon en de troost die in het eigen huis (een kernbegrip in de eerste afdeling) gevonden wordt. Opvallend is, dat ‘iemand’ hier in verschillende betekenissen gebruikt wordt. Eerst als de hoofdpersoon, die het een groot deel van de bundel is, maar in de derde strofe als de ander, die men kan tegenkomen.

De tweede afdeling, ‘Er is geen metafoor voor geluk’, heeft als opdracht ‘Voor mijn Lieveschatbewaarder’. Dit klinkt als een koosnaampje voor een geliefde, die in volgende gedichten aangesproken wordt als ‘Lieveliefste’, ‘Lievelieveling’, ‘Lievemijn’ of kortweg ‘liefste’. In het tweede gedicht blijkt al, dat de liefde geen lang leven is beschoren: ‘Lieveliefste, / het hart liep over // toen het erop aan kwam / bleek het niet diep genoeg’ (…) ‘je wist al van begin af aan dat de tijd die / voor ons lag slechts een voorwendsel was.’ In de eerste twee strofen voegt de dichter een mooie nieuwe interpretatie toe aan het cliché van ‘het hart dat overloopt’. De rest van het gedicht blijft, evenals de meeste gedichten, echter vrij verhalend van toon. In de tweede helft van de afdeling overheerst de rouw: ‘lieve muze, wie je ook bent, wijs / de weg die zijn volgeling kwijt is, / de toekomst ligt opgebroken, er / is vrijwel geen vooruitzicht meer’ en in een ander gedicht: ‘liefde zelf was een te groot begrip voor / het snoepje dat hem voor op de tong lag, // al gesmolten was voor jij er erg in had.’ Inherent aan de verhalende toon zijn de regelafbrekingen, die soms buitengewoon slordig zijn, zoals in de voorgaande fragmenten na ‘er’ en ‘voor’. De tweede afdeling ademt een sfeer van traditionele ik-jij gedichten. Toch duikt ook ‘iemand’ regelmatig op, in een vorm van afstandelijkheid die geforceerd aandoet. En wat het gebruik van de derde persoon enkelvoud betreft: deze is zo ver doorgevoerd, dat de dichter ook in de autobiografische noten aan het eind van de bundel over ‘hij’ spreekt.

De vorm van de gedichten is wisselend. Wel worden de meeste gedichten gekenmerkt door een min of meer regelmatige strofeopbouw, met vaste regellengte. Zo bestaan veel gedichten uit kwatrijnen of terzinen, soms met een losse regel als laatste strofe. Ook hanteert de dichter disticha of andere verslengtes, waarbij soms één of twee strofen afwijken qua lengte. Uit deze constatering blijkt ook al, dat de gedichten vrij lang zijn, twintig regels is geen uitzondering. Rijm is zeldzaam, maar wordt vooral in de derde afdeling wel vaker gehanteerd. Het is de vraag, of dit een bewuste keuze is, of dat het een ontwikkeling in zijn dichterschap weerspiegelt, gesteld dat de bundel een chronologische opbouw kent. Een opvallend stijlkenmerk in de bundel is tenslotte, dat in veel gedichten de titel in de laatste regel van het gedicht terugkomt.

In de laatste afdeling –‘Het andere gezicht’– slaat de dichter een geheel andere toon aan. Een aantal gedichten heeft een meer positieve, bijna mystieke sfeer: ‘zodat het misschien uit kan groeien / tot een opzichzelfstaand soevereine zin, // die spontaan een witregel laat inspringen, / klaar om in één adem te worden gedicht.’ De hoofdpersoon ‘iemand’ is veelal afwezig, vaak zijn de gedichten aansporingen of aanroepingen. De ondertitel van de afdeling luidt ‘Nis in het licht’. In het gedicht met de gelijknamige titel treffen we een confronterende waarheid aan: ‘niet beseffend dat zijn levenspad ook / zonder doel een eindbestemming heeft’. Eindelijk komen we ook de wolf tegen, zonder dat de titel van de bundel, Tussen hond en wolf, geheel helder wordt: ‘wees genadig voor het vlees, / spreek de waarheid niet tegen, / geef de wolf genoeg te eten, / zijn bloed behoeft het meest.’ De gedichten in deze afdeling zijn af en toe wat lyrischer, waarbij soms ook –zoals in het voorgaande fragment– (half)rijm optreedt. Maar naarmate het einde van de bundel nadert, nadert ook dat andere einde, en lijkt de dichter zich verontrustend genoeg al vrijwel uit de bundel te schrijven, wanneer ‘de dag van morgen op niemand is berekend’.

Wat kan hier nog gebeuren

Wat kan hier nog gebeuren
zodanig dat iedereen ervan opkijkt
behalve degene die het aankomen zag
bijna alsof hij de aanstichter was

van zoiets als ongrijpbare dreiging
zonder dat het tot uitbarsting komt
hoogstens een lichte paniekaanval
wat kreupel gekeuvel bij een beklemmend beeld

een willekeurig tafereel op een willekeurige plaats
een willekeurige tekst oplepelende levende
over een willekeurig nietszeggende dode

terwijl de kijker er ijskoud mee instemt
het tijdstip er geen seconde om stilstaat
de nacht het donker in zijn slaap vergeet.

***

Klaas Jager debuteerde met de bundel Windwakken in de tijd (2001), gevolgd door Klipgeiten (2004) enDe wereld heeft geen overkant (2008). Laatstgenoemde bundel werd door Joop Leibbrand besproken in Meander onder de omineuze titel ‘Iemand zijn’.

Recensie van De wereld heeft geen overkant - Klaas Jager

Iemand zijn

Klaas Jager
De wereld heeft geen overkant
Uitgever: In de Knipscheer
2008
ISBN 9789062656394
€ 16,50
96 blz.

Van Klaas Jager (1961) verschenen eerder bij dezelfde uitgever Windwakken in de tijd (2001) en Klipgeiten (2004). Hoewel beide bundels, waarin indringende natuurobservaties samengaan met existentiële beschouwingen rond de eigen persoon, door diverse recensenten positief besproken werden, leidde het voor Jager niet tot een echte doorbraak. Met De wereld heeft geen overkant is er een nieuwe kans poëzielezend Nederland ervan te overtuigen dat Jagers gedichten ernstig genomen moeten worden. Dat laatste dan vooral ook in de letterlijke betekenis van het woord, want een sterk ervaren ‘ernst’ domineert de bundel. Helder en consistent weet Jager een gevoel van urgentie op te roepen dat ervoor zorgt dat van zomaar wat vrijblijvend bladeren al gauw geen sprake meer kan zijn. Dit moest niet alleen geschreven worden, het moet vooral ook gelezen worden. En om Jager maar meteen te positioneren: regelmatig brengen zijn gedichten Kouwenaar en Nolens in gedachten. Kouwenaar vanwege het wereldbeeld en de levenssfeer, maar ook vanwege een bepaald zinsritme dat haast een zelfde manier van ademen verraadt en Nolens door de parlandotoon en de vaak zeer persoonlijke invalshoek. In beide gevallen: verwantschap, geen epigonisme.

De wereld heeft geen overkant is met precies tachtig gedichten een forse bundel. Er zijn drie afdelingen (‘Liefdestijd’, ‘Halverwege, het midden’ en ‘Houden van het imperfecte’) en één gedicht dat programmatisch vooraf geplaatst is, nog voor de inhoudsopgave:

het kan niet blijven

Het kan niet blijven
indien het blijven zou werd
het op den duur onzichtbaar

al die woorden ook
ze hebben geen bloed

verdwijnen totaal zodra
de lege huls ontbindt

het meest wezenloze wit
wat er nog van over is.

Bij Jager is de taal zelf onderdeel van de paradox dat bestaan afhankelijk is van voortgang, dus van verandering; wat verdwijnt blijft, maar wat voor veranderen niet vatbaar blijkt, is levenloos, dood. Woorden zijn dood, als zij hun betekenis verspillen en niet op een nieuwe manier tot leven gebracht worden.

De afdeling ‘Liefdestijd’ bestaat uit een gelijknamige cyclus van vijftien gedichten en een vijftal losse. Met elkaar vertellen ze de geschiedenis van een liefde, de onkenbaarheid daarvan en de reflectie daarop vanuit verschillende standpunten, met heden en verleden als wisselend perspectief. Opvallend daarbij is dat de ‘ik’ die in deze gedichten aan het woord is, de sterke neiging heeft afstand te willen nemen, vooral van zichzelf, ‘want liefste, het waait me door het bloed, niet met / de mond te spreken van degene die jij voor je ziet.’ Zo begint een gedicht met ‘Lieve liefste, ik doe maar alsof ik / schrijf in het besef dat niets blijft’ om te eindigen met ‘[terwijl] de dichter door het lachspiegeldoolhof / van zijn hersens dwaalt, zich stukloopt / op de glazen wand van het onzegbare.’ Voor wie in één gedicht overgaat van het persoonlijke ‘ik’ naar het afstandelijke ‘de dichter’, is het maar een kleine stap om uit te komen op het volstrekt onpersoonlijke ‘iemand’:

steeds overnieuw

Steeds overnieuw, niet belet door kennis en inzicht,
want aan dat vermogen komt een einde en de afspraak

is dat het voorgoed eenmalig is, moet iemand de winter
in zijn eentje overbruggen, een wak slaan, ijsbloemen
rooien, sneeuw laten smelten op lichtschuwe plaatsen

iemand moet de woorden sparen uit zijn eigen mond,
in ruil voor droog sprokkelhout om vuur te maken,

met stalen geweld op het aambeeld van de zon slaan, net
zolang totdat het vonken regent voor zijn verkleumde liefde.

Met ‘ik’ zou het gedicht pathetisch geworden zijn, iets smartelijks hebben uitgedragen; ‘iemand’ neutraliseert dat en maakt het persoonlijke invoelbaar en doorleefbaar.
In de eerste afdeling wordt de stap naar ‘iemand’ nog maar aarzelend gezet, maar in de volgende afdelingen staat er nauwelijks een gedicht waarin deze ‘iemand’ niet aanwezig is.

‘Halverwege, het midden’ heeft de bezinning  ‘media vita’ als uitgangspunt, waarbij het erop volgende ‘in morte sumus’ nadrukkelijk meeklinkt in ‘een wereld niet groter dan die ene weg die / hij volgen moet, ook al kost het zijn leven.’ Alles lijkt daarbij te draaien om beheersing van zowel de binnen- als de buitenwereld, gedicht na gedicht wordt een soort emotioneel pantser opgeroepen dat nochtans alleszins doorzichtig is: ‘in de kluis ligt winterschaarste van vroeger’, ‘iemand wordt zichtbaar in het donker, // overspeelt zijn hand bij elke vingertast, houdt / afstand van de verte die geen schuilplaats heeft.’ Veel gedichten hebben zo’n sterke existentiële grondslag, dat het niet anders kan of Jager heeft zich sterk vastgebeten in de denkwereld van Sartre en Camus. Wie zichzelf tot vreemdeling maakt, leeft in een wereld die hem buitensluit: ‘het is onbekend wie wie is, iedereen doorkruist elkaar’, ‘de wereld heeft geen overkant, iemand zit doorlopend / vast aan zijn plaats in de maalstroom van de herhaling.’
Telkens als de bundel daardoor iets monomaans dreigt te krijgen, verrast Jager met pure lyriek waarin taal en beeld alle ruimte krijgen. Dit is een subliem gedicht:

de zomer maakt slagzij
2

De avond is al bijna deze avond niet meer,

de zomer is overrijp, maakt slagzij,
maar drinkt nog weg als lauwe rode wijn,

een doodstille figuur schuifelt door de tuin,
iemand voelt de hartslag van iemand die er niet is,

de houtduif klapwiekt in het verfomfaaide nest,
de dagpauwoog flirt nog wat met zwaartekracht,

het licht stolt als bloed op huid van porselein,
iemand hoopt op een woord dat niks terugzegt.

De slotafdeling ‘Houden van het imperfecte’ zet de bundel op dezelfde voet voort. De dichter blijft zich rekenschap geven van het ongrijpbare bestaan in een niet te vatten wereld (‘er bestaat geen therapie voor het leven’), maar taal en dichterschap worden nog wat nadrukkelijker tot onderwerp gemaakt: ‘hoe nostalgisch moet een hart zijn, om alle / clichés van een gelukkige jeugd te doorstaan // vroeg of laat slaat ook daar de winter toe, / worden woorden overbodig verklaard, terwijl // de dichter in een uitgeputte voorraad tast, zich / verkijkt op de overspelige inborst van de waarheid.’

Zou je al een bezwaar tegen deze poëzie willen opperen, dan is het dat de denker de dichter soms enigszins in de weg zit. Jager zelf is zich van dat gevaar zeer wel bewust en slaagt er slim in dat voor een kerngedicht van de bundel aan te wenden:

eindelijk gelukkig zijn

Terwijl hij de tegenwoordige tijd
aan repen snijdt twijfelt de dichter;
in alles komt het oude fundament boven

gister is een opgebroken straat,
morgen een loopplank boven het ravijn

hij zou de werkelijkheid beschrijven
alsof het een idyllische ansichtkaart was

een huis bewonen in het holst van de vrede
de klok stilzetten, de geschiedenis wissen, de
toekomst laten verjaren bij een onmogelijke liefde

hij zou de denker, die weliswaar de dichter benijdt,
maar hem te pas en te onpas waardeloos verklaart,
met een wrede list de dood injagen;

hij zou alleen overblijven en eindelijk gelukkig zijn.

Bij Jager zijn dichter en denker tot elkaar veroordeeld. Gelukkig maar, want dan ben je pas iemand. Lezen die man!