Recensie van Bladgrond - Roland Jooris

De laatste der Mohikanen

Roland Jooris
Bladgrond
Uitgever: Querido
2016
ISBN 9789021403533
€ 18
61 blz.

De Vlaamse dichter Roland Jooris (1936, Wetteren) studeerde Germaanse talen en was docent Nederlands en Engels in Lokeren.
Naast de dichtkunst die hij beoefent besteedt hij veel aandacht aan de beeldende kunst en hij was in 1965 woordvoerder van de Nieuwe Visie-beweging, een progressieve kunststroming in Vlaanderen waarin onder anderen Roger Raveel en Rogier Lucassen zich manifesteerden.
In zijn geboorteland werd hij talloze malen gelauwerd, in Nederland minder, al won hij in 1979 de Jan Campert-prijs voor Gedichten 1958-1978 en werd zijn bundel Als het dichtklapt in 2005 voorgedragen voor de VSB Poëzieprijs.

In 2014 verscheen Sculpturen, een keuze uit de poëzie die hij in meer dan vijfenvijftig jaar had geschreven. Tien van deze gedichten zijn opnieuw opgenomen in Bladgrond, waardoor deze bundel voor een deel een bloemlezing uit een bloemlezing is geworden.
Ik zal in deze recensie voornamelijk ingaan op de voor het eerst gepubliceerde gedichten. Over de andere is, naar ik aanneem, het nodige gezegd.

De bundel bestaat uit zeven delen die elk vijf of zes gedichten bevatten. Aan de titels van die delen kan men opmaken dat Jooris iemand is met een kernachtig woordgebruik: ‘Eenzelvig’; ‘Oponthoud’; ‘Tweevoud’; ‘Daarbinnen’; ‘Gedenkstenen’; ‘Basaal’; ‘Dwars’.

Een gedicht uit de afdeling ‘Basaal’:

Is het een innerlijk lawaai
dat mij noopt, een

monoloog als van een tong
bedronken

laait het nog dichter veraf
in de nacht

waait van het zwart
de as over de ruige
aarde

Inderdaad basaal en regels die je dwingen ze te herlezen, ze raken hoewel je niet direct weet waarom. Even denk ik dat Jooris erop uit is ontoegankelijk te zijn, aan De kleren van de keizer, maar dan zou hij de buitenwereld voor de gek willen houden en dat betwijfel ik; daarvoor is deze dichter te veel door zijn eigen wereld geobsedeerd. Ik open de bundel opnieuw; de poëzie blijft boeien maar roept nu ook wrevel op, bijvoorbeeld in de laatste strofe van ‘Hier 2’ : ‘Alles lost op/ in het nietsontziende/ dat langzaam onmeedogend/ zich uitgestrekt voltrekt.’
(Grote woorden, echt erg, en het lezen van het volledige gedicht maakt het er niet beter op).

Wat hebben andere dichters over Roland Jooris geschreven?
‘Jooris spaart het wit waarop hij schrijft zelf uit. Hij schrapt zich een ruimte bij elkaar. Hij schrijft de witste poëzie die ik ken: hij gromt zichzelf uit, en op de vrijgekomen plaats schrijft hij. […] Dit is een messengevecht van puurte tegen puurte.’ Aldus Herman de Coninck.
Wervende taal en De Coninck was niet de eerste de beste. Ik neem de bundel daarom nogmaals ter hand, vind nu meer zinnen en strofen die me aanspreken en enkele gedichten die me (bijna) als geheel bevallen.
Hier is er een:

Solo

Je slikt je zingen in

Je kijkt naar wat je meent
te weten

Een onthutst gerucht
komt uit vervagen
tevoorschijn

Het onmogelijk absolute
ligt eigenzinnig op de punt
van je tong

Alsof op een cello
schrijnt
             verbeten schor
je hardnekkige
             geslotenheid

In de jaren vijftig, zestig en zeventig beleefde de hermetische poëzie in Nederland een hausse met onder anderen dichters als Lucebert, Kouwenaar en Faverey. Het gaat in deze poëzie niet om het uiten van gemoedsaandoeningen, maar om het woord als materiaal om taalbouwsels mee te construeren. Zoals een metselaar met stenen een huis bouwt, een schrijnwerker met hout en lijm een kast. Men laat de chronologie varen en vindt een betekenisvolle samenhang van ondergeschikt belang.
Een en ander vergt van de lezer een nauwgezet en aandachtig lezen en herlezen, uithoudingsvermogen dus, waarschijnlijk de reden waarom dit genre een kleine lezerskring kent, te meer daar ze praktisch onvertaalbaar is .
In Bladgrond treft men gedichten aan die deze tijd in herinnering roepen; het gedicht ‘Op het meer’ in het deel ‘Tweevoud’ (!) is een broertje van ‘De roeiers’ uit Chrysanten, roeiers van Hans Faverey en favoriete stijlbloemen van voornoemde hermetici (Lucebert uitgezonderd), zoals wederkerigheid (zich, zichzelf) en het tegendeels voorvoegselgebruik (onmeedogend, nietsontziend) komen ook bij Jooris veelvuldig voor.
Zoals In de schilderkunst Bonnard en Vuillard tot hun laatste snik trouw bleven aan het impressionisme, zo is Jooris trouw gebleven aan het hermetisme van vijftig jaar geleden.
Na dit te hebben begrepen wordt mij ook mijn aanvankelijke korzeligheid duidelijk; ik proefde epigonisme, een verschijnsel waar dichters met een beperkte originaliteit zich doorgaans schuldig aan maken, maar waar bij Jooris geen sprake van kan zijn: hij maakte deel uit van voornoemde groep en al was hij er geen coryfee van, hij mag toch wel De laatste der Mohikanen onder hen worden genoemd.

In dit licht dient men Jooris mijns inziens te lezen, werk dat nu eens weerbarstig, dan weer gelaten is, naar binnen gericht als door een kloosterling geschreven.
Opwekkend is het niet, maar na veel geworstel en enige zelfkwelling blijkt het zo indringend dat het moeilijk is aan de hoge kwaliteit van het dichterschap van Jooris te twijfelen.

Recensie van Sculpturen. Een keuze uit het werk - Roland Jooris

Gedichten om te bekijken

Roland Jooris
Sculpturen. Een keuze uit het werk
Uitgever: Poëziecentrum
2014
ISBN 9789056554156
€ 22,50
128 blz.

 
De laatste bundel van Roland Jooris heeft als titel Sculpturen, telt zevenentachtig gedichten en is een bloemlezing uit al zijn poëzie. Hij heeft hem samengesteld met de poëziespecialist Bart Van der Straeten. De gedichten zijn gekozen op grond van zijn huidige poëtica en daarmee zijn er nogal wat bekende gedichten verdwenen. De eerste afdeling heet ‘Gedichten 1958-78’ en verschilt nogal van zijn eerste bloemlezing met dezelfde titel uit 1978; de andere afdelingen hebben de namen van zijn bundels sinds 1982. De bloemlezing eindigt met tien nieuwe, nog ongepubliceerde gedichten en wordt  ingeleid door Carl De Streycker, directeur van het poëziecentrum, publicist en wetenschappelijk medewerker aan de Universteit Gent. Het citaat uit het gedicht ‘Honger’ waarmee hij het essay opent, geeft al een idee van die poëtica:
 

Zijn werk is een gebaar
dat zich wegkapt, een
sprakeloos houwen in
nog stenige
taal

 
Jooris schrijft al vanaf 1958, net zolang als K. Schippers, met wie hij aanvankelijk verwantschap vertoonde: de verwondering over de werkelijkheid, het bijzonder maken van het schijnbaar onbeduidende, het onopgemerkte – iets wat je ook zag bij de Vlaamse neorealisten. Schippers bleef daarbij: voor hem blijft de werkelijkheid onderwerp voor een nooit eindigend onderzoek.  Jooris is een andere weg ingeslagen, of beter gezegd: een poëtica die in aanleg al aanwezig was, is gaan domineren.
 
Zijn huidige poëtica is uiteraard zichtbaar in zijn nieuwste gedichten. Ik citeer ‘Genese’, het laatste van de bundel:
 

Uit vermoeden ontstaan
uit nevel      uit het lispelen van
wind      uit ontkenning
 
ook de hoop loopt uit
op doorstrepen
 
naarmate
een gebergte ons
lokt, twijfel nog
hoger klimt, een uitzicht
ruimdenkend
zich inkeert, de adem
beneemt
 
naarmate
het rommelt in een diepte
die ons in een duizeling
stort
 
het niet bestaande
schudt ons door elkaar

 
In dit gedicht neemt hij veel terug: ‘uit ontkenning’, ‘ook de hoop loopt uit /tot doorstrepen’, ‘naarmate ( … ) een uitzicht  ( … ) zich inkeert, de adem / beneemt’, met aan het slot de constatering:  ‘het niet bestaande / schudt ons door elkaar’.
 
De Streycker gaat op Jooris’ poëtica uitgebreid in. Hij citeert een uitspraak van de dichter in een interview uit 2013 in de ‘Poëziekrant’: ‘Ik zeg altijd: mijn schrappen is soms ook een toevoeging.’ Aan het slot van zijn essay zegt De Streycker: ‘Sculpturen verbeeldt de zoektocht van de dichter naar de onvermoede mogelijkheden van de taal. Die wordt al te vaak slechts gebruikt om over de wereld te praten, een gebruiksfunctie die ze verliest in de gedichten van Jooris. Door de anekdotiek weg te houwen uit zijn poëzie, door de metaforiek heel vaak weg te polijsten en door het begrippenarsenaal dat grotendeels uit abstracte termen bestaat, wordt de taal ‘vrijgekapt’, dat wil zeggen: grotendeels – want volledig blijkt onmogelijk – losgemaakt van de referentialiteit. Dat maakt dat dit een poëzie is die niet langer de werkelijkheid afbeeldt, maar die zelf een wereld oproept. Niet de concrete realiteit, maar een werkelijkheid die vaak verborgen blijft onder de oppervlakte. De poëzie van Jooris gaat dus niet zozeer om zien dan wel over inzien. Niets geen neorealist die de werkelijkheid in taal tracht te vatten, maar een metafysisch dichter die met taal de onzichtbare wereld vatbaar maakt.’ (Die onzichtbare wereld verwijst overigens niet naar religie. In het gedicht ‘Later’ schrijft hij over het levenseinde: ‘een // bestaan dat verwaait in / zijn strooisel, een hiernamaals / van wind en van / as.’)
 
Ook in ‘Genese’ zie je dat streven naar volledige autonomie en de onbereikbaarheid daarvan: ‘ook de hoop loopt uit / op doorstrepen’ en ‘het niet bestaande / schudt ons door elkaar’.
Om de autonomie van een gedicht te benaderen, moet je taal opnieuw geboren laten worden, of, zoals hij in ‘Honger’ zegt, ‘houwen in / nog stenige / taal.’ Tegelijkertijd lijkt die taal in het gedicht onder hoge druk te staan en dat kan tegelijkertijd de autonomie hinderen. Het begin is moeilijk:
 

MOEDERTALIG
 
Dit opnieuw te spellen
uit te spreken, dit
uit krampachtigheid vandaan
naar vingers grijpen, taal-
springen, klankstoten,
letterlallen, dit likkende
liplezende, hortende
 
dit allereerste
onverstaanbaar hulpeloze, dit
stameldichtende dat opgekropt
stampt in het gedicht: een hunkering
naar de zeggingskracht van
goesting in gezoogde
taal

 
De titel Sculpturen verwijst enerzijds naar het vrijkappen van taal, zoals De Streycker dat noemt en anderzijds  naar Jooris’ nauwe banden met de beeldende kunst. Hij is daarin verwant met André du Bouchet, die in ‘Sur le pas’ poëzie integreert met schilderkunst. (Zie daarvoor deze pagina van de Koninklijke Bibliotheek) . Voor hem schreef Jooris het gedicht ‘In memoriam André du Bouchet’. Bijzondere banden had hij met Roger Raveel, die minstens driemaal voorkomt in de bundel: in de afdeling ‘Gedichten 1958 – 78’ staan er twee over de dood van vader en schildersmodel Raveel en ‘Tuin’ in de afdeling ‘Kromte’. In zijn figuratieve schilderijen is Raveel zowel de schilder van leegte als van de ‘halfland’lijkheid’, om een term van Vestdijk te gebruiken. Een voorbeeld: een schilderij van een achtertuin met wasdraad en betonnen muurtjes bevat een wit vierkant: een leegte of afwezigheid. Jooris doet dat op vergelijkbare wijze: ‘gekalkt // het ruwe wit / ondraaglijk / in de blinde zon’ (‘Landweg’).

Zelf zegt Jooris over de titel: ‘Ik ben een lezer-kijker. Ik bekijk het gedicht als een sculptuur’ en ‘ik [voel] mij wel in zekere zin een beeldhouwer van taal. Trouwens, ik zie ook hoe die gedichten als een talige sculptuur op het witte blad staan. Je ziet dat ook aan de smalte van die gedichten’. (Dit citaat geeft De Streycker in zijn essay. Het komt uit het bovengenoemde interview).
Kijken we naar de gedichten, dan zien we dezelfde thematiek als bij lezing ervan. De smalle gedichten zorgen voor veel wit: het nagestreefde niets. Dat niets is onbereikbaar: zonder letters geen gedicht.
 
Sculpturen is een veelzijdige, boeiende bundel. Ik beveel hem van harte aan.
 
***
Roland Jooris (1936) won in 1979 de Jan Campertprijs en kreeg in 2004 voor Gekras de driejaarlijkse Prijs van de Vlaamse Gemeenschap. Als het dichtklapt werd in 2005 genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.