Recensie van Titel - Freda Kamphuis

De triomf van de Dadaku

Freda Kamphuis
Titel
Uitgever: Voetnoot
2014
ISBN 9789491738142
€ 16,-
68 blz.

Het is niet de gewoonte om twee bundels in een keer te behandelen, maar omdat Freda Kamphuis’ bundel Titel zo in het verlengde ligt van haar onbesproken voorgaande bundel GVDKU voelde ik mij gerechtigd een uitzondering te maken.

Anarchie die op zichzelf bestaat is uiteraard zeldzaam. Anarchie is doorgaans een reactie op de gevestigde orde. Wat mij het meeste trof bij de poëzie van Freda Kamphuis (1965) was het plezier waarmee zij op zichzelf lijkt te kunnen staan. Het is anarchistische poëzie die telkens weer haar eigen regels bepaalt, maar zonder
zich nadrukkelijk af te zetten tegen de bestaande; integendeel: ze speelt ermee.

Hoewel – 
Laat ik bij het begin beginnen. Omdat een bundel een naam moet hebben, heeft de meest recente dichtbundel van Freda Kamphuis de titel ‘Titel’ gekregen; een titel die naar haar eigen essentie verwijst. Ik durf te beweren: een echte ‘zen’-titel. Zoals de meeste lezers waarschijnlijk wel weten is zen een vorm van boeddhisme die verwijst naar de leegte als essentie van al het bestaande, en die als techniek het tot zwijgen brengen van de zintuigen, de emoties en het denken beoefent, om zo tot de leegte, de stilte te komen. Zeer Japans allemaal, maar van oorsprong Chinees. Dit even terzijde.

Een typisch met zen geassocieerde vorm van poëzie is de haiku. Een dichtvorm van drie regels van vijf, zeven en vijf lettergrepen, en die traditioneel naar een jaargetijde verwijst.

DE BEPERKING VAN HAIKU

Op boomtak naast oor
zingt zwartgrijs vogeltje on-
afgebroken door

Vijf zeven vijf. Precies zoals het hoort. Maar wat ik nooit had bij een ‘normale’ haiku: ik schoot in de lach. Wanneer zij die, voor onze taal, belachelijke eis van vijf zeven vijf volgt, legt zij het ongewild komische van rigide regels bloot. Je krijgt wel een indruk waar haar eigenzinnigheid vandaan komt wanneer je onderstaand gedicht leest:

               GEBEDKU

          Onze Haiku Die
    in de Letteren zijt, Uw
      Raam worde gehei-
     ligd; Uw Woninkrijk
  kome; Uw wil geschiede,
         gelijk in de Let-
        ter als op de in –
 houd. Geef ons heden ons
    dagelijks rood en ver –
      geef ons onze spil –
 zucht, gelijk ook wij ver –
      geten onze schulde –
      naren; en leid ons
niet in verboeking, maar ver –
         los ons van de Bo –
         ze. Want van Ku is
het Woninkrijk en de pracht
      van de spaarzaamheid
      tot in de eeuwigheid.
               Amen. (..)

Dit wordt nog een keer herhaald, en begint dan weer opnieuw…
Die is van huis uit protestant, dacht ik. Net als de zenboeddhisten hebben de protestanten die soms overdreven neiging tot soberheid. Het kan aan mij liggen, maar ik proef hier toch wat bitterheid in. Het protestantisme heeft minder oog voor de menselijke zwakheden dan het meer bourgondische katholicisme, terwijl je als protestant met het van jongs af aan ingepompte respect voor ‘Het Woord’ een ideaal middel hebt gekregen om je als dichter tegen af te zetten.
Dat deed Kamphuis in haar vorige bundel al, nota bene in de titel ‘GVDKU’, die ontleend is aan de haiku:

Godverdomme
één lettergreep te weinig
o godverdomme

Als goed christen leer je om niet te vloeken, we hebben er zelfs een bond tegen, en zeker het Onzevader, het gebed van De Heer Zelf mag je niet misbruiken.
Dat doet zij dan ook niet. In de pastiche op het Onzevader heeft zij het alleen maar over de haiku. Toen ik naar andere sporen van het geloof begon te zoeken, werd de overduidelijke aversie zichtbaar. Het lijkt mij de enige regelgevende instantie waartegen zij zich afzet. Met soms als in bovenstaande haiku, een uiterst komisch effect. Nog een gedichtje (uit Titel) dat speelt met de regels van de haiku zelf:

EASY GOING

Haiku eist geen zwoegen,
alleen het tellen al
geeft veel genoegen

Zij telt wat af!
Zo ontleedt zij een kantoorkamer:

4 spierwitte muren
4 donkerblauw omkaderde ramen, waarvan 2 openstaand
1 donkerrode deur, gesloten
1 grijs tapijt
1 wit systeemplafond met lichtgrijze vierkanten, gevormd door smalle strips

enz.

Drie volle pagina’s lang. Ik heb ‘ONTLEDE KANTOORKAMER’ gelezen zonder mij te vervelen en om verrast te worden door bijvoorbeeld: ‘1 wit busje suikervrijheid’. Maar het is het slot, dat ik hier niet citeer, dat deze opsomming tot poëzie maakt!

Ik had het over het tellen: Met de regel: ‘de zin van een stilleven zie ik niet’, tekent zij in Titel een stilleven. Ook in GVDKU tekende zij een woordstilleven. Daar is eveneens heel wat telwerk aan voorafgegaan. Het leidde tot vrolijke, uiterst persoonlijke onpersoonlijke poëzie.

Meer dan aan Japanse poëzie doet het dichtwerk van Freda Kamphuis aan Dada denken, een kunstvorm die in 1917 in Zürich ontstond, en waarmee de kunstenaars, fotografen, dichters, zich afzetten tegen de burgerlijke waarden die met de Eerste Wereldoorlog failliet waren gegaan. Religie? Moraal? Schoonheid? De mensheid leek aan het toeval overgeleverd, en aan de barbarij, en daarmee zou de kunst haar confronteren. Natuurlijk werd er ook naar wetmatigheden gezocht; zonder orde is er geen enkele kunstvorm mogelijk, maar ze is letterlijk van een andere orde.
Dat is ook het geval met de bundels van Freda Kamphuis. Ze staan vol met visuele poëzie, minimal poetry, spiegelpoëzie, en zelfs kleurenfotografie waar met letters in getekend is. In vergelijking met deze twee bundels, is de gemiddelde dichtbundel saai…

Het is moeilijk om een beetje representatieve keuze te maken, omdat ik de beeldgedichten buiten beschouwing moet laten. Het is ook moeilijk om fragmenten uit de gedichten te kiezen: details lijken er minder toe te doen dan het geheel. Hier geen mooie zinnen, maar woorden die precies op hun plaats doen wat er van ze gevraagd wordt. Kamphuis is een schatgraver in de taal. Zij laat je haar ontdekkingen zien, waarbij zij zelf een stap opzij doet. Zo lijkt het werk op zichzelf te staan, wondertjes die niemand eerder heeft ontdekt. Haar poëzie komt nog het dichtst in de buurt van het oude werk van K.Schippers.
Dit leverde mij een schaterbui op:

SICH PEENTJES SCHWEIßENDEN

Ich schweiße mich peentjes
Du schweißt dich peentjes
Er schweißt sich peentjes
Sie schweißt sich peentjes
Wir schweißen uns peentjes
Ihr schweißt euch peentjes
Sie schweißen sich peentjes
Everybody schweißt sich peentjes
The whole world schweißt sich peentjes
So Scheiße, daß wir alle peentjes schweißen

Er zullen legio mensen zijn aan wie dit soort poëzie niet besteed is, maar ik heb veel plezier beleefd aan het uitdagende gemak waarmee deze dichteres de taal naar haar hand zet, en ik kan daar alleen maar bewondering voor hebben. Zou zij alleen maar dit soort poëzie geschreven hebben, dan had zij mijn respect al, maar ook haar ‘gewonere’ werk heeft een soortgelijke zelfstandigheid: het staat als een huis:

KANTOREN

Als des avonds
de tikkenden
en klikkenden
verdwenen zijn
lijken hun gebouwen
als uit dood gehouwen

(uit: GVDKU)

Geen twijfel mogelijk: hier is niets beters van te maken. Ik durf te wedden dat je ‘s nachts een verlaten kantoor gebouw passerend, aan deze regels zal denken.
Teder kan Kamphuis ook zijn:

         HERFSTZON

          de singel
        draagt haar
hardste schaduwen vandaag

 dwars door felgroen gras
           snijdt gitzwart
                 lange rij
          kastanjebomen

         in koudere lucht
        tot hier gekomen
       voelt men warmte
              zachtheid
              langzaam
   uit de dingen stromen

Ik noemde het teder, maar het is tederheid in contrast met de koele constatering van kale, harde feiten. Freda Kamphuis is een heldere, onderzoekende geest. Hoe meer ik in haar bundels lees, hoe groter mijn verwondering. Hoe simpel sommig werk ook lijkt, ik kan het keer op keer blijven lezen, maar op een manier die doet denken aan galeriebezoek: bij thuiskomst merk je pas welk werk zich in je geest heeft vastgezet. En wil je terug om het nog eens te bekijken.