Recensie van Voor altijd ergens - Esther Jansma

Zij is de latenzienmaker

Esther Jansma
Voor altijd ergens
Uitgever: Prometheus
2015
ISBN 9789044628050
€ 19,95
128 blz.

 
Begin maart verscheen Voor altijd ergens, een bloemlezing van de gedichten van Esther Jansma. Ze heeft die zelf samengesteld en dat is interessant: ze vormen een staalkaart van haar voorkeuren. Zo is meer dan de helft afkomstig uit haar laatste twee bundels, Alles is nieuw en Eerst.
De titels van de bundels ontbreken, maar in de verantwoording is de herkomst van de gedichten te lezen. De ordening is chronologisch en daardoor is haar poëtische ontwikkeling goed te volgen. De eerste bundels doen zeer persoonlijk aan; later worden ze afstandelijker, onder andere door het regelmatige gebruik van de derde persoon en allusies. Aanvankelijk zijn de gedichten snel te begrijpen, na verloop van tijd worden ze associatiever, complexer en een enkele keer hermetisch. Met name in de laatste bundels worden de zinnen langer: soms strekken ze zich uit over verschillende strofen. Constanten zijn het functionele ritme, haar aantrekkelijk heldere taalgebruik en de thematiek: taal, de beleving van de tijd en de dood. Dat laatste betekent overigens niet dat zij een somber dichter is: soms is ze ronduit hilarisch.
 
Onvermijdelijk is, dat in een bloemlezing de samenhang uit de oorspronkelijke bundels ontbreekt en daardoor nuances verloren gaan. De cycli ‘Hebben’, ‘Sjaantje en de ruimte’, ‘Watertaal’ en ‘Eerst 1 tot en met 9’ vormen hierop een uitzondering. Het is echter geen groot bezwaar: de geselecteerde gedichten zijn sterk genoeg om op zichzelf te staan.
 
In veel gedichten speelt taal een expliciete rol: wat zijn de mogelijkheden, waar liggen de grenzen? Je ziet dat dat bijvoorbeeld in het wrang humoristische ‘Over het schrijven van mooie natuurgedichten’, waarin zij zich afvraagt wat het verschil is tussen ‘rood’ en ‘boom’ en hoe je dit opheft. Na veel getob –  de dichter ‘Stelt zich er late lucht bij voor, verwerpt die’ –  komt de oplossing: ‘men verbant de b van beginnen / en het hekwerk van m, roept de r uit tot rotzooi, zegt // de d is dood, en houdt over: tweemaal oo. / Niet mooi, wel kaal, een haast radeloos o, o. / Natuurgedichten schrijven is sloopwerk.’
Beginnen, hekwerk, rotzooi, dood, een radeloos o,o. Prachtig. Haar werk is verschenen in het Engels, Frans, Russisch en Zweeds. Ik ben benieuwd wat de vertalers van dit sloopwerk hebben gemaakt: het vraagt veel creativiteit.
 
Taal is ook heel fysiek. In ‘Het woord voor leeuw’ schrijft ze: 

( … )
Hij komt over de deinende brug van mijn tong,
de boog van een arm die zich heft
boven water, dan wijkt en zinkt
 
tot spiegeling. Het woord voor leeuw
kromt en strekt zich, stijgt, krimpt.
( … )

 
Die weloverwogen manier waarop ze een gedicht schrijft en de soms grote weerstand die de taal biedt, geldt natuurlijk ook voor de heel persoonlijke gedichten. Er is haar wel eens verweten dat ze met name over de dieptragische gebeurtenissen in haar leven autobiografisch schrijft – ze verloor een kind bij de geboorte en een ander na negen maanden – en daarmee lezers buitensluit. Zou zo’n criticus zich ook buitengesloten hebben gevoeld bij  het lezen van Vondels ‘Uitvaart van mijn dochterken’ of ‘Dood kind’ van Freek de Jonge? Ik denk het niet, maar waar het echt om gaat: vrijwel iedere schrijver of dichter maakt gebruik van autobiografisch materiaal en dat is iets heel anders dan autobiografisch schrijven. Jansma gebruikte die gegevens in haar eerste bundels alleen minder onverhuld dan in de latere. Dat doet niet ter zake: het gaat erom wat je als dichter met die gegevens doet. Je hoeft niets over haar privéleven te weten om geraakt te worden door een beeld als ‘Ze is een steentje in mijn mond. / Ik zuig op haar, mijn dorst gaat nooit meer over.’ Dat verdriet pijn doet, is een uitgewerkt cliché, maar haar beeld grijpt je aan en vergeet je niet meer – ik tenminste niet.
Iets wat bekend is veranderen in iets wat je voor het eerst lijkt op te merken: daar is Jansma goed in. In ‘Dichtertje’ beschrijft ze een klein, vertederend meisje, dat de ‘ik’ van alles laat zien. De titel wijst erop dat het hier gaat om een poëticaal gedicht; de ‘ik’ kun je interpreteren als de lezer en het kind als dichter: 

Ze heeft verstand van wat ze gaat laten zien
want zij zag het eerder dan ik en zij heeft het
in haar hoofd en ik nog niet, ik heb haar nodig
om met van die lange a’s verbaasd te raken.
( … )
Zij is de latenzienmaker
 

Hier is een dichter aan het werk die weet wat je met taal kunt doen en dat ook voor elkaar krijgt.
 
Een ander onderwerp dat je in al haar bundels ziet, is de beleving van de tijd. In ‘Regelwerk’ geeft ze een omschrijving die objectief aandoet: ‘De tijd, begrijp ik, is een niet-variërende / wind in de zeilen van het heden, een straffe // lineaalstrakke verplaatsing van het nu.’ De beleving van de tijd is echter subjectief. In ‘De reuzin en de liefde’ schrijft ze: ‘Het tijdsbesef van een vlieg die langskomt / tegenover het besef van de tijd in een steen’.
Het nu, het heden, speelt een belangrijke rol. Als archeologe ervaart Jansma de actualiteit van een teruggevonden verleden: ‘het huis dat al oud is maar nieuw / want opnieuw in dit heden gevonden.’
Vanuit een ander perspectief gezien verdwijn je uiteindelijk uit de tijd. Wij hebben geen doden, zegt ze. We maken vertalingen, zoals ‘u bent nu tien jaar dood’. Dat bestaat niet: ‘Wie herdacht wordt, verdween ( … ) tegelijk een miljard jaar en een seconde geleden. / Verdween totaal. Er is dus geen u die iets is.’
Wil je de dood overwinnen, dan zul je de tijd moeten stilzetten. Dan blijf je ‘Voor altijd ergens’. In dit titelgedicht krijgt ze het voor elkaar. Een beeld vliegt met de snelheid van het licht het heelal in en blijft bestaan:  

de zoveelste zomer verwarmde ons en vertrok
het heelal in en ging verder – wij beiden
schijnen voor altijd met brood in de handen
ergens uit het blauwe gezicht van de aarde.
 

Een ander aspect van haar dichterschap is het besef dat we leven in een zinloos universum. In ‘in niets’ schrijft ze: ‘behalve de oneindige val door het niets / van wat wij blauw noemen en aarde / het licht dat in alle richtingen ketst / interstellaire onpeilbare afgronden in (… ) het toevallig geluid van iemand die loopt / nu hij thuis is het neuriën dat erbij hoort.’ Dat laatste maakt het leven waardevol.
We zoeken naar een veilige, zinvolle samenhang in de wetenschap dat die niet bestaat: 

Het is zoals wij zeggen dat het is, eenvoudig
hier en wij, hier in ons wijde huis
gebouwd van landschap, gras dat wij begrijpen
en beweiden, wegen, water, akkerland.
 
Glasheldere oorden vol sterren en goden
zijn ons dak en alle handelingen spreken hier
voor zich – zo moet het ook, hier is geen ruimte
voor wat niet getemd werd, onbekend bleef.
 
(In: ‘Muur’)
 

Ik wil niet de indruk wekken dat Jansma een somber dichter is. Neem het ‘Tienminutengesprek’, een prachtige parodie op de werkwijze die in het hedendaagse onderwijsbargoens ‘opbrengstgericht’ wordt genoemd. Het gedicht is geschreven met de lange, ritmische zinnen waarin zij excelleert. Lees het eens hardop:
 

Nadat de onderwijskrachten met man en macht
op vrouwelijk zuchtend voorovergebogen begrip
simulerende wijze waren uitgewoed – en weet
 
dat daar woede bij zat, banieren grof rood door
het hoofd, intonaties die intenties uit koers rammen –
hadden de van schrik en noodlottige toekomsten
 
verstijfde tegenover de krachten op hun verzoek
aan knielage tafels neergekrompen in stoeltjes geklemde
zorgers voor hun zoon het volgende bereikt:
 
Een: wij gaan ons best doen omdat wij goed zijn.
Twee: over een maand weten wij of zijn leven
gaat lukken. Wij melden dat desgewenst schriftelijk.
Drie: dit is een productafspraak.
 

Ik vind Jansma een van de betere dichters uit ons taalgebied. Ik hoop dat een bundel met nieuw werk binnen niet al te lange tijd verschijnt.

 

 

***
Esther Jansma (1958) publiceerde sinds 1988 een zevental dichtbundels. In 2006 verschenen onder de titel Altijd vandaag haar Verzamelde Gedichten en in 2010 verscheen nog de bundel Eerst.
Voor haar literaire werk ontving ze de VSB Poëzieprijs, de Halewijnprijs, de Hughes C. Pernathprijs, de A. Roland Holstprijs, de Jan Campertprijs en de C.C.S. Croneprijs. Ze is in het dagelijks leven als houtarcheoloog verbonden aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Utrecht.