Recensie van Verlies me niet - Jacob Groot

Het ranselen van de molen die de tijd verdrijft

Jacob Groot
Verlies me niet
Uitgever: De Harmonie
2018
ISBN 97863360364
€ 17,90
72 blz.

Laat ik het nu eens niet aan de conclusie overlaten, want al na de eerste vluchtige doorloop van deze bundel werd ik getroffen door de uitzonderlijke schoonheid ervan. Voor mij verrassend omdat ik na de tweede bundel van Groot, Uit de diepten (1972), waarin de neo-romantische  sentimenten me teveel werden, niets meer van deze dichter had gelezen.
Jacob Groot werd in 1947 in Venhuizen (NH) geboren en debuteerde in 1970 met Net als vroeger onder het pseudoniem Jacob der Meistersänger. Hierna publiceerde hij met regelmaat, zo om de twee / drie jaar, een nieuwe  bundel en daartussendoor essays (o.a. een over Herman Gorter) en enkele romans.
Van 1994 tot 1999 was hij redacteur bij het literaire tijdschrift Revisor en in 2012 won hij de Adriaan Roland Holstprijs.

Wat op het voorplat in het oog springt is dat de ondertitel van de bundel niet spreekt van gedichten maar van ‘een gedicht’. Slaat men het werk open dan treft men in dit tweeënvijftig ‘strofen’ tellende gedicht merendeels eenregelige zinnen aan die alle worden gevolgd door een witregel en alle beginnen met een hoofdletter. Ze staan behalve in samenhang met de andere regels daarmee ook op zichzelf.

1
Zonder dat ik het ben kom ik bij je in een andere tijd

Een moment wacht op ons lichaam als plaats

Rust niet tot we komen waar het ons vindt

Worden we begeleid?

Alsof het de laatste geluiden zijn voor het eerst

Zal er gezegd worden wie we waren?

Een instrument speelt ons

Een instrument speelt met ons

Een instrument speelt met ons mee

Uit dit voorbeeld wordt ook duidelijk dat Groot zich niet gebonden acht aan direct herkenbare zinsconstructies, hij speelt met de grammatica op een doodernstige manier en dwingt de lezer hiermee tot aandachtig lezen om de diepgang van zijn poëzie te ondergaan. Je zou denken dat deze ingewikkelde manier van formuleren onaangenaam vermoeiend is maar op enkele uitzonderingen na is het tegendeel waar, ze prikkelt en daagt uit; je wilt weten wat er staat en wat er toch ook ‘niet’ staat. Ter adstructie zo’n uitzondering uit strofe 6: ‘(…) Steeds lichter, zo dun als de snede tussen de seconden van de minuut waarin wordt gewacht op het verzamelde getal van de polsslag, eerst wijd en uiteindelijk verwaarloosbaar gering, werd, zo bleek, het onderscheid tussen de ene verlating en de andere, alsof ze weliswaar afzonderlijk en na elkaar maar in wezen tegelijkertijd (…)’. Dit lijkt me duivels interessant voor breedsprakige politici, maar minder voor poëzieliefhebbers.
En om nog even kritisch te blijven, sommige teksten zijn wel erg gezocht en hoogdravend. Uit strofe 16: ‘(…) Welkom wat gewist wordt, relict van de route naar de unie in de oorspronkelijke betekenis van het woord / En volg me zo toxisch, multicolor de hemellijn, waar ik de plaats vind / O delict van delight / Waar ik je nalaat als laatste’.

Het ontkennende woordje ‘niet’ komt opvallend frequent voor en wel op plaatsen waar je het niet verwacht.  In het begin dacht ik even dat Groot ons voor de gek wil houden – je kunt ze ook weglaten -, maar na herhaald en secuur lezen blijkt dat ze er wel degelijk toe doen. Een paar voorbeelden: ‘3 Gedenk de tijd dat je niet leefde (…) Het kan bijna niet, maar zeg: het bewoog naar je toe, ik boog voor die tijd, ik loog niet toen ik zag wie je was (…) 11 Daar komt de auto, zeg nooit meer wat je net niet zei (…); 12 Laat je meenemen, je komt toch niet terug (…).’
En ook de titel doet in deze mee: Verlies me niet.

Het motto van de bundel komt uit het gedicht ‘Ode To A Nightingale’ van John Keats:
‘Forlorn! the very word is like a bell to toll me back from thee to my sole self!’ (In de vertaling van Cornelis W. Schoneveld: ‘Betoverd! juist het woord dat als een klok van jou mij terugluidt enkel naar mijzelf!’). Beetje raadselachtig, maar juist daardoor dekt het de lading.

Inhoudelijk gaat het gedicht in een lange adem over afscheid – het missen en gemist worden – en het zoekraken van de beleving van plaats en tijd. En daarnaast over de vragen die een en ander oproept: Wat is verlies eigenlijk? Wat stelt het voor? Wat geeft het terug? Kan het troostend zijn, opent het nieuwe perspectieven?
Op deze vragen wordt met een grote intensiteit ingegaan – soms wanhopig maar nooit lamenterend –  en gelukkig worden zij zo nu en dan onderbroken door licht ironische regels. Uit 25: ‘(…) De dauw slingert haar vingers nog roze rondom zijn herinnering  / Nu is hij de ander die je zelf niet was / Ook deze noemt zich ik en hij voelt geen verschil, behalve dat het er niet eenvoudiger op is geworden’.

Om terug te keren naar voornoemde intensiteit:
Uit 34: ‘(…) En ben ik nu de bruidegom van je bruid omdat het bloed uit m’n handpalm bonst in je beek? / Of ik gesuikerd je zuivel zuig als je deken van me afglijdt? / Ja zeg ik, ja, maar je luistert niet eens, zo luid klinken we samen / Want je ranselt de molen die m’n tijd verdrijft’.
En uit de laatste strofe: ‘(…) Stof waait op in de zon van m’n longen / Raakt de slag van m’n hart de sprong van m’n tong, tokkelt de globe schoner dan de dagen / Leer de ochtend te blijven maar dan valt de avond, leer de avond te blijven maar dan valt de nacht, leer de nacht te blijven maar dan blijft hij ook (…)’.

Ik huiver doorgaans van religieuze poëzie waarin zinsneden uit de Bijbel worden aangehaald, – en zoals uit bovenstaande blijkt schuwt Groot de Schrift niet – maar omdat hij deze niet gebruikt om het christelijk geloof uit te dragen of te verheerlijken, heb ik daar in dit geval vrede mee. (Het lijkt me eerder dat hij citeert om de talige bekoring, zoals ook niet-gelovigen ‘Het Hooglied van Salomo’ kunnen waarderen en genieten).

Je kunt je afvragen waarom Jacob Groot, afgezien van de A. Roland Holstprijs, niet vaker gelauwerd is met grote literaire prijzen en ik denk, nu ik deze gedichten heb laten bezinken, dat ondanks zijn fenomenaal taalgebruik, zijn originaliteit en ook zijn zeggingskracht de oorzaak hiervan ligt in het te veel willen zeggen en door het onbedoeld te virtuoos etaleren van zijn meesterschap.

Hoe dan ook, en ondanks dat, een prachtige bundel!

Recensie van Nieuwe zon - Jacob Groot

Een verzonnen uitzonderlijke zon

Jacob Groot
Nieuwe zon
Uitgever: De Harmonie
2014
ISBN 9789076174358
€ 29,90
224 blz.
 
Om een punt of een lijn, het maakt niet uit, want een punt
is een lijn die begint, laat een kracht die je verzint je
draaien, en de beweging die je zo verbindt geeft je
macht, alsof je massa dankzij je snelheid energie
verslindt, je hand naar het chroom dingt, het portier
je opent, je zwaai je neervlijt op de kunstzijde
van de zwarte Citroen ID/DS Break, bijgenaamd
snoekebek, strijkijzer, kikker, hoe dan ook, wat jij
benoemt vereer je anders, zodra ze je opvangt
veer je mee, versneld omhelst ze je opdat je haar doopt
in haar naam idée deésse, idee van de godin, zo
schakelt kansloos naar hemels, nadat je bent
ingestapt, pal tegen de kussens, de glijvlucht langs
de snelweg in de vaart terwijl haar kogel naar de einder
schiet, van hier, waar je niet bent, naar daar, waar je
al glanst, en nergens wil je verder zijn, in haar raket
over de Hollandse planeet, alleen aan haar chauffeur
het stuur dat je vervormen laat, door haar godin, in
haar idee, niet door het idee dat ze dat is, godin,
ook niet door haar, ook niet door het idee alleen,
ja, nee, door alletwee, de godin en haar idee
ineen. Haar naam als goddelijk idee? Haar lichaam
als haar naam? Zo sleept ze je mee, je rooie
zonnebal op haar sneeuwende slee, en jij
met allebei je vuisten in haar snee, full speed
tot ze beeft en smeekt of ze smelt maar niet
breekt omdat ze jou haar wonderbare motor geeft

Dit was van het tweede deel ‘wederkeer’ het vierde deel van hoofdstuk ‘N: ik volgde een pijl’, van het megagedicht nieuwe zon (pagina 99 en 100) van Jacob Groot, ongeveer halverwege de bundel, die op de rug wordt aangeprezen als ‘Passieboek, egozang, actualiteitsmythe, allegorie van de samenleving, polygone levensleer.’
Volgens De Groene Amsterdammer is het ‘Een hymne op de overweldigende aanwezigheid van het omringende’ (!) en volgens Poetry International laat de poëzie van Jacob Groot zich lezen als een reddende openbaring. Dat is niet mis.

We hebben te maken met een woorddronken dichter.
Hij houdt van de woorden, en hij houdt van alle woorden evenveel. Stuk voor stuk zijn ze prachtig, en van hun waardevaste waardevrijheid is Jacob Groot bepaald de standvastige meester: de zwarte ‘snoekebek’ die wordt opgeroepen aan het begin van deel vier blijkt even later een rooie zonnebal op een sneeuwende slee, waar jij met beide handen in de snee zit.
Het is duidelijk: niets is wat het is, en alles transformeert.

‘Om een punt of een lijn, het maakt niet uit’, begint hoofdstuk 4, en dan volgt iets dat volgens mij niet waar is: ‘want een punt is een lijn die begint’. Daar zou moeten staan: want een lijn is een punt die wordt voortgezet. Zoals het er nu staat bestaat een punt niet op zichzelf.
Ik ben niet van plan om de hele bundel zo door te gaan, maar het typeert wel waar de woorddronkenheid van Jacob Groot toe leiden kan.
Een kracht die hij verzint laat hem draaien, en bij mij tolde het nogal snel ook allemaal.

Deel 5 begint zo:

Transport is trance
De ziel verhuist
De zilverdans van lijnen over de einder zien we als gouddraad in
de achteruitkijkspiegel verdwijnen
Op haar drempel van room opent de weide tegelijk doorlopend
met een blinkende loper de poort voorbij de horizon waarachter
we worden verwacht.
(..)

Hier kun je dagen over nadenken. Taal losgezongen van zijn betekenis. Ik ken niet zoveel dichters die de vrijheid durven te nemen die Jacob Groot neemt.
Daarbij wordt volgens NRC Handelsblad ‘aan de grenzen van de poëzie gemorreld, maar Groot blijft wonderbaarlijk binnen het territorium van de lyriek.’

Vaak roept hij een beeld op, om het direct te laten volgen door een tegenhanger, zoals gebeurt in het onderstaande gedicht waar het wassen direct gevolgd wordt door het bevuilen.
Elke medaille heeft tenslotte twee kanten:

Maar je vriendinnetje dan?

Om me te wassen bevuilde ik haar en ook zij
waste me door zich te bevuilen maar door elkaar

te wassen huilden we om de haverklap

Heb ik mijn bruid vroeg ik bezocht gekocht
en gemarteld onder m’n ogen heb ik haar

van de hand gedaan bezoedeld met m’n
bloed heb ik haar vlees van haar geest

gesneden toen ik haar aanbad of ik haar
bezat tot ik haar plat in haar bed opvrat?

Ze lijdt hangend aan haar kruis al zegt ze
van niet omdat ze blij is dat ze gedijt

in de markteconomie van het verlangen
maar de pijn is de meester

Mijn zwarte zaad striemt nog de zwarte
daad mijn zwarte karwats ranselt de rode

drab van de morsdode wijn

Want in de hele stad is duister de prijs
maar aan de rand in de keel van haar gitaar

om haar peilloze paleisje zal ik het borstelen haar
bitterzoete haar haar majesteitelijke

goudrobijn in vlekkeloze vlokken

(Deel 1′ uittocht’, hoofdstuk A: ‘ik ademde bedwelming’ pagina 14 en 15)

Ik kan niet volgen waar hij het over heeft. Dit zou een soort liefdesgedicht kunnen zijn, maar wel van een dronken en verarmde dichter (zwart zaad!). Wanneer het om de woordmuziek gaat – muzikaal is hij zeker -, waarom bestaat deze poëzie dan niet uit louter klanken? Dan zijn de mogelijkheden veel groter, en wordt de lezer niet vermoeid met onnaspeurlijke bedoelingen. Intertekstualiteit? Ja vast, ja zeker, het nawoord ‘schatplicht aan bronnen’ bevat nogal wat grote namen. Voor Ludwig Wittgenstein wordt zelfs verwezen naar de zesde paragraaf van zijn Tractatus. Maar poëzie is er niet om onder de indruk te geraken van de eruditie van de dichter. Toch?
Gaat het niet enkel en alleen om de werking van de poëzie, wat je ermee overbrengt?

(..)
Want dit is mijn dilemma als heerser, dat ik heerste zonder
rijk, dat ik rijk was zonder te heersen, dat ik bij de tijd was maar
tijdloos afliep, dat ik articuleerde wat ik verzon door het te
overdrijven zonder iets anders te beweren dan de suggestie van
de nadruk omdat mijn aanspraak een afspraak betrof voor een
onderonsje met mezelf, makelaar in relationbuilding, onder
toeziend oog

M’n hoofd draaide rond in een rad

Daarom los van mijn hals snij ik het af

Met het snoeimes van m’n wonderdal

(uit deel 3, ‘intrede’, X: ‘onder toeziend oog, van het vierde deel’, pagina 197)

Er zijn nog steeds veel mensen die dit soort onzin voor poëzie houden; dit overdreven gearticuleerde onderonsje met zichzelf waarin hij niets anders beweert dan wat hij verzonnen heeft! Het is niet zozeer onnavolgbaar, maar gewoon stupide. Hoe kan het ook anders, onder toezicht, met een los zittend hoofd dat hij van louter ellende maar van zijn romp snijdt. Als hij niet ook dat verzonnen had, dan was het ons bespaard gebleven. Een levendige verbeelding noemen sommige mensen dat. Hij heeft dit toch allemaal maar mooi verzonnen! En alsof er een systeem in zit, heeft hij de gedichten ondergebracht in delen, met hoofdstukken onder al de letters van het alfabet, en met ronkende titels als ‘O: om me zo terug te schenken’; ‘P: mijn gebed is op weg’; ‘Q: om uw harp te bespelen’, enz. waarvan mij de zin en de betekenis eveneens ontging, hoe ik er ook naar gezocht heb, evenals hun betrekking tot de gedichten.

Om aan te haken bij deze actualiteitsmythe wil ik vermelden wat er gebeurde terwijl ik ‘nieuwe zon’ aan het lezen was. In het nieuws kwam het rapport over de treinkaping bij De punt, in 1977. De vraag of de Molukse gijzelnemers geëxecuteerd waren. Brandsporen op de borst van een van de kapers leken daarop te wijzen. Van geen enkele kant werd geopperd dat het ook een genadeschot geweest heeft kunnen zijn.
Hoe een woord als in dit geval ‘genadeschot’ je houding totaal kan veranderen, hoe het je verruimen kan, uit oude overtuigingen kan loswoelen, precies dat is wat ik verlang van poëzie. Jacob Groot schreef opgeblazen, hoog geclassificeerde humbug. Deze soms hilarische lariekoek verscheen in een prachtig uitgegeven bundel:

2

O grammatica!

O mijn moeder!

O mijn modderbron!

Zon waarin ik, homeless in een caravan, het goud zoek van de zin…

O missing link!

O slapeloze!

(pagina 191, Deel 3 ‘intrede’, hoofdstuk W: ‘à propos, before you go’)

***
Van Jacob Groot (1947) besprak Meander eerder de bundels Zij Is Er (2002), Heerlijkheid van luchtmetaal (2005) en Lofzang (2009). 
Jacob Groot ontving in 2012 de A. Roland Holstprijs voor poëzie.

Recensie van Lofzang - Jacob Groot

Tjok! Ballen in de klok!

Jacob Groot
Lofzang
Uitgever: De Harmonie
2009
ISBN 9789061698968
€ 14,90
88 blz.

Jacob Groot is werkelijk een groot dichter. Misschien wel een van de grootste die we op het moment hebben op de postzegel die ons taalgebiedje nu eenmaal is. Jacob Groot is een dichter die niet alleen precies weet waar hij het over wil hebben, maar die ook net zo lang nadenkt, bouwt en schaaft tot zijn verzen hun onderwerp niet alleen bezingen, maar er deel van gaan uitmaken. Je zou zelfs kunnen zeggen dat Groot voor ieder onderwerp, voor ieder boek, een nieuwe taal bedenkt, een nieuwe variant van ons Nederlands. En dat zorgt er niet alleen voor dat zijn gedichten een verregaande symbiose laten zien tussen vorm en betekenis, maar ook dat geen enkele bundel van deze eigenzinnige dichter qua stijl gelijk is aan een andere. Zo laat Groot zich in Lofzang meer dan in andere bundels zien als klankdichter:

Hooglied

Tjok! Ballen in de klok! Op het blauw
crasht sneeuwgelijk de gelei
der kracht die smelt
m’n adem. O openbare
die niemand is dan
de ander om ons te geven &

te nemen

Ochtend! Ode! Middag! Code! Avond! Bode
bij de deur, op wacht, die in de hemel
ziet, bij de lamppracht, boven
het stadion, het doel
Nacht! Waak! Slaap! Zak! Blaas

door het raam, open
geschoven, om diep
in de mond het lieflijkst
te slapen te leggen
de letters! De cijfers! De uitslag! Prijs!
Wat we hebben! Te zijn! Geworden! Daar!

De Maan! Diep! Ding! Menselijkerwijs!
Wieg van de wind
op het stof dat haar
vormt! Vorm! Houdt in: uit
leliën, van dauw geroofd

de tijger der golven die liggen
heerlijk langs de lippen
die haar likken! Verklikken! Wikken
laten of ze grommen gaat om me
te willen! Killen!
Kicken!
 

Lofzang wordt op het achterplat een reisverslag genoemd. En inderdaad zou je de bundel kunnen lezen als een weergave van een inspectietocht van ons land. Groot wil beschrijven hoe het er voor staat met onze taal, onze cultuur, en dus met ons. Hij komt daarbij langs allerlei onderwerpen van verheven (de schepping c.q. de oerknal, de liefde) en minder verheven (webcamseks, fistfucken, de televisie) aard.
Het is moeilijk om echt een concrete verhaallijn te ontdekken in de gedichten. De cyclustitels bijvoorbeeld (‘Uitverkiezing’, ‘Kroning’, ‘Shoppen’, ‘Kegelprojectie van de liefde’, ‘Exil’, ‘Moeder van de oerknal’, ‘Volgt u mij’) geven weinig houvast. Ook de gedichten lijken grotendeels op zichzelf te staan en dragen ook allemaal een eigen titel. Het idee lijkt dan ook meer te zijn om alle uithoeken van de Nederlandse taal anno 2009 te verkennen en te laten zien. Chronologie is daarbij van minder belang.

De taal staat, zoals altijd bij Groot, in deze bundel dus centraal. En op dat front gaan in Lofzang dan ook alle registers open. Van bijna hoofse liefdespoëzie tot superflauwe woordspelingen, van de lyrische passages die we zo goed kennen uit Groots eerdere werk tot iets als ‘wijd en / zijd, der wet, ver van je bed, pal in je reet, retteketet’.
Verder zijn er ook talloze verwijzingen naar hoge en lage cultuur: popmuziek, schilderkunst, internet, alles komt voorbij.

De bundeltitel is moeilijk te interpreteren. Waarop is deze bundel een lofzang? Op de taal, luidt het voor de hand liggende antwoord. Op Nederland, zou ook kunnen. Maar dat wordt allebei nergens echt voelbaar. Datgene waar Groot in Lofzang wel met grote regelmaat de lof van zingt is de liefde, en in het verlengde daarvan het vrouwelijk geslachtsorgaan. Dat laatste bezingt hij op zoveel manieren, in zoveel contexten en met zoveel verschillende metaforen dat het wat belachelijk overkomt. Het lijkt er bijna op of in de visie van de dichter niet de taal, maar de kut het bindende element van onze samenleving is. En het zou zomaar waar kunnen zijn, maar ook dat wordt niet invoelbaar bij het lezen van deze verzen.

Groot is een briljante dichter maar het uitgangspunt dat hij voor deze bundel gekozen heeft, weet op de een of andere manier niet te boeien. Ja natuurlijk is er straattaal en poëtische taal. En natuurlijk kun je die combineren tot iets nieuws. En natuurlijk speelt erotiek een belangrijke rol in onze belevingswereld en in toenemende mate ook in het publiek domein, maar dat op zich maakt nog geen poëzie. Daarvoor moet een dichter nog iets toevoegen, een nieuw gezichtspunt. Maar omdat hij in deze bundel een soort van beschrijvend ‘helikopterperspectief’ heeft gekozen, dringt Groot niet door tot de kern van zijn onderwerp en blijft hij dus vaak hangen in clichés.
Begrijp me niet verkeerd: Groot heeft weer een bundel afgeleverd zoals alleen Groot dat kan. Maar het is zeker niet zijn beste.