Recensie van Alle gedichten - Gerrit Komrij

De eerste regel is om te beginnen

Gerrit Komrij
Alle gedichten
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 97894031088308
€ 39,99
899 blz.

Alle gedichten is de vermeerderde druk van de uitgave Alle gedichten tot gisteren uit 1994. De bundels Spaans benauwd (2005) en Boemerang (2013) zijn aan deze editie toegevoegd, maar de gedichten die Komrij als Dichter des Vaderlands heeft geschreven (2002-2004) zijn niet opgenomen. Dat is beslist geen gemis, in de volumineuze bundel Alle gedichten die er nu ligt, raak je voorlopig niet uitgelezen. Er wordt de lezer veel moois en bijzonders voorgeschoteld. Op de voorkaft staat een foto van Komrij als Julius Ceasar, zoals we deze kennen als beeld, met een quasi-Romeinse haardos en de bijbehorende hautaine blik in de ogen.

De poëzie van Gerrit Komrij komt over als vormvast en is ogenschijnlijk toegankelijk, op het eerste gezicht in ieder geval niet hermetisch, hoewel ik als lezer voorzichtig blijf met deze vaststelling. Om vat op zijn poëzie te krijgen, wordt hij als een neoromantisch dichter beschouwd, omdat zijn gedichten een reactie zijn op de naoorlogse poëzie van de vijftigers en de volgende generaties. Hij lijkt terug te keren naar negentiende-eeuwse tendensen, zeker in zijn vroege dichterschap. Zijn virtuoze taalgebruik en zijn ironische, soms cynische benadering van bepaalde thema’s als eenzaamheid, ziekte en dood zijn kenmerkend voor zijn gedichten en ook voor zijn andere werk. Het is recht-voor-zijn-raap-poëzie met de taal als onweerstaanbaar wapen, waarmee hij anderen meedogenloos kan raken. Tegelijkertijd spaart hij zichzelf als dichter niet, stevige zelfspot en zwarte humor zijn andere ingrediënten van zijn poëzie. Voorbeelden van gedichten, waarin deze aspecten moeiteloos terug te vinden zijn, zijn er talloze. Het gedicht ‘Een verre reis’ uit Alle vlees is gras of Het knekelhuis op de dodenakker (1969) laat bovenstaande kenmerken zien:

Je ging, gezeten in een emmer, naar een
Zekere streek op reis, waar enkel grote,
Pokdalige dokters en goede heelkruiden waren.
Dat was een reis, die je nooit heeft verdroten.

Je was immers een emmer vol ziekte. Ja,
Een door en door krank vat, en je zocht
Beterschap. Er vloog jou een regen achterna
Van scheldwoorden van het grauw. Maar toch,

Je zocht beterschap, al het krapuul ten spijt.
En waarlijk, je kreeg hoestsiroop, en vond
Een heilzaam gewas, genas, maar sinds die tijd
Kreeg je de emmer nooit meer van je kont.

De ontwikkeling (‘reis’) van de nog jonge dichter Gerrit Komrij (‘je zocht beterschap’ wordt tweemaal vermeld) dringt zich op, maar niet iedere lezer zal in deze opvatting meegaan. Wie is de toegesproken ‘Je’? Wie zijn die ‘Pokdalige dokters’? Wat zijn de ‘goede heelkruiden’? Hij ‘vond / Een heilzaam gewas, genas’, maar het negatieve beeld dat hij bij anderen had opgeroepen, raakte hij nooit meer kwijt. Zie de laatste versregel: ‘Kreeg je de emmer nooit meer van je kont.’

Dat boven de andere dichters uitgroeien is een bekend thema in het werk van Komrij, een thema dat hij verantwoordt door gedichten te schrijven over het maken van poëzie als pure ambacht, zoals ‘Een gedicht’ uit zijn poëziedebuut de Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten (1968), dat een opsomming is van wat de inhoud van de twaalf versregels is, niet meer en niet minder. Uiteindelijk lijkt het een recept om als dichter zelf aan de slag te gaan. Gedichten, bestaande uit twaalf versregels, verdeeld in drie kwatrijnen en vijfvoetige versregels zijn favoriet bij hem. Hij heeft zich ontwikkeld tot een grootmeester in het toepassen van deze strakke vorm. Van ideologische  uitgangspunten en politieke standpunten in de poëzie moet hij niets hebben; stilistische hoogtepunten, daar houdt hij van. Gedichten zijn taalconstructies, ze worden gemaakt, in elkaar gezet, geknutseld. Ze komen niet uit een gevoel of sentiment aanrollen en dat ze gekunsteld zijn, is geen probleem. ‘Lichaam en geest’ uit de bundel Variété is een aardig voorbeeld. Het bevat twee acrostichons van de naam van de dichter. De twee gedichten zijn bizarre opsommingen van voornamelijk lichamelijke en geestelijke aandoeningen. In dezelfde bundel vinden we ook de zoveelste persiflage op Marsmans ‘Denkend aan Holland’, ditmaal als een vlijmscherp gedicht over geldzucht onder de titel ‘De binnenring van Holland’. Komrij bouwt zijn gedichten woord voor woord en regel voor regel op. Niet voor niets had hij veel belangstelling voor architectuur en heeft hij daarover met de nodige kritiek op de hedendaagse bouwkunst gepubliceerd.

Komrij is nergens zweverig wanneer het om het proces van het schrijven van poëzie gaat. Hij is geen poëtische beschrijver van de werkelijkheid, het gaat hem niet om een persoonlijke expressie van een innerlijk gevoel of sentiment. De lezer met een morele kwestie lastig vallen is helemaal uit den boze. Wat men ook van de gedichten van Komrij vindt, als dichter heeft hij een antwoord op zijn critici. De hierboven genoemde bundel Alle vlees is gras sluit af met het volgende dialooggedicht:

Afgeluisterde tweespraak

A
Waarom pronkt die Komrij toch steeds zo banaal
Met die verborgen bedoelingen? Z’n verhalen
Getuigen waarlijk van Schraalhans’ brabbeltaal
Met een ijselijke inslag van het anale.
’t Zijn koekoekszangen waar ik niet om maal.

B
’t Zijn lege spelen, Mijnheer, ’t is voos geklater.
En wat te zeggen van z’n malicieuze
Dédain? Hij verbeeldt zich op sterk water
Te schrijven tussen literaire gazeuse.
Zo’n hoogmoed bewaart hij maar voor later.

Wat een ironie als je jezelf als dichter zo wegzet en op deze wijze een bundel afsluit! Daar raak je als lezer even (of wat langer) van in de war.

In de poëzie van Komrij zijn voortdurend tegenstellingen te vinden. Het hoge staat tegenover het lage, het ongewone tegenover het gewone, het verkeerde tegenover het juiste. Veel van de poëtische werelden die Komrij schept, zijn gedeeltelijk of geheel absurdistisch en ontsproten aan een breidelloze fantasie. De gedichten van Komrij zijn volledig autonoom, de lezer zal vooral naar de tekst van het gedicht zelf moeten kijken. Het privéleven van Komrij koppelen aan de inhoud van zijn gedichten is gedoemd te mislukken. De autobiografische prozabundel Verwoest Arcadië (1980) geeft je meer kansen, wanneer je dat wil proberen.

De uitgave bevat achterin een goed verzorgde ‘Inhoudsopgave en verantwoording’. Eerste drukken en aantallen van de oplage worden vermeld, fouten in de uitgaven besproken en eerste en latere versies genoemd. Tevens is een ‘Register van beginregels en titels’ opgenomen. De gedichten van Gerrit Komrij zijn vrij gemakkelijk in deze bundeling van de gedichten van Komrij terug te vinden. Het werk is opgedragen ‘Aan C. H.’, zijn partner Charles Hofman. Alle gedichten is een fraai uitgegeven, geslaagde editie, die recht doet aan de betekenis van Gerrit Komrij als dichter.

Hoe meer je thuis raakt in de poëzie en in de poëtica van Gerrit Komrij, des te meer krijgt het slotvers ‘Modern gedicht’ van de bundel Variété een stekelige betekenis. Het is een gedicht dat bij veel dichters zal schuren: met name de dichters die op inspiratie hopen en wachten op de grote ingeving moeten het ontgelden. Ik kan erom glimlachen of is grijnzen een beter woord? Even terzijde, de slotgedichten van de verschillende bundels en gedichtenreeksen in Alle gedichten zijn op zich al bijzonder en altijd betekenisvol in relatie tot de bundel zelf, waarvan ze deel uitmaken.

Modern gedicht

Ik wacht.
Er gebeurt niets.
Ik wacht nog steeds.
Er gebeurt nog steeds niets.
Als ik maar lang genoeg blijf wachten
Zal er een eeuwigheid niets gebeuren.

In de twee slotverzen van ‘Modern gedicht’ zit het pure venijn van zijn authentieke dichterschap. Slechts enkele simpele woorden heeft hij nodig voor deze harde stellingname. Gerrit Komrij wachtte niet, hij ging aan de slag, een leven lang.

***
Gerrit Komrij (1944-2012) was dichter, schrijver, vertaler, criticus, polemist en toneelschrijver. Hij debuteerde in 1968 met de poëziebundel Maagdenburgse bollen en andere gedichten. In 1979 verscheen De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten, een bundel die een groot succes werd. Alle gedichten tot gisteren zag in 2004 het levenslicht. Komrij laat een enorm oeuvre na met poëzie, essays en romans. Ook zijn er veel bibliofiele uitgaven, soms in heel kleine oplagen, van zijn werk. Vanaf 1984 woonde hij met zijn partner Charles Hofman in Portugal. Van 2002 tot 2004 was hij Dichter des Vaderlands. Hij ontving vele prijzen voor zijn werk, waaronder in 1993 de P. C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza.

Recensie van Boemerang. Met drie nieuw gevonden gedichten - Gerrit Komrij

Mijn wangzak klaagt

Gerrit Komrij
Boemerang. Met drie nieuw gevonden gedichten
Uitgever: De Bezige Bij
2013
ISBN 9789023483236
€ 10,-
112 blz.

September 2012, twee maanden na zijn dood, verscheen Gerrit Komrij’s laatste bundel zoals hij in bijna voltooide vorm op zijn bureau werd aangetroffen. Een maand later werd hij al herdrukt en nu is er in een goedkope uitgave een derde druk, uitgebreid met drie gedichten die partner Charles Hofman uit de krochten van Komrij’s computer opdiepte.

In de schematische opzet van zijn bundel had Komrij ‘Ei’, ‘Intocht’ en ‘Erasmus’ al wel genoemd, maar ze waren in eerste instantie onvindbaar.
‘Ei’ lijkt een afgeronde tekst te zijn, ‘Erasmus’ schijnt ook af, maar blijkens enkele notities nog niet tot tevredenheid en aan ‘Intocht’ had nog verder geschreven moeten worden op basis van wat nu ‘fragmenten’ heet.

Johan Reijmerink gaf in zijn vorig jaar in Meander gepubliceerde recensie een mooie karakteristiek van Boemerang: ‘Deze bundel is met ware ‘doodsverachting’ geschreven, zoekend naar een wankel evenwicht te midden van het mysterie dat leven heet en dat zijn schaduwen uitstrekt tot ver over de grens van leven en dood heen. Je kunt de vraag over het leven na de dood nu wel van je af willen werpen, maar hij komt weer als een boemerang bij je terug.’
Reijmerink wees daarbij op Komrij’s grote vormkracht en diens beheersing van talrijke taalregisters, van archaïsch tot triviaal, in het altijd durende gevecht tussen schijn en wezen in toom gehouden door zelfironie en relativering.

Ik zou daarbij het sterk ambachtelijke karakter van Komrij’s poëzie nog willen benadrukken, wat mooi blijkt uit hoe hij kennelijk nog nadacht over ‘Erasmus’.

 

Erasmus

Waar medemensen zwart zien zie ik wit.
Ik wens het tegendeel van wat zij wensen.
Verdomd als ik niet tot de duivel bid
Wanneer god weer in trek is bij de mensen.

Daar is toch echt niet veel bijzonders aan.
Dat is gewoon een snuifje rebellie
Dat geen oppassend heerschap zou misstaan.
Ik lach als ik mijn medemensen zie.

Maar wat als heel de wereld grijs zou zijn,
Geen zwart, geen wit? Dat is mijn grootste vrees.
Dan was ik lam en had ik niet eens pijn.

Dan zag ik medemensen die nooit kiezen.
Dan lost de kamer op in het gordijn.
Dan raakt de wereld leeg. Ik zou bevriezen.
 

 
Het lijkt perfect, dit sonnet, maar in het sextet klopt het rijmschema niet, al is de formele afwijking op inhoudelijke gronden goed te verdedigen. Dat in regel 10 ‘vrees’ een weesrijm is, en dus geen weerklank vindt, versterkt daardoor die ‘grootste vrees’ nog eens maximaal. Dat het hem toch bezighield, blijkt uit een paar aantekeningen onder het gedicht, waarbij hij ook twee rijmklanken noteert: ‘eeg’ en als laatste ‘ees’.
Hoe het anders had gemoeten? Je zou er haast een wedstrijd over uitschrijven.
 
‘fragmenten’ bevat een aantal authentieke Komrijregels. Alleen de eerste al: ‘dwaalt door de donkere gang een godenzoon’. En wat te denken van deze fraaie strofe:
 
Mijn wangzak klaagt, een kyrie zingt mijn maag,
De weemoed zeurt door mijn gebeente. Treurig
Neuriet het laatste nekhaar in mijn kraag:
Een kerkhoflied. Weldra moet het gebeuren. 
 
Alsof hij een strikt persoonlijke Halloweenact opvoert.
De tekst eindigt met drie losse woorden: rooskleurig / gestaag / de nederlaag.
Lees er gerust een postume triomf in.
 

Recensie van Boemerang en andere gedichten - Gerrit Komrij

Een God in het diepst van zijn gedachten

Gerrit Komrij
Boemerang en andere gedichten
Uitgever: De Bezige Bij ,De Bezige Bij
2012
ISBN 9789023465591
€ 19,90
110 blz.

De dichter Ramsey Nasr ziet in de poëzie van Gerrit Komrij de versplintering zo mooi opbloeien in vormvaste verzen. Veel drie- of vierregelige strofen, al dan niet in sonnetvorm, met regelmatig rijmschema. Een houvast voor zijn beheerste en doordachte taalvirtuositeit. Het verbaast dan ook niet dat een schrijver als Tom Lanoye verliefd is op Komrij’s technisch kunnen. Ik stem in met hun beider vaststelling, ook als het gaat om deze nieuwe, postume bundel Boemerang. Een klankrijk slotakkoord van een omvangrijk oeuvre.
Komrij’s vormkracht en perfecte beheersing van talrijke taalregisters maken hem sinds jaar en dag tot een uniek dichter in ons taalgebied. Van archaïsch tot triviaal taalgebruik krijgt daarin een plaats. Hij put uit de rijke traditie van de Griekse, joodse en christelijke overlevering, kent zijn klassieken en heeft ook tegelijkertijd enig besef van wat er in de actualiteit speelt. Hij is om die laatste reden niet voor niets een tijd lang onze dichter des vaderlands geweest.
Zo staat er in deze bundel een actuele tweeluik over Europa: ‘Het verdriet van Europa’ en ‘Europa’s troost’. Europa is in verval. We moeten onszelf opnieuw gaan uitvinden:

Ik stel me voor: Europa is vergaan
(Barbaren, vuur, vermoeidheid of cycloon)
En wordt, aan de overkant van de oceaan,
Door een melancholiek en rijk persoon

Opnieuw gebouwd: Venetië, Parijs,
Berlijn, Milaan, de hele pracht en praal.
[…]

Ik zit in een verkoolde woestenij
Te kijken naar een roze wolkenrand

Dromen lijken gedoofd, maar in een park is voor nieuwsgierigen een feest georganiseerd:

Er prijkt zo’n stoet aan dromen in de Ark
Dat iedereen meteen vereuropeest.
En zo begint het liedje andermaal.

Met enig hernieuwd geloof in onszelf komen we er na deze zondvloed wel weer door heen in de ark van Draghi. Komrij brengt die toekomstige ontwikkeling vanuit een verrassend perspectief in beeld.
De bundel bevat zeven afdelingen, deels voltooid, deels onvoltooid. Komrij had het plan om drie grote afdelingen te maken. Deze uitgave in onvoltooide versie is door zijn vriend en partner Charles Hofman geheel in overeenstemming met de bedoelingen van de dichter samengesteld. Als je de verzen van Komrij leest, hoor je nog altijd zijn stem erin opklinken. Een scherpe, heldere en gedragen stem, een beetje lijzig als van een vermoeide oude vrouw die het niet kan nalaten zich toch met het aan haar voorbijgaande leven te blijven bemoeien. Hij kan in zijn poëzie ongenadig hard uithalen over alle mislukking die dit tranendal behelst, zoals in het gedicht ‘Vervloeking’ waarin hij de lieden die hem verafschuwen toewenst dat ze ontploffen. De meester is sinds kort niet meer onder ons, maar zijn postume bundel glanst alsof hij nog altijd springlevend is. Als je zijn bundel een paar keer doorleest, valt je op dat het lijkt alsof hij hem speciaal voor ná zijn dood geschreven heeft.
Op veel plaatsen kiert de dood tussen de regels door. Het begint al met de ‘psalm’ aan het begin van de bundel. Een lofzang met een dubbele tong:

de avond vrees je en het grote krimpen
de dingen in de kamer hebben pijn
Er lopen dwars door je geraamte schimmen
[…]
schimmen van vroeger die maar niet bedaren
[…]
we dansten en we blaften naar de maan –
nu praat het daglicht met een dubbele tong –
er komt nog een luguber feestje aan

Het feest van de onbezonnen jeugdjaren maakt plaats voor het afschrikwekkende feestje in het schimmenrijk. Al van jongs af aan moet hij zich achterna gezeten hebben gevoeld door het niets, de dood. Hij had er een vertrouwdheid mee:

De builenpest bezoekt de godenzonen
En liefde staat gelijk aan levenslang.

De held voelt zich achtervolgd. Een blauwdruk van het schimmenrijk tekent blijkbaar al in de loop van je leven zich in je lichaam af. Een realiteit waarvan je met enig cynisme afstand van zou willen nemen, maar dat is aan ons niet vergund.
In de afdeling ‘Morseseinen uit ‘Il Vittoriale’ staat het gedicht ‘Geraffineerde eenzaamheid’. Daarin dekt de ik-persoon zich in tegen het naderend einde met die bekende zelfironie en relativering die zich bij Komrij vaak manifesteert door veelvuldig gebruik te maken van paradoxen:

Ik maak nu al mijn hemel klaar.
De poortwachters zijn per dozijn besteld.
[…]
De dood is maar een kleine hinderpaal
Voor wie de platte schijn (die wereld heet)
Kan overwinnen. Alles is verhaal.

Vooral dit laatste zinnetje is typisch voor de poëzie van Komrij. De dichter die van het woord en de verbeelding leeft, en in deze strofe het woord, het verhaal wegschrijft, omdat hem dat nu van pas komt in het zicht van de naderende dood. In de paradox ligt zijn kracht:

Mijn stervenskreet is een geboortekreet.

Hoe voller ik mijn magazijnen maak,
Hoe meer ik van die schijnwereld afraak.

Altijd weer het gevecht tussen schijn en wezen.
In het titelgedicht ‘Boemerang’ meet hij zijn ongenoegen breeduit over de loop des levens. Zelfs de liefde tussen godenzonen kan levenslang betekenen. Het leven is voor Komrij als een boemerang geweest. Wat je ook doet of niet doet, begin en eindpunt is de eeuwige slaap.

Boemerang

Hij is bewusteloos. Vrouw Niets ontwaakt.
Het niets versmelt zich met de sprookjesprins
En wordt ook door begeerte aangeraakt.
Nu, niet verliefd, maar toch wel enigszins.

Het niets komt uit de slaap en de begeerte
Uit niets. Verschrikkelijk zijn deze drie.
De zon is dof, de wereld omgekeerd,
Er zit een haarscheur in de harmonie.

De jeugd wordt nagezeten door demonen,
De ouderdom wiegt zich in zoet gezang,
De builenpest bezoekt de godenzonen
En liefde staat gelijk aan levenslang.

Dit gedicht verenigt alle ingrediënten van het melancholieke levensgevoel in zich, van waaruit Komrij zo dikwijls met de afstand tot het leven zijn ironie schept, zijn poëzie schrijft. Het leven als een bitter sprookje. Hij ontwaakt, weet zich door begeerte aangeraakt, ‘niet verliefd, maar toch wel enigszins.//’. Iets van de weerspannigheid, zo eigen aan de mens en dichter Komrij wordt zichtbaar. Een Nietzscheaans levensgevoel van het Niets hangt in de tweede strofe boven het leven:

Het niets komt uit de slaap en de begeerte
Uit niets. Verschrikkelijk zijn deze drie.

Een beeld van de omgekeerde wereld als een middeleeuwse voorstelling. De bedoeling ervan is anders dan we denken dat ze is. Het leidt allemaal tot niets. We zijn gevangen in de ijzeren kooi van onze eigen voorstellingen. Demonen van begeerte belagen ons. We laten ons oud geworden in slaap sussen. Het niets overkoepelt alles.
Komrij is een meester in het hanteren van ironie, cynisme en sarcasme, al naargelang het onderwerp dat vereist om zodoende zijn tegendraadsheid, boosheid, ergernis of spotlust erop bot te vieren. Een sterk voorbeeld van de zinloosheid van het bestaan is te vinden in het gedicht ‘Amnesie’ uit dezelfde afdeling ‘Binnenstebuiten’. Hij neemt daarin ons verlangen op de korrel om vervolgens weer te vergeten:

Verlangen – maar het doel is hij vergeten.
Hij voelt genadeloos dat hij verlangt,
Alsof hij in een mierzoet weefsel hangt,
Maar wie of wat, hij zou het niet meer weten.

Misschien verlangt wel iedereen naar hem,

De echo van een vrouwenstem lijkt hoorbaar, gesmoord. Hij droomt verder

van een nauwte in Niemandsland,
Beschenen door een niets beschijnend licht,
Met zwarte schimmen op een zwarte wand.
Hij laat de hele wereld achter zich.

De afdeling ‘Fata morgana’ bevat een paar gedichten die in korte verzen preluderen op het naderend einde. Komrij zet de ik-persoon als volmaakt mens-God neer. Wat dat aangaat meet de ik-persoon zich geregeld de statuur aan van de ‘oppermachtige’ mens die regeert over zijn ‘lege’ universum. Hij bedient zich dan van woorden en attributen die in de wereld van de religie thuishoren:

Ik kan alles. Ik ben rond.
Ieder tandwiel werkt. Ik glim.
Ik ben wonderlijk gezond –
ik ben goed en ik ben slim –

God, wat hieraan nog verbeterd?
Geen albasten beeld is gladder
En geen duizendpoot completer –
(Mijn route is de jakobsladder)

Ik ben een fenomeen als geen
En met geen woorden vast te pinnen –
Een kroonjuweel, een edelsteen.
Ik heb een bruidegom te winnen.

De volmaakte godenzoon verdient een bruidegom om hem klimmend op de jakobsladder te begeleiden op weg naar de hemel. Romantische zelfvergroting: Bilderdijk, Marsman, Komrij. Maar direct daarop lees je in het gedicht ‘Chloroform’:

Ik ben een nuchtere gek
En het doofstom talenwonder –
De landman zonder plek,
De gestenigde zonder wonden –
[…]

Ik ben gereed om te gaan.

Hier spreekt het slachtoffer mens. Het gedicht ‘Sukkel’ spreekt vervolgens van een zielenpoot die het hart op zijn hand draagt en die een schemergebied binnentreedt. De ik treedt het mysterie tegemoet:

Hij (=God – JR) is er niet.

Verdwenen. Hoe zal ik hem noemen –
Een koningskind of een beest?
Niets redt me, niets kan me verdoemen.
Hij is er gewoon nooit geweest.

De ik is overgeleverd aan zichzelf. Hier proef je een zoeken naar de waarheid van wat het mysterie van dit leven heet. Dat hij het nodig heeft het te benoemen, bewijst zijn onzekerheid over wat er nog meer te zeggen is dan dat ‘De ontbinding heeft ingezet, amen -//’. Komrij zingt zich aan het eind van zijn bundel naar een ultiem geluk:

‘Het eindstation van niks en niemendal’.
[…]
Er woedt een fakkeloptocht in mijn hart.
Een wolk ontploft. De zon komt moordend op
En nergens zie ik nog een reepje zwart.

Deze bundel is met ware ‘doodsverachting’ geschreven, zoekend naar een wankel evenwicht te midden van het mysterie dat leven heet en dat zijn schaduwen uitstrekt tot ver over de grens van leven en dood heen. Je kunt de vraag over het leven na de dood nu wel van je af willen werpen, maar hij komt weer als een boemerang bij je terug.

Recensie van Clubsandwich - Gerrit Komrij

Clubsandwich – de debutanten

Gerrit Komrij
Clubsandwich
Uitgever: Van Gennep
2010
ISBN 9789055155897
€ 15,00
447 blz.

In 2000 werd Gerrit Komrij de eerste Dichter des Vaderlands. En waar zijn opvolger Driek van Wissen zijn ‘ambtsperiode’ toch voornamelijk vulde met het scoren van schnabbels en de huidige Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr zich lijkt toe te leggen op het politiek correct vullen van krantenpagina’s, deed Komrij zijn best om de Nederlandse poëzie daadwerkelijk verder te helpen. Dat deed hij onder andere door de ‘Sandwichreeks’ uit te geven. Aanvankelijk bij Uitgeverij 521 en nadat die uitgeverij in 2008 werd verpletterd onder de almaar voortdenderende stoomwals der commercie en schaalvergroting, bij Van Gennep. Twintig bundels verschenen er, waarvan tien van debutanten, negen van vergeten dichters uit het verleden en als sluitstuk één deeltje, Bombast en larie, met ‘de 25 afschuwelijkste gedichten uit de Nederlandse literatuur’. Van Gennep heeft nu alle 20 delen nogmaals uitgebracht, gebundeld in twee banden, en Clubsandwich gedoopt.

Komrij legde de lat voor de reeks meteen hoog door in 2002 te openen met Niets met jou van Philip Hoorne. De toon was ook meteen gezet want, geheel in de lijn van wat je van Komrij mag verwachten, stond het debuut van Hoorne vol meligheid, bombarie en licht puberale gedichten over de naderende dood. Het is dan ook niet raar dat de bundel wat gemengd werd ontvangen. Komrij was daar misschien zelfs wel op uit. De bundel werd wel genomineerd voor de Vlaamse Debuutprijs.

Nummer twee in de reeks, Nu nog volop ventilatoren (2003) van Bas Belleman was mijns inziens wat minder van kwaliteit. Hoewel Belleman ontegenzeglijk een eigen geluid meebracht, bleef hij toch hangen in wat vrijblijvende gedichten met veel vrolijk taalspel en te vaak een punchline-achtig slot. De recensies waren ook over deze bundel niet eensluidend, maar zijn debuut leverde Belleman wel een nominatie voor de C. Buddingh’-prijs op.

Abdelkader Benali is een beetje een vreemde eend in de sandwich-bijt. Weliswaar debuteerde hij in 2003 als dichter met Gedichten voor de zomer (2003), hij was verre van onbekend. Sterker nog, hij had al een Libris Literatuurprijs op zak voor zijn roman De langverwachte, die in 2002 was verschenen. Dat neemt niet weg dat zijn bijdrage aan de Sandwichreeks een van de zwakste van de tien is. Benali schrijft regelmatig gevormde gedichten en werkt daarbij vaak in reeksen (‘De zeven hoofdzonden’, ‘Schrijversportretten’, Zoet-Zuur-Bitter-Zout). De regels zijn vrij lang en de gedichten ook, dus er staat nogal veel tekst, waarbij Benali maar moeilijk tot de kern komt van wat hij wil zeggen en ik dus het gevoel krijg dat er wel het één en ander weg had gekund. Het is ook vaak bedacht en flauw, zoals in ‘Afgunst’: ‘Je pleegde // zelfmoord las ik, weer was je me voor, maar afgetroefd / Heb ik je wel, mijn brug was een stuk hoger!’.

Eenvoudig schedellichten (2004) van Erik Solvanger begint met de wat magere cyclus ‘Algenritme’, een poging tot uitgebeende taal die geforceerd overkomt. Maar in de cycli daarna, waarin de gedichten iets meer lucht krijgen, laat Solvanger zien wat hij waard is. Als arts heeft hij een duidelijk beeld van, en schijnbaar een obsessie met, de werking van het menselijk lichaam. Daar ontleent hij dan ook veel van zijn beelden aan. Het levert indrukwekkende, hele originele – en bij tijd en wijlen ranzige – gedichten op. Met zijn onheilspellende verzen, die naar mijn gevoel een sterke verwantschap vertonen met die van Willem Thies, is Solvanger misschien wel de meest on-Komrijse dichter uit de reeks. Op een kwinkslag, een clou of een dubbelzinnig grapje zul je hem niet gauw betrappen.
Danny Degenaar heeft die luchtige toon in Eternelle lust geen bollen (2005) wel. Dat levert in zijn geval, gecombineerd met een uitzonderlijk taal- en observatievermogen, bruisende, zeer intelligente poëzie op die me af en toe zelfs aan het werk van Daniïl Charms doet denken. En dat is een groot compliment.

Uit archief I

Het paard en de kat, jawel!
(voor mij geen poespas)

Ah, telefoon.
Dag dichter per telefoon, ik ben het
als invoerbare God
met de gekke vogel in het lichaam.

Nee, dichten is geen zaak van dieren,
daar zijn we het dan over eens (dieren stinken).
Hup, weg met dat paard, weg met die kat,
opgerot vogel!

Of jij bijv. buiten dit gedicht nog steeds
als dichter door het leven gaat, hoe binnenskamers
klinkt dat niet? Jij, die dronken en dichtend
in een door mij gebouwd café mag zitten,
zelfs aan het raam
dat ik hierbij gezet heb.

Ontmoet me er zondag, klokslag twee,
je herkent me aan mijn zilveren trekpen
en zelf kom ik ook, jou herken ik
aan je handen.

Het is dan ook verbazend – zeg maar gerust bizar – dat er van Degenaar na dit geweldige debuut niets meer vernomen is. Zou hij nog ooit met een tweede bundel komen?

Over Toendra (2006) van Willem Thies heb ik al vaker geschreven en ik blijf deze bundel bij iedere herlezing geweldig vinden. Het is donkere poëzie. Onevenwichtige, zoekende poëzie. En juist dat zoekende geeft Thies zijn eigen geluid. In de kritiek werd Toendra nogal eens ‘puberaal’ genoemd en in zekere zin is hij dat ook. Dat puberale zal ook een deel van de aantrekkingskracht van Thies op Komrij gevormd hebben. Maar zo’n kwalificatie doet de bundel ook onrecht, omdat Thies niet alleen bijvoorbeeld het dweperig doodsverlangen toont, maar ook de onzekerheid die hij ermee probeert te overschreeuwen. Die gelaagdheid geeft vrijwel ieder gedicht in Toendra ook een poëticale lading. Je leest de poëzie niet, je ziet haar gebeuren. ‘De lezer is er bij’, zoals Rein Bloem placht te zeggen. Volslagen terecht dus werd het debuut van Willem Thies bekroond met de C. Buddingh-prijs van 2006.
Op de presentatie van Toendra zag ik voor het eerst Helène Gelèns voorlezen. En dit was wat ik hoorde:

Stamel de naam!

adem rustig in en uit, adem in
en uit, denk aan de naamdrager, in en uit
in en uit, goed zo, in en spreek de naam uit

hap naar de naam, probeer te happen
naar de naam als naar adem, zo ongeveer:
haphap, happen naar de naam, haphap

niet hoesten, happen haphap, niet hoesten
adem rustig in en uit, adem in
en uit, niet hoesten, adem in adem in

snak naar adem als naar de drager van de naam
hap naar adem, probeer te happen
naar adem, je moet nog stamelen, hap! hap!

Pardon? Het was een tijdje geleden dat ik zo van mijn stuk was gebracht door een gedicht. Gelèns’ perfecte dictie en – althans, zo staat het mij bij – volstrekt onbeweeglijke verschijning terwijl ze het las maakten dat het ritme en de verwrongen maar spijkerharde logica van dit klankgedicht-maar-toch-ook-weer-geen-klankgedicht zich in mijn hersenen brandde. In de rest van Niet beginnen bij het hoofd (2006) maakt ze meer conventionele zinnen en gedichten maar dat ritme, dat enorm muzikale gekoppeld aan een ongrijpbare maar voor het gevoel volstrekt logische denktrant zit in alle gedichten. Ook Gelèns werd met haar Sandwich-debuut genomineerd voor de Buddingh’-prijs en dat ze er naast greep kan alleen maar gekomen zijn omdat de concurrentie (Pim te Bokkel, Ester Naomi Perquin en Bernard Wesseling, de uiteindelijke winnaar) zo ontzettend sterk was.

Weer een compleet ander soort dichter is John Schoorl, met A Capella (2007) de volgende sandwichdebutant. Schoorl is een muziekgek en zijn gedichten laten zich goed vergelijken met popliedjes: kort, pakkend, herkenbaar en niet te ingewikkeld. De gedichten in A Capella lopen over van liefde. Liefde voor het leven, de muziek, zijn zoon, voetbal, wielrennen, auto’s… Echte mannenpoëzie, zou je kunnen zeggen. En hoewel het vaak een beetje dun wordt – dat risico loop je met dit soort gedichten al gauw – is het ook vaak raak. Het frituurvet in de voetbalkantine pruttelt door de minuut stilte voor de tsunamislachtoffers heen en in de supermarkt zijn er ‘fruit, babyvoeding, // Franse kaas, paprikachips, groente, / Melk, bokbier, wijn, espressokoffie, // Vanillevla, gewone kaas, kadetjes, / Wasmiddel en wc-eend’ en de dichter vraagt zich af: ‘hoe vul ik in hemelsnaam / Die onbegrensde ruimte boven me.’. Nou, daar weet Maarten Inghels wel wat op.

Buiten dondert beneden en regent de nieuwe tuin plat,
er hangt een verlangen naar lucifers of warmer.
Ik sleep tweedehands dozen binnen, kleef etiketten en
geef alles een naam. Tussen mijn wimpers word ik bang.

In Tumult (2008) laat Inghels zich zien als een dichter met een schwung die ik ervaar als iets typisch Vlaams. Het is talige poëzie, maar ook poëzie met veel kroegen en bier en vaak het woord ‘hart’. Er is warme, liefdevolle erotiek en spleen. Er is, kortom, alles wat poëzie nodig heeft, maar er is ook af en toe kitsch: ‘zij draagt de herfst in haar knieën’, dat soort dingen. Vooral in de Vlaamse pers werd de bundel goed ontvangen.

Last en least van de sandwichdebutanten is Michiel van Rooij (Hoe hoog de maan, 2009). Zijn pompeuze, gezwollen dichtregels – ‘mijn dichtershart klapt gulzig open’ en dergelijke formuleringen – bevatten nogal wat uitroeptekens, maar het blijft hol geschreeuw. Net als Inghels is Van Rooij niet vies van een pilsje en een sigaret in zijn gedichten, maar hij mist het relaxte van Inghels waardoor hij verzandt in stoere praat. In oktober 2009 werd Van Rooij door Meander geïnterviewd voor ‘Dichters’. In dat interview kondigde hij voor het voorjaar van 2010 een nieuwe bundel, getiteld Barre tijden, aan bij Van Gennep. Die is tot nu toe nog niet verschenen, maar zo gaat dat soms in uitgeversland.

Wat ik vervelender vind, ik refereerde er al even aan, is dat er van Danny Degenaar geen opvolger verscheen. Dat wordt vijf jaar na zijn zeer veelbelovende debuut toch hoog tijd. De tweede bundel van Maarten Inghels, Waakzaam, verschijnt volgens de website van Inghels komend jaar bij De Bezige Bij.
Van de dichters die al wel een nieuwe bundel uitgaven, produceerde Schoorl verreweg de zwakste. Zijn Uitloopgroef (2009) is een verzameling gedichten bij popsongs, waarin twee gedichten uit A Capella onder een andere titel opnieuw werden geplaatst. Onderaan de pagina’s staan in kleine letters weetjes afgedrukt over de bezongen song. Op zich een leuk concept, maar omdat de gedichten nog korter en eerlijk gezegd ook een behoorlijk stuk dunner zijn geworden dan in A Capella, zijn ze wel erg kwetsbaar voor de afleiding die dat geeft. Het is wel duidelijk dat de taal van Schoorl zich heeft verdiept en verrijkt. De toon is minder jolig, ingetogener geworden en het zou zomaar kunnen zijn dat Schoorl, als hij een derde bundel publiceert, laat zien dat hij wel degelijk een dichttalent is.
En wat moet je zeggen over Panacee (2006) van Abdelkader Benali? Niet alleen is het eigenlijk maar twee derde van een bundel omdat een twintigtal van de achtenvijftig gedichten al in Gedichten voor de zomer stond (hoewel ze door aanpassingen strakker in de vorm zitten), ook toont Benali als dichter niet genoeg ontwikkeling om in zijn nieuwe werk zijn debuut te ontstijgen. Toegegeven, de cyclus ‘Kanti’, over rouw die verering die obsessie die religie die geestesziekte wordt, is mooi opgebouwd, maar Benali heeft nog steeds te veel woorden nodig. Philip Hoorne heeft inmiddels al twee nieuwe bundels uitgebracht: Inbreng nihil(2004) en Het ei in mezelf(2005). In 2009 publiceerde hij Grootste hits! De jaren nul, waarin hij een selectie uit zijn drie bundels, alsmede vier nieuwe gedichten opnam. Om praktische redenen neemt die bundel hier de plaats in van twee van de drie constituerende bundels. Ik heb hier al eens geschreven over dit boekje: het is interessant om te zien hoe Hoorne, die over een niet geringe dosis talent beschikt, geleidelijk aan de meligheid aflegt maar zijn originaliteit behoudt.

De voorhoede van de sandwichdichters wordt gevormd door Belleman, Solvanger, Thies en Gelèns. Belleman zei zijn taalspelletjes vaarwel en produceerde met Hout (2006) een zeer solide dichtbundel. 2006? Is het al weer zo lang geleden? Het wordt dus tijd voor een opvolger! Solvanger continueert in Slijp het sternum (2008) die verstilling en die macabere beelden uit de medische praktijk (‘haar buik een tas oneetbaar voedsel’) die zijn debuut zo bijzonder maakten, maar de kwaliteit van zijn werk is veel constanter. Met al zijn wanhopige, ongelukkige karakters, melaatsen en kannibalen is Slijp het sternum het toonbeeld van de ‘verontrustende poëzie’ waar sommige critici het graag over hebben.
Willem Thies gaf zijn tweede bundel (2008) de titel Na de vlakte, een expliciete verwijzing naar zijn debuut. Als de worstelende, zoekende dichter die hij is probeerde hij af te rekenen met zijn eersteling. Hij wilde stiller, kleiner en persoonlijker dichten. Hoewel juist die strijd Na de vlakte tot een bijzonder interessante bundel maakt, wist de kritiek er slecht raad mee.
Helène Gelèns liet met haar tweede bundel Zet af en zweef (2010) zien dat zij de ware revelatie van de Sandwichreeks was. ‘Stamel de naam!’ bleek een eerste stap in de richting van een zeer gestructureerde, ritmisch zeer strakke maar toch frivool aandoende mix van ironie en puur geluid:

vanaf nu wordt het leuk reken maar van yes
doen we alleen maar leuke dingen jiiiihaaa!
lekker eten, naar het strand, een cursus spaans
tappa tilde tortilla niet te moeilijk
beetje slenteren, filmpje maken relax
niets vermoeiends, een vleugje cultuur: toneel
sketches, niets zwaarmoedigs, iets om te lachen

Het is een geweldige klus om tussen alle literaire wannabes die de open podia bestormen en de brievenbussen van uitgevers verstoppen met hun schrijfsels dat ene talent, die ene unieke stem te vinden. Dat Gerrit Komrij het heeft gewaagd om in een tijdsspanne van zeven jaar tien debuutbundels uit te brengen, is dus zeer te prijzen. En al zitten er zeker een paar zwakke bundels tussen, als je Clubsandwich uit hebt, heb je enkele honderden gedichten van een zeer hoog niveau gelezen. Kijk je naar de bundels die op de sandwich-debuten volgden (en ga je er van uit dat het met die tweede bundel van Maarten Inghels helemaal goed gaat komen), dan kun je concluderen dat we er dankzij Komrij in Hoorne, Belleman, Solvanger, Thies en Inghels vijf bijzondere dichters en, in Helène Gelèns, een waar fenomeen bij hebben.

Recensie van De 21ste eeuw in 185 gedichten - Gerrit Komrij

Bloemlezingen, a tale of two troubles

Gerrit Komrij
De 21ste eeuw in 185 gedichten
Uitgever: De Bezige Bij
2010
ISBN 9789023454342
€ 16,90
224 blz.

De 21ste eeuw in 185 gedichten, de nieuwste bloemlezing van Gerrit Komrij, ligt als een baksteen op mijn tafel. Klaar om te bespreken. Pffff. Ik heb niet veel op met bloemlezingen, want ze hebben ook niet veel op met mij. Wie laat zijn smaak nu graag bepalen door een ander? Het is alsof je een huis koopt met een heleboel kamers waar je nooit gebruik van zult maken. Nee, geef mij maar liever een bundel met één dichter, één goed ingerichte kamer die ik zelf gekozen heb.

Maar natuurlijk zijn bloemlezingen ook heel nuttig. Alleen al als naslagwerk. Af en toe is het nodig om de eigen smaak uit te dagen met iets nieuws… iets waardoor je er na verloop van tijd achter komt dat je er anders nooit achter was gekomen, zullen we maar zeggen. En een bloemlezing is ook heel gemakkelijk. Uitermate geschikt voor luie lezers. Wie niet zelf honderden bladzijden poëzie wil doorploegen en alleen de allerbeste gedichten wil lezen, zit ermee meteen op de eerste rang. Mits de samensteller een onbetwistbaar goede smaak heeft natuurlijk (lees: dezelfde als de lezer). Goed, met een beetje geluk heeft het vangnet van zijn kritische geest de poëzievijver ontdaan van alle zwakkere vissen en zwemmen alleen de allersterkste nog rond…

Wat voor vangnet hanteert Komrij? Waardoor worden zijn mazen bepaald? En wat zijn de consequenties? Wie een paling probeert te vangen vist anders dan wie een snoekbaars wil verschalken, zoveel is duidelijk.
De titel van Komrij’s boek geeft alvast een aanwijzing: de 21ste eeuw in 185 gedichten. Ja, dat beperkt de vangst, zowel in tijd als in aantal. Maar Komrij gaat verder: in de wat karige inleiding van de bloemlezing lezen we dat geen van de opgenomen dichters ouder is dan vierendertig. Op het moment van verschijnen, mag ik aannemen (en nu maar hopen dat alleen het voorwoord op den duur gedateerd blijkt). Een volkomen arbitraire grens, maar wel een met duidelijke consequenties. Zoals Komrij zelf toegeeft: Lucas Hirsch, Ramsey Nasr, Mustafa Stitou, Daniël Dee, Thomas Möhlmann, Tsjead Bruinja, Martijn Benders, Willem Thies en Samuel Vriezen vallen nét buiten de boot. Hij doet het erom.
Over wat voor dichters we in de bundel wél kunnen verwachten is het voorwoord minder duidelijk. Komrij citeert een aantal uitspraken van de door hem gebloemleesde dichters, die wel iets zeggen, maar niet veel meer dan de uitslag van de eerste Turing Nationale Gedichtenwedstrijd al deed vermoeden. Komrij was de voorzitter van de jury van die wedstrijd en het winnende gedicht had de volgende slotregels:

waanzin smoor ik in mijn verzen
waar zijn die dingen anders voor?

Een heldere conclusie. En wat lezen we in een van de citaten? ‘Sommige gedichten lijken inderdaad op kleine bezweringen om de werkelijkheid te temmen.’ Wie in toeval gelooft mag het zeggen… Maar het is een zienswijze en het levert een criterium: gedichten moeten blijkbaar iets bezweren.

Wat voor criteria kunnen we bij Komrij verder voor een bloemlezing verwachten? Als de man van het woord die hij is ook een man van zijn woord is, kan het volgende misschien enig licht werpen. In zijn ‘Verspreide stukken’, bijeengebracht in Vreemd pakhuis, wijdt Gerrit Komrij een heel hoofdstuk aan de VSB Poëzieprijs-nominaties van 1997. Hij bewondert de helderheid, de aangenaamheid, de eigentijdsheid, kortom wat hij ‘de onberispelijke poëzie’ noemt van de gegadigden, maar verzucht ook:

‘Als ik dichter was kon ik het waarschijnlijk ook niet beter, maar als lezer mis ik iets. Het is de poëzie van pleister en zalf. Ik mis de opstand. Het is de poëzie van het milde verdriet. Ik mis de ondraaglijkheid. Het is de poëzie van de gerechtvaardigde twijfel. Ik mis de verkeerde keuze. Het is de poëzie van het menselijk weifelen. Ik mis de hondse vertwijfeling. Het is de poëzie van het inzicht en het begrip. Ik mis de onbeschoftheid. Het is de poëzie van het verbale vermogen. Ik mis de kracht van de straat. Het is de poëzie van de geestelijke acrobatiek. Ik mis de stront. Het is de poëzie van gisteren en eergisteren. Ik mis vandaag en morgen. Het is de poëzie die geneest of wonden wil genezen. Ik mis de poëzie die zelf een wonde is. Het is de poëzie van het gezonde verstand. Ik mis de onbarmhartige gekte.’

Openhartiger lijkt het niet te kunnen. Let wel: Komrij heeft het hier over Kees Ouwens, Tonnus Oosterhoff, Willem van Toorn, Toon Tellegen, Gerrit Krol, Rutger Kopland en Erik Menkveld, de genomineerden voor de VSB Poëzieprijs van 1997. Niet de eerste de beste namen in letterland! Hij zet zich af tegen bijna de hele gevestigde orde. Wel, ik zit er niet mee: het levert tenminste weer meer duidelijkheid op over zijn criteria.

Maar is dat werkelijk zo? Komrij ageert graag. Misschien iets te graag. Wie de gedichten van de bloemlezing begint te lezen met genoemde criteria in het achterhoofd en met daardoor (al te?) hooggespannen verwachtingen, komt een beetje bedrogen uit: de meeste dichters komen bij mij althans niet zo vertwijfeld over, om over poëzie die zelf een wonde is maar te zwijgen. Wel wordt er veel gezocht en verlangd, en is er hier en daar plaats voor humoristische wendingen. Maar dat is misschien niet zo gek voor een generatie van rond de dertig. Een korte samenvatting:

Lernert Engelberts schrijft wel ergens ‘De vertwijfeling overheerst’, maar ik betwijfel of die honds genoeg is; Voor Miguel Declercq is een blauwe plek poëzie, en hij komt die op de vreemdste plaatsen tegen, maar dat lijkt me toch de enige overeenkomst met stront; Sieger M.G. bewerkt dan wel zijn eigen steen, maar dat lijkt me meer op zijn poëzie slaan, dan op een straatsteen; Ayatollah Musa heeft het over een Luna jachtgodin die is ingemetseld in het futurisme: de poëzie van morgen?; Kris Pint laat mensen een andere kant opkijken en doen of ze iets zien: onbeschoft?; Joris van Casteren laat een azijnen stem de weelde kleineren en Kristin van den Eede maakt ergens geen woorden aan mooi. Ik geef toe: dat moet Komrij hebben aangesproken; Bas Belleman heeft het over een soort belasting die je niet ontduiken kunt: inderdaad, dat kan ondraaglijk zijn; Neeltje van Beveren hakt liever de verkeerde knoop door dan dat ze blijft zitten in de juiste. Als dat geen goed voorbeeld is van een verkeerde keuze; Quirien van Haelen’s gedichten rijmen wel, maar niet echt met Komrij’s criteria; Joep Kuiper met zijn natte straten die kranten vullen heeft iets sombers en in ‘dat dorp dat dansen in die gekte’ ook iets van een onbarmhartige gekte; Marije Langelaar doet in gekte niet voor hem onder met haar schreeuworkest van gelukkige mensen; Maurice Buehler laat gedichten niet schreeuwen maar wel graag klinken: ‘Hoe moe opoe pompt de norton’; bij Yves Coussement had een blinde muur alles in de gaten, maar volgens Jaap Robben is dat lastig bij gezichten van middeleeuwse mensen die niet op schilderijen staan; Erik Solvanger wordt door Komrij even hoog aangeslagen als door mij, maar het bewijs daarvoor is helaas net als het bewijs dat pijn zinloos is niet te leveren; dit geldt ook voor Jan-Willem Anker, wiens uithoek zich niet laat benaderen (de ontketende wereld lijkt mijlenver weg); Robin Block laat een maan schijnen om naar te huilen: daar zit wel iets honds in; Anneke Claus komt realistisch over wanneer ze schrijft ‘hij kwam, hij gaf straks neemt hij het weer af’, maar over wie heeft ze het eigenlijk?; Maarten Das twijfelt erover of het schemer of nacht is, maar is daarom nog niet vertwijfeld als oude man van zeven; Danny Degenaar is op zijn best als hij in de knel zit; Reine de Pelseneer wil een snelle stroom, een roes die raast en uiteindelijk een ander land: misschien krijgt ze in België gauw haar zin; Jeroen Theunissen laat honderden bladzijden met normen ongelezen: is dat de opstand die Komrij bedoelt?; Els Moors laat een achterwerk draaien in de stoel tot het ene in het andere past: geen ‘geestelijke acrobatiek’, maar wat dan wel?; Bernard Wesseling spreidt zijn armen voor het ‘Jezus-effect’ en bij Pim te Bokkel zijn dingen met secondenlijm aan de binnenwand van iemands globe geplakt: om waanzin te beteugelen?; Laura Demelza Bosma doet het rood langs haar kin druipen en een vlek maken in haar witte blouse van kant: ondraaglijk, zeker daarna; Bernard de Bruyckere gebruikt misschien iets te veel grotemensenwoorden, maar komt later gelukkig met een brievenbus vol zwijgplicht; en volgens Anne Büdgen kunnen woorden én wat je niet zei aan vervanging toe zijn; Lianne Sasja van Kalken trouwt met een mooi eendje omdat niet alles vanzelfsprekend mag zijn, wat misschien ook voor Komrij’s criteria geldt; Ruth Lasters wil wel kunnen aanbellen bij radeloosheid, maar binnen gaan?; Ester Naomi Perquin vraagt zich in haar gedicht Reïncarnatie af wie haar ‘aan’ wil, geen geval van ondraaglijkheid dus; Xavier Roelens weet zelfs lekkere boterkoeken luguber te maken en Arnoud van Adrichem voegt daar nog aan toe dat de dood altijd natuurlijk is; Wineke de Boer zag meer in de kleedkamer van meisjes dan goed voor haar is; Daan Doesborgh verwoordt charmant waar hij zich dagelijks in verlieft, maar Lies Van Gasse weet er iets vertwijfelends in te leggen: ‘geen aanraking, hoe intens of dierbaar ook, zoals haar vingers in het klamme laken’, vertrouwt ze ons toe; Annemieke Gerrist wil terecht niet lopen en het liedje vergeten, wil niet zeggen dat het niet waar is wat ze zingt; Krijn Peter Hesselink voelt zich een vondeling als hij zich gevonden heeft en Maarten Inghels is eeuwen en eeuwen te vroeg geboren: een mooi stel samen, in één kinderwagen; David Troch lijkt er net te oud voor door wel leeftijd, maar geen ouderdom te hebben (in dat mooie gedicht met die lelijke titel); Jurre van den Berg wil ons laten onthouden dat glas mooi is vanwege de belofte dat het breken kan en je er doorheen kunt kijken en dat is fijn voor Andy Fierens want die kijkt, voor hij gaat slapen, graag uit een raam (helaas: nooit valt er een ster); Floor Buschenhenke ondertussen bij de elektronen, constateert dat die het druk hebben met heel veel niets, maar dat blijkt niet te gelden voor de insecten die Delphine Lecompte tegenkomt: die doen immers alsof ze struikgewas zijn; Sylvie Marie weet als Klein Duimpje de weg terug door de achtergelaten ‘schilfers van je huid’, die wellicht makkelijker te volgen zijn dan Geert Ooms, wanneer hij springt en naar de maan probeert te vliegen (en daarbij ook nog om meelij vraagt); Michiel van Rooij tenslotte, laat uit verlangen naar de vele meisjes binnen zijn huid een stille jongen zich om en om draaien.

Dit is maar een willekeurige greep. Liever dan de zoveelste indeling te maken in allerlei soorten poëzie (hoeveel soorten zijn er?) zou ik alles willen laten lezen, maar dat kan niet. Dus heb ik me bij iedere dichter maar beperkt tot een korte opmerking of een zin, die me opviel. Zoals in alle bloemlezingen, staan er in deze bloemlezing goeie en minder goeie gedichten. Gedichten die elkaar waarschijnlijk nooit hadden ontmoet zonder het bestaan van zekere criteria, die voor het merendeel helaas duister blijven. Komrij’s hoofd is voor mij nu eenmaal terra incognito. Ja, het stelt me wel een beetje teleur (hoewel ik het ook wel had verwacht) dat deze poëzie, hoe goed ook, niet echt beantwoordt aan wat de lezer Komrij zegt te verlangen. Wat verwacht hij dan van andere lezers? Nou ja, sommige dichters schuren er tegenaan: Erik Solvanger en David Troch bijvoorbeeld, maar voor het overgrote deel lijkt de nieuwe generatie, die hier aan het woord is, teveel een kopie van de generatie die eerder al ‘onberispelijke’ poëzie heeft afgeleverd. Blijkbaar is het moeilijk dat criterium te laten varen.

Komrij, de ervaren eenling, met zijn verlangen naar wat ik, voor het gemak, maar even meer authentieke poëzie zal noemen (ik weet zo gauw geen betere verzamelnaam voor al zijn criteria), is misschien wel de meest bekende, maar zeker niet de enige samensteller van bloemlezingen. Hij heeft dit jaar alvast concurrentie van Bouke Vlierhuis, Elly Woltjes, Jeroen Dera en Sylvie Marie, die samen voor Meander de bloemlezing Nog een lente samenstelden. Een redactie van meerdere personen dus, die er waarschijnlijk heel andere criteria op na houden. En inderdaad, dit wordt bevestigd door het voorwoord van de bundel. Nog een lente bevat uitsluitend werk van dichters die de afgelopen vier jaar door Meander zijn geïnterviewd en hoogstens één bundel op hun naam hebben staan. En – ook niet onbelangrijk – leeftijd speelt geen enkele rol. Het gaat vooral om dichters van wie de redactie inschat dat ze heel wat in hun mars hebben en van wie men hoopt (en bijna zeker weet) dat ze vroeg of laat het label ‘beloftevol’ in ‘gelanceerd’ kunnen veranderen.
Juist. Ter kennisgeving aangenomen. Maar leveren deze andere criteria nu ook andere poëzie op? Ik zou zeggen: ja. Een tikkeltje anders, toch wel. Zonder dit te willen overdrijven overigens, en zonder te vergeten dat deels in dezelfde vijver wordt gevist. Komrij’s bloemlezing lijkt me, over het geheel genomen, iets schalkser van karakter dan de Meander bloemlezing. Schalkser, puntiger… of zoiets (het is waarschijnlijk niet toevallig dat alleen in zíjn bloemlezing rijmende gedichten voorkomen). Heeft Komrij voor een deel misschien dan toch zijn criteria waargemaakt? Zijn verlangen naar opstand, de straat, de onbarmhartige gekte, doet denken aan wat een soort moderne Tijl Uilenspiegel zou nastreven. En dat past wonderwel bij het hier geconstateerde verschil. De poëzie die Komrij zelf schrijft, vergeleken met de gedichten van (drie van) de redactieleden van de Meander bloemlezing wijst ook in die richting: iedereen heeft blijkbaar de neiging om in gedichten van anderen zijn eigen poëzie bij elkaar te lezen (…) Overigens is schalksere poëzie niet per definitie poëzie van de toekomst of poëzie die zelf een wonde is, laat staan betere poëzie. Goed, Nog een lente in vogelvlucht:

Jan Aelberts maakt indruk met een zin als ‘Daarna gaat ze niet, ze verlaat.’, hetzelfde geldt voor Frouke Arns in Vrucht : ‘wie het verst komt / noemt zich winnaar / in wie hem doorslikt / bloeit de kers.’; Jurre van den Berg weet niet wiens beurt het vandaag is om in paniek te raken, maar is al een keer aan de beurt geweest; Estelle Boelsma komt met ‘een misvatting die geen weerga kent’, dat had Komrij leuk gevonden; Peter WJ Brouwer laat iemand in een spiegel zijn gezicht verlaten; Anna de Bruyckere maakt lekker bobbelende zinnen als ‘wie ik vertel dat ik word vanaf jouw ontbreken’; Floor Buschenhenke steekt de pijngrens over in het gedicht Sanatorium, maar niet alleen de pijngrens, zoals straks zal blijken; Ellen van de Corput is wel heel erg up to date wanneer ze schrijft ‘hoe buiten weer een wereld breekt en wij verzaken iets te lijmen’; Ellen Deckwitz is een van mijn favorieten: ‘Ze liet zich zakken in het water, / luchtkralen snoerden zich aaneen. / En ook de zon dook onder.’, prachtig!; Jeroen Dera strookt goed met ‘hoe geen mens hier nog met foto’s strookt’; Yerna Van den Driessche geeft een mooi Verjaardagsgeschenk; Vicky Francken schrijft wel ‘We blijven niets worden’, maar wordt toch wel wat; Dennis Gaens zit niet bepaald precies aan het einde van deze ladder, maar de zijne is ok; Lies van Gasse weet dat er een plek is waarop de noodzaak van elk woord verloren gaat, helaas heb ik die in deze recensie nog niet bereikt; Liesbeth V. Hafenrichter schrijft letterlijk avant la lettre; Maarten Inghels intrigeert met regels als ‘Of het sprookje van de cirkel van vondsten die zich steeds dieper het bos in groef’, net als Gert de Jager, die over de hanenpoten van een kleuter schrijft: ‘ze worden wat / ze worden en ze worden schrift’; aan de andere kant van wat we leven noemen vindt Ingeborg Klarenberg een dramatisch verdwijnpunt: ‘achter welk gordijn wordt je grijs’, vraagt ze zich af; bij Delphine Lecompte ritselt een vogel dreigend tot hij uiteen valt; Eric van Loo laat me even een adempauze nemen als ik lees ‘Je denkt dat er geen tijd is / omdat je dat denkt’; Sylvie Marie heeft het benauwd in kleine kamers en denkt dat te kunnen oplossen door het licht uit te doen (en zich dan te laten kietelen): ik ga dat een keer proberen; Lieke Marsman wordt achtervolgd door het tegenovergestelde van herinneringen; Jan Paul Rosenberg laat alles van leeftocht zwalken (klinkt wel lekker); Hedwig Selles verzet zich niet langer ‘als de / sluierlichte gewaden door de tuin / heen dwalen’, nee, dan geef ik mijn verzet ook op; Wouter Steyaert laat me (onbedoeld?) lachen als hij schrijft ‘Zij barstte / uit in tranen en leed veel gezichtsverlies’ en David Troch maakt daar iets verderop in de bundel a.h.w. leedvermaak met een lachspiegel van: ‘wij grinniken / zodra hun tranen op het water vallen’; An Vandesompele opent landschappen ‘Zo licht en dicht / en open om in / verloren te lopen’ en Bo Vanluchene ‘de veelbelovende mond van de teleurstelling’; Bouke Vlierhuis heeft ‘geen ziel of het moet aarde zijn’, en Geralt Wolterbeek tenslotte, op zijn beurt, een hand die je ‘als aarde oppakt aanvoelt / en loslaat’.

Het zal de oplettende lezer al zijn opgevallen: er is een zevental dichters dat in beide bloemlezingen voorkomt. De ‘magnificent seven’, uit de gelijknamige film? Wie zal het zeggen, maar Jurre van den Berg, Floor Buschenhenke, Lies van Gasse, Maarten Inghels, Delphine Lecompte, Sylvie Marie en David Troch kunnen zich gelukkig prijzen, blijkbaar zijn ze goed (en jong) genoeg. Beantwoordend aan de normen van de uitgevers (alle gedichten in de Komrij bloemlezing zijn al eerder gebundeld), van de Meanderredactie en last but not least van Komrij mogen deze dames en heren zich op de borst kloppen. Vier dames en drie heren – wie durft na deze uitslag nog te zeggen dat vrouwelijke poëzie wordt ondergewaardeerd?

Maar dezelfde dichters betekent nog niet dezelfde gedichten. Dat ligt voor de hand. Interessant zijn dan ook de verschillen: Jurre van den Berg, Sylvie Marie, Delphine Lecompte, David Troch en Maarten Inghels lijken me over het geheel genomen iets beter in de Komrij bloemlezing. Beter in de zin van: treffender, markanter. Wat misschien verklaard wordt door het feit dat de gedichten in Komrij’s bloemlezing allemaal eerder al in een bundel zijn verschenen: de extra controlepoort van een uitgever, en wie weet ook van de dichter zelf, die mogelijk kieskeuriger is wanneer het om het uitgeven van een eigen bundel gaat, zou dan doorslaggevend zijn. Of zeggen Komrij’s criteria toch iets over kwaliteit? Misschien niet elk criterium apart, maar wel alle criteria bij elkaar. Dat is heel goed mogelijk. Overigens laat zijn grote ervaring als bloemlezer zich natuurlijk ook niet in één criterium uitdrukken…
Maar dan zijn er nog de gedichten van Floor Buschenhenke en Lies van Gasse. Bij Floor Buschenhenke aarzel ik, de kwaliteit van haar poëzie lijkt me in beide bundels wel ongeveer even hoog. Lies van Gasse daarentegen doet (bij mij althans) de weegschaal doorslaan naar Nog een lente.
Al met al een uitslag die de bloemlezing van Komrij voorop stelt. Maar alleen met de mannen erbij. Als we enkel naar de vrouwelijke dichters kijken is het allemaal veel minder duidelijk. Dan blijkt de kwaliteit van de poëzie van dit selecte gezelschap in beide bloemlezingen zo ongeveer gelijkwaardig. Mogelijke oorzaak? Geen idee. Ja, vrouwelijke dichters lenen zich vermoedelijk, over het algemeen, uitzonderingen daargelaten, toch iets minder voor schalkse poëzie. Een vrouwelijke Tijl Uilenspiegel moet nog geboren worden, zal ik maar zeggen. De verschillende percentages vrouwelijke dichters in beide bloemlezingen zijn hier niet mee in strijd (Komrij: 36 %, Nog een lente : 57 %).

Nogmaals: schalksheid zegt niets over kwaliteit. De uitslag had wat dat betreft makkelijk andersom kunnen uitvallen. Ook mijn persoonlijke smaak is niet heilig: een ander zou, geheel in overeenstemming met zijn anders zijn, beslist een andere keuze hebben kunnen maken. Wanneer poëzie een zeker niveau heeft (er zitten geen koeien van ‘aantoonbare’ fouten in, er staat ‘meer’ dan er staat), wordt het moeilijk om in absolute termen over goed of slecht te praten.
Frappant vind ik de mate waarin voorkeur bepaald wordt door persoonlijke smaak en omstandigheden. Wat men vindt is eigenlijk altijd een momentopname. Op verschillende tijden vond ik verschillende gedichten het mooist. Ik durf te stellen: wie zelf een ‘mooiste’ gedicht kiest, zal zien dat zijn eigen persoonlijke omstandigheden daarbij veruit de belangrijkste maatstaf vormen (en niet die van anderen, zelfs niet die van bloemlezers): de eigen smaak laat zich niet verbloemen.

Tenslotte, als laatste, dat ene gedicht, dat in beide bundels staat. Die ene vis die aan alle netten is ontsnapt, en daarmee ook alle douanegrenzen heeft gepasseerd, Sanatorium van Floor Buschenhenke:

we steken de pijngrens over
en kraken een oude droomfabriek
een primavera stekje om op kleur te komen

van aardappelbloed kan men
geen rozenwater maken, het kruipt
en stroomt door onze uitlopers

we laten het opknappen
graag aan onze lijven over
pijn, die goedmoedige huisgenoot,
geeft een duwtje in de rug

rondbanjeren door zenuwcellen
aanmodderen in niemandsland

we vereenzelvigen ons, leggen
een ninja moestuin aan, vol
verbitterde vergeten groenten,
oersterke knolgewassen

en draaien onze ligbedden naar de zon

We ‘draaien onze ligbedden naar de zon’. Maar beweegt de zon niet heel de dag? We moeten wel meedraaien om haar schoonheid te blijven zien.